Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4911

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
LEE 15-1406 en 15-1416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor wereldrestaurant. Concurrent. Concrete toezegging? Getuigenverklaringen. Niet gebleken van schending van het vertrouwensbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2016/2683
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/1406 en 15/1416

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 oktober 2015 in de zaken tussen

1. de naamloze vennootschap SynVest Real Estate Fund N.V.gevestigd te Veenendaal , verzoekster,

2. de besloten vennootschap Intercity Management B.V.gevestigd te Hoofddorp, verzoekster,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoeksters,

(gemachtigde: mr. P.H. Revermann),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen, verweerder,

(gemachtigde: mr. E.M. Rink en F. de Jonge).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder]

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een wereldrestaurant op het [adres] te Emmen.

Bij besluit van 31 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekers ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit hebben verzoekers beroep ingesteld. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter bij brief van 20 april 2015 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld op een zitting van 22 mei 2015.

Verzoekers zijn vertegenwoordigd door [verzoeker] , bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Vergunninghouder is niet verschenen.

Ingevolge artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het verzoek om voorlopige voorziening met het procedurenummer LEE 15/1406, het beroep met het procedurenummer LEE 15/1416 en het beroep met het procedurenummer LEE 15/1418 op korte termijn op een zitting te behandelen, zoals met de partijen is afgesproken. Tevens is de afspraak gemaakt dat [getuigen] zal worden gehoord.

Het onderzoek in de voorlopige voorziening met procedurenummer LEE 15/1406 is hervat op de zitting van 25 september 2015. Gelijktijdig zijn ter zitting van 25 september 2015 de zaken met de procedurenummers LEE 15/1416 en LEE 15/1418 behandeld.

Verzoeksters zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde en [verzoeker]

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden en A. Haanstra.

Vergunninghouder is niet verschenen.

Ter zitting zijn als getuigen gehoord [getuigen]

Voor het doen van uitspraak zijn de zaken met de procedurenummers LEE 15/1406 en LEE 15/1416 weer gesplitst van de zaak met het procedurenummer LEE 15/1418.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1. Vergunninghouder heeft op 26 juni 2014 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het realiseren van een zogeheten wereldrestaurant op [adres] te Emmen bij verweerder ingediend.

1.2. Bij besluit van 22 juli 2014 heeft verweerder aan vergunninghouder medegedeeld dat de beslistermijn voor zijn aanvraag met zes weken wordt verlengd.

1.3. Bij primair besluit van 19 augustus 2014 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een wereldrestaurant op het [adres] te Emmen.

1.4. Tegen dit besluit hebben verzoeksters bij brief van 24 september 2014 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van

26 november 2014 aangevuld.

1.5. Verzoekers hebben het bezwaarschrift mondeling toegelicht op de hoorzitting van

20 januari 2015 van de Commissie van Advies voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

De commissie heeft verweerder bij brief van 6 maart 2015 geadviseerd om het bezwaarschrift van verzoekers ongegrond te verklaren.

1.6. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit het bezwaarschrift van verzoekers ongegrond verklaard.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan wanneer beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, deze onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

2.1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder c, van dit artikel, voor zover thans van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voor zover thans van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, voor zover thans van belang, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

2.2. De in artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 4, negende lid, van bijlage II, behorend bij het Bor, luidt als volgt:

‘Voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten.’

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan “Noorderplein e.o.” is aan het perceel de bestemming “Centrum” toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder c, zijn de op de plankaart als “Centrum” aangewezen gronden bestemd voor onder meer “horeca-1”.

Ingevolge artikel 1, lid 1.41, van de planvoorschriften wordt onder het begrip “horeca-1” verstaan: horecabedrijven gericht op het verstrekken van al dan niet voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet-alcoholische dranken, zoals cafetaria’s, snackbars, lunchrooms, broodjeszaken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven zoals een sportkantine.

Rechtsoverwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1. Aangezien vergunninghouder een aanvang heeft genomen met de inrichtingswerkzaamheden van zijn wereldrestaurant en dat restaurant thans reeds in gebruik is, acht de voorzieningenrechter het spoedeisende belang aan de zijde van verzoeksters in dit geval gegeven.

4. Ambtshalve overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011:BP1354, is belanghebbende onder meer degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit. Dit geldt ongeacht de vraag of het concurrentiebelang bij het nemen van dit besluit een rol kan spelen. Van een concurrentiebelang is sprake indien de ondernemingen in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam zijn. Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat verzoeksters een aanvraag om omgevingsvergunning voor de realisering van een wereldrestaurant in het centrum van Emmen bij verweerder heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank zijn verzoeksters en vergunninghouder in dit geval in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied werkzaam. Dit brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat met het bestreden besluit concurrentie-belangen van verzoeksters zijn gemoeid, zodat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeksters als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb dienen te worden aangemerkt.

5. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat na afweging van de betrokken belangen medewerking moet worden verleend aan dit plan door toepassing te geven aan artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor. Volgens verweerder kan het restaurant, gezien de zichtlocatie, een toegevoegde waarde hebben voor de belevingswaarde van het centrum en is de locatie goed bereikbaar en is er voorts voldoende parkeergelegenheid. Verder wijst verweerder erop dat de locatie is gelegen in de directe nabijheid van bestaande horecagelegenheden.

5.1. Verzoeksters betogen primair dat de verleende omgevingsvergunning berust op een onjuiste juridische grondslag. In dat kader wordt aangegeven dat verweerder ten onrechte de restaurantoppervlakten heeft opgesplitst in entree, garderobe en keuken enerzijds en de overige restaurantruimte anderzijds, aangezien de entree, garderobe en keuken primair dienstbaar zijn aan het beoogde afwijkende gebruik ten behoeve van het wereldrestaurant van 1.981 m² en geschikt voor 600 personen. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat de ruimtelijke- en de functionele uitstraling en het karakter van een dergelijk wereldrestaurant van een geheel andere impact en orde zijn dan de met de bestemming “horeca-1” beoogde ruimtelijke- en functionele uitstraling. Verzoeksters zijn van mening dat, nu de bedrijfsruimte van het wereldrestaurant de oppervlakte van 1.500 m² overschrijdt, uitsluitend een omgevingsvergunning verleend had kunnen worden met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo.

5.2. Voor zover verzoeksters betogen dat verweerder in dit geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor met ingang van 1 november 2014 is gewijzigd, in die zin dat voor verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, in aanmerking komen: het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten. Verder dient te worden vastgesteld dat verweerder in het kader van de heroverweging in de bezwaarfase de wijziging van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor in zijn beoordeling heeft betrokken en mede aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014:539, volgt dat bij een heroverweging in bezwaar als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, als uitgangspunt geldt dat rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op dat moment voordoen en het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. Wel kan in bijzondere gevallen van dit uitgangspunt worden afgeweken. Van een bijzonder geval in voormelde zin is de rechtbank niet gebleken. Aangezien het Bor geen overgangsrecht kent voor wat betreft de aanpassing van artikel 4, negende lid, van bijlage II en om die reden directe werking heeft, kan het betoog van verzoeksters op het overgangsrecht reeds om die reden niet slagen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de wijziging van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor terecht heeft betrokken in de heroverweging in bezwaar, als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb. Hieruit volgt dat verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor een omgevingsvergunning te verlenen voor de wijziging van het gebruik ten behoeve van het wereldrestaurant aan de [adres] te Emmen (vgl. ABRvS, 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2516). Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

6.1. Verzoeksters betogen voorts dat in het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een bestemmingsplan het ruimtelijk instrument is waarin onder meer de wenselijke, toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. Indien verweerder het gebruik van de locatie in weerwil van het geldende bestemmingsplan wenst te wijzigen, en dus daarvan wil afwijken, dient in de visie van verzoeksters aansluiting te worden gezocht bij bestaande ruimtelijke ontwikkelingsvisies binnen het vastgestelde beleid van de gemeente Emmen, zoals met name het Masterplan Emmen Centrum (MEC) 2020 en het Strategisch Kader. Volgens verzoeksters is dit niet gebeurd. Deze ontwikkelingsvisies stellen immers dat het hart van het centrumgebied compacter zal worden en dat de gewenste locatie voor (avond)horecavoorzieningen bij de Markt is gelegen. De Markt, het Centrumplein en het zogenoemde “winkel-achtje” vormende kern van het centrumgebied. Hier ligt programmatisch en ruimtelijk gezien de focus van de gemeente en hier wordt door de gemeente prioriteit aan toegekend. Dat betekent enerzijds dat voorzieningen geclusterd worden tot een compact centrumgebied en anderzijds een ontmoediging van autonome programmatische ontwikkelingen op niet gewenste plekken, zoals de locatie Westerstraat 212. Naar de mening van verzoeksters staat het bestreden besluit haaks op het vastgestelde beleid, zoals ook onderkend is in het advies van de dienst Ruimtelijke Ordening en Infrastructuur van de gemeente Emmen waar deze, overeenkomstig het beleid van de gemeente, stelt dat de restaurantontwikkeling op de locatie Westerstraat 212 niet bijdraagt aan de totaalontwikkeling van het centrum en zelfs afbreuk kan doen aan het niveau van de bestaande (horeca)voorzieningen gesitueerd binnen de ruimtelijk gewenste ontwikkelingsinrichting. Dat is in de visie van verzoeksters klare taal om aan te geven dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De verstrekte omgevingsvergunning voldoet dan ook niet aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo. Hierbij hebben verzoeksters gewezen op een uitspraak van 23 april 2014 van de ABRvS, ECLI:NL:RVS: 2014:1442.

6.2. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat afwijken van het beleid, zoals onder 6.1. is aangegeven, toegestaan is, indien er sprake is van bijzondere omstandigheden. Gelet op de beoordeling van de ruimtelijke effecten berust de afwijking van het beleid naar de mening van verweerder op een deugdelijke motivering dat zich hier bijzondere omstandigheden voordoen. Daarnaast heeft de gemachtigde van verweerder er ter zitting op gewezen dat in dit geval vooral het ‘strategisch kader’ van belang is. In dit ‘strategisch kader’ wordt onder meer vermeld dat het streven erop gericht is dat de horeca in een zogenaamd ‘Achtje’ in het centrum van Emmen wordt geconcentreerd, zodat er sprake is van een verbinding tussen het noordelijke- en het zuidelijke deel van het centrum. Verder heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting benadrukt dat uit het beleid niet volgt dat er sprake is van een absoluut verbod op de vestiging van horeca buiten het zogenaamde ‘Achtje’.

6.3.1. In het ‘strategisch kader’ is, zo stelt de rechtbank vast, onder meer vermeld dat het voor een goede winkelvoorziening noodzakelijk is dat bezoekers een zogeheten ‘Achtje’ kunnen lopen. In Emmen is de mode-sector oververtegenwoordigd en de food-sector ondervertegenwoordigd. Daarnaast kent Emmen een relatieve ondervertegenwoordiging van een aantal centrumfuncties: horeca, cultuur en ambacht. Het marktplein leent zich bij uitstek voor een uitbreiding van horeca en cultuur. Voor de toekomstige inrichting van het marktplein moet gestreefd worden naar meer intimiteit. Dat kan door een duidelijke zonering en door de randen van het plein te verdichten door middel van groen en functies. Essentieel voor het welslagen van het plein als steppingstone tussen Noord en Zuid is de invulling van de villa’s en de ruimte eromheen aan de oostwand met een aantrekkelijke programmering (horeca, cultuur, terrassen).

6.3.2. De rechtbank stelt verder vast dat uit het ‘strategisch kader’ concreet beleid valt af te leiden voor het gebied van het zogenaamde ‘Achtje’, waarbij het streven erop gericht is om de horeca in het centrum van Emmen te vestigen. Verder stelt de rechtbank vast dat de Westerstraat niet tot het gebied van het ‘Achtje’ behoort, zoals weergeven in het ‘strategisch kader’.

6.3.3. Anders dan door de gemachtigde van verweerder ter zitting is aangegeven, brengt dit naar het oordeel van de rechtbank met zich dat het ‘strategisch kader’ geen specifiek bindend en beperkend beleid bevat ten aanzien van het gebied waar de verleende en door verzoeksters bestreden omgevingsvergunning op ziet, te weten de [adres] te Emmen. In het kader van de vraag of verweerder gebruik kan maken van de hem toekomende bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, in verbinding gelezen met artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor voor de vestiging van het hier aan de orde zijnde wereldrestaurant, speelt voornoemd beleid dan ook geen rol, in die zin dat de bevoegdheid tot afwijking wordt beperkt door dit beleid dat ziet op een ander gebied en een ander bestemmingsplan. Gelet op de voorgaande overwegingen mist de uitspraak van 23 april 2014 van de ABRvS, waarnaar verzoeksters hebben verwezen, naar het oordeel van de rechtbank toepassing in dit geval. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

7.1. Verzoeksters betogen verder dat zij zich in hun belangen door verweerder geschaad achten, aangezien zij reeds lang met de gemeente Emmen in overleg zijn met betrekking tot de realisatie van een eigen wereldrestaurant in een daartoe planologisch bezien wel geschikt bevonden gebied, te weten het winkelgebied “De Weiert”, aan het nieuw te creëren Centrumplein. In dit verband wijzen verzoeksters erop dat uitdrukkelijk de toezegging is gedaan door verweerder, bij monde van de verantwoordelijk wethouder, dat geen medewerking zou worden verleend aan een gelijksoortige horeca-activiteit elders, zoals op de locatie aan de [adres] . Nu deze toezegging niet gestand is gedaan, moet het bestreden besluit naar de mening van verzoeksters in strijd worden geacht met het vertrouwensbeginsel dat vordert dat opgewekte verwachtingen dienen te worden gehonoreerd. Op basis van deze toezegging zijn verzoeksters voortgegaan met het plegen van omvangrijke investeringen ten behoeve van het verkrijgen van de benodigde omgevingsvergunning voor hun wereldrestaurant op de hier voren aangegeven locatie.

7.2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat door verzoeksters geen bewijsstukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat er een concrete toezegging door een bevoegd persoon is gedaan. Dit maakt naar de mening van verweerder dat door verzoeksters op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat zij zich op een door of namens verweerder gedane toezegging kunnen beroepen.

7.3. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2014:566 en ECLI:NL:RVS:2015:1, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat het bestuursorgaan concrete, ondubbelzinnige toezeggingen heeft gedaan waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend, of dat dergelijke toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon waarbij deze toezeggingen aan het bestuursorgaan zijn toe te rekenen.

7.4.1. Gelet op het verhandelde ter zitting van 22 mei 2015 heeft de voorzieningenrechter aanleiding gezien om de gemachtigde van verzoeksters in de gelegenheid te stellen om [getuigen] als getuigen te horen tijdens het onderzoek ter zitting van 25 september 2015.

7.4.2. Op vragen van de gemachtigde van verzoeksters heeft [getuige] onder meer het navolgende geantwoord:

“Op 9 juli 2014 heb ik met de heren Voskamp en Both gesproken over hun plannen voor de vestiging van een wereldrestaurant in het centrum van Emmen. Tijdens dat gesprek heb ik de beide heren geen toezegging gedaan voor wat betreft het weigeren van medewerking aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de Westerstraat 212. De twee wereldrestaurants en de twee locaties zijn in dit gesprek aan de orde geweest. Naar mijn idee was de locatie aan het Marktplein meer geschikt voor de vestiging van een wereldrestaurant dan die aan de Westerstraat 212 te Emmen. Verder heb ik in dit gesprek aangegeven dat er in Emmen plaats is voor twee wereldrestaurants, maar dat de ene locatie in mijn persoonlijke opvatting meer geschikt is dan de ander. Van een deal met de heer Van Dijk was absoluut geen sprake. De omgevingsvergunning is verleend op basis van het plan.”

7.4.3. Op vragen van de gemachtigde van verzoeksters heeft [getuige] onder meer het navolgende geantwoord:

“In het gesprek van 9 juli 2014 heeft de wethouder ons gezegd dat geen medewerking zou worden verleend aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de Westerstraat 212 te Emmen. Dit plan was in strijd met het bestemmingsplan en er zou een afwijkingsprocedure gevolgd moeten worden. Die kennis hadden wij al voorafgaand aan het gesprek van 9 juli 2014. Dit is wel aan de orde geweest tijdens het gesprek van 9 juli 2014. Verder is in dat gesprek onze aanvraag besproken, maar is door de wethouder niet toegezegd dat een omgevingsvergunning aan ons zou worden verleend. Naar mijn idee heeft de wethouder in dat gesprek niet gesproken over de mogelijkheid van twee wereldrestaurants in Emmen. De heer Voskamp heeft na ons gesprek met de wethouder contact gehad met de heer Van Dijk. Uit de terugkoppeling van dit gesprek door de heer Voskamp heb ik begrepen dat de heer Van Dijk geen toestemming had gekregen van de gemeente Emmen om een wereldrestaurant te vestigen aan de Westerstraat 212.”

Op vragen van de rechter heeft [getuige] onder meer het navolgende geantwoord:

“In het gesprek van 9 juli 2014 heeft de wethouder te kennen gegeven dat hij ervoor zou gaan liggen. Er zou geen medewerking worden verleend door het college van B&W aan het plan voor een wereldrestaurant aan de Westerstraat 212 te Emmen.”

7.4.4. Op vragen van de gemachtigde van verzoeksters heeft [getuige] onder meer het navolgende geantwoord:

“Ik had geruchten gehoord dat er plannen zouden zijn voor de vestiging van een tweede wereldrestaurant in Emmen. Om die reden hebben wij in het gesprek van 9 juli 2014 ten overstaan van de wethouder onze plannen gepresenteerd en toegelicht. Verder hebben wij in dit gesprek opheldering gevraagd voor wat betreft de mogelijke vestiging van een tweede wereldrestaurant. In mijn opvatting was de wethouder daar stellig over. Hij kon zich niet voorstellen dat het college van B&W daaraan zou meewerken, maar het gesprek van 9 juli 2014 was off the record. Ik ken de heer Van Dijk uit mijn vorige functie. De heer Van Dijk heeft vroegtijdig aangegeven dat hij een pand van Synvest wilde kopen. Ik heb hem gemeld dat wij een gesprek hadden gehad met de wethouder over de vestiging van een wereldrestaurant in Emmen. Daarop heeft de heer Van Dijk aangegeven dat hij ook bezig was met plannen voor de vestiging van een wereldrestaurant in Emmen, maar dat dit niet makkelijk verliep met de gemeente. De heer Van Dijk had moeilijkheden met de gemeente Emmen voor wat betreft zijn pand.”

Op vragen van de rechter heeft de [getuige] onder meer het navolgende geantwoord:

“In het gesprek van 9 juli 2014 heeft de wethouder ons aangegeven dat hij zich niet kon indenken dat het college van B&W medewerking zou verlenen aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de Westerstraat 212 te Emmen, maar dit betreft mijn interpretatie van het gesprek. De heer Van Dijk heeft mij te kennen gegeven niet blij te zijn met ons initiatief voor de vestiging van een wereldrestaurant in Emmen. Ik heb hem niet verteld wat de uitkomst van het gesprek met de wethouder was. Na het gesprek met de heer Van Dijk heb ik contact opgenomen met de heer Both en hem medegedeeld dat de heer Van Dijk moeilijkheden had met de gemeente Emmen voor wat betreft de vestiging van zijn wereldrestaurant.”

7.5. Uit de verklaring van de [getuige] maakt de voorzieningenrechter op dat hij zich op het standpunt stelt dat er in dit geval geen toezegging is gedaan dat verweerder geen medewerking zou verlenen aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de [adres] te Emmen. Uit de verklaring van [getuige] valt af te leiden dat hij uit het gesprek met [getuige] op 9 juli 2014 stellig de indruk heeft gekregen dat daarin de toezegging is gedaan dat verweerder geen medewerking zou verlenen aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de [adres] te Emmen. De door [getuige] naar voren gebrachte stellige indruk dat er een toezegging in vorenbedoelde zin zou zijn gedaan door de wethouder in het gesprek van 9 juli 2014 wordt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet bevestigd door de (veel minder stellige) verklaring van [getuige] . In dit verband wijst de voorzieningenrechter erop dat [getuige] in zijn verklaring onder meer heeft aangegeven dat de [getuige] in het gesprek van 9 juli 2014 meegedeeld heeft dat hij zich niet kon indenken dat verweerder medewerking zou verlenen aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de [adres] te Emmen, maar dat dit zijn interpretatie van het gesprek betrof. Daaruit valt echter niet af te leiden dat de [getuige] tijdens het gesprek van 9 juli 2014 daadwerkelijk toegezegd heeft dat verweerder onder alle omstandigheden geen medewerking zou verlenen aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de [adres] te Emmen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient uit het samenstel van de verklaringen afgeleid te worden dat verzoeksters er niet in geslaagd zijn aannemelijk te maken dat de [getuige] in het gesprek van 9 juli 2014 een ongeclausuleerde, onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan dat verweerder geen medewerking zou verlenen aan de vestiging van een wereldrestaurant aan de [adres] te Emmen. Gelet hierop behoeft de vraag of de uitlatingen van de [getuige] tijdens het gesprek van 9 juli 2014 verweerder in dit concrete geval binden thans geen bespreking meer. Deze grond van verzoeksters slaagt niet.

8. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van verzoeksters ongegrond. Onder die omstandigheden bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van het verzoek om voorlopige voorziening:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

ten aanzien van het beroep:

- verklaart het beroep gegrond.

Deze uitspaak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.

De griffier De rechter

Rechtsmiddel

Uitsluitend tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: