Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4879

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
18.720192-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier winkeldiefstallen. Hij heeft verder, nadat hij werd aangehouden voor winkeldiefstal, een politieman met de dood bedreigd. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij reeds veelvuldig voor vermogensdelicten is veroordeeld. De rechtbank legt een gevangenisstraf van vijf maanden op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, 285, 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720192-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 september 2015.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. P.R. Logemann, advocaat te Harlingen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. M.S. Kappeyne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 juni 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand (gelegen aan of bij [locatie 1] ) heeft weggenomen een aantal shirts (van het merk Nike), een trainingsbroek (van het merk Adidas) en/of een sweater (van het merk Nike), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf 1]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

dat hij op of omstreeks 17 juni 2015 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een aantal shirts (van het merk Nike), een trainingsbroek (van het merk Adidas) en/of een sweater (van het merk Nike), geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, met medeneming van een (met aluminiumfolie geprepareerde) tas het winkelpand van dat [winkelbedrijf 1] is binnengegaan en/of (vervolgens) in dat winkelpand een aantal shirts (van het merk Nike), een trainingsbroek (van het merk Adidas) en/of een sweater (van het merk Nike) in die tas heeft gedaan/gestopt, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet voltooid, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op of omstreeks 17 juni 2015 te [pleegplaats] [slachtoffer] , hoofdagent van de politie Eenheid Noord-Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] (gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening) meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden toegevoegd: "Ik onthoud jouw gezicht. Wanneer ik jou tegen kom, maak ik jou dood. Ik steek je dood man. Dat is geen bedreiging, maar dit is een belofte. Ik maak je dood. Ik schiet jou dood", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

3.

hij op of omstreeks 3 maart 2015 te [pleegplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand (gelegen aan of bij [locatie 2] ) heeft weggenomen een hoeveelheid dagcréme en/of een hoeveelheid nachtcréme (beiden van het merk Nivea), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf 2] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

4.

hij op of omstreeks 24 maart 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand (gelegen aan of bij [locatie 1] ) heeft weggenomen een flacon Dove men 4care en/of twee flacons Dove douchegel en/of 6 flacons Dove bodylotion, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

dat hij op of omstreeks 24 maart 2015 te [pleegplaats] , althans in Nederland, een flacon Dove men 4care en/of twee flacons Dove douchegel en/of 6 flacons Dove bodylotion heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die voornoemde goederen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 maart 2015 te [pleegplaats] opzettelijk een flacon Dove men 4care en/of twee flacons Dove douchegel en/of 6 flacons Dove bodylotion, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte als gevonden voorwerpen en aldus anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

hij op of omstreeks 18 april 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkelpand (gelegen aan of bij [locatie 3] ) heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkelbedrijf 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het onder 1. primair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het onder 1. subsidiair, 2., 3., 4. primair en 5. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf van vijf maanden met aftrek van het voorarrest;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 315,00 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Beoordeling van het bewijs

Feit 1

De raadsman heeft vrijspraak van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde bepleit, nu er sprake zou zijn van vrijwillige terugtred.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 17 juni 2015 met een rugzak de winkel van [winkelbedrijf 1] in Leeuwarden is binnengegaan. Verbalisanten spraken hem kort daarna in deze winkel aan. Verdachtes rugzak werd achter een kledingrek aangetroffen. In de rugzak, die bleek te zijn geprepareerd met aluminiumfolie, bevonden zich diverse kledingstukken van [winkelbedrijf 1] . Naar het oordeel van de rechtbank staat, gelet op deze gang van zaken, buiten gerede twijfel vast dat het verdachte is geweest die de betreffende kledingstukken in de rugtas heeft gedaan. Goederen die in een geprepareerde tas worden verborgen, raken daardoor buiten de beschikkingsmacht van de rechthebbende. Reeds op dat moment is er sprake is van een voltooide diefstal. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit derhalve bewezen. Aan bespreking van het verweer van de raadsman komt zij niet toe, nu vrijwillige terugtred bij een voltooid delict niet aan de orde kan zijn.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2015173801, gesloten op

18 juni 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015172570-4, d.d. 17 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Ik zag op 17 juni 2015 op [locatie 1] te [pleegplaats] dat een man, die een zwartblauwe rugtas droeg, [winkelbedrijf 4] binnenging. Ik zag deze persoon, naar later bleek: [verdachte] , op de eerste verdieping, waar [winkelbedrijf 1] is gevestigd, achter een kledingrek. Ik trof een zwartblauwe rugzak aan achter een kledingrek. Ik zag dat de binnenzijde voorzien was van een zak uit tape en aluminiumfolie. Ik zag dat zich in de tas sportkleding bevond.

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015172570-1, d.d. 17 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verklarende 1] :

De goederen in de geprepareerde tas van de manspersoon zijn eigendom van [winkelbedrijf 1] .

Het betreft drie Nike shirts, een Adidas trainingsbroek en een Nike sweater.

2. Een uittreksel uit de op naam van verdachte opgemaakte justitiële documentatie, voor zover inhoudende dat verdachte op 25 april 2014 ter zake diefstallen bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis veroordeeld is tot een gevangenisstraf.

Feit 2

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0100-2015172697-1,

d.d. 17 juni 2015, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0100-2015172570-9,

d.d. 17 juni 2015, inhoudende de verklaring van verdachte.

Feit 3

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2015173801, gesloten op

18 juni 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015062249-1, d.d. 4 maart 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 1] :

Op 3 maart 2015 was ik werkzaam bij [winkelbedrijf 2] , [locatie 2] te [pleegplaats] . Ik zag een man de winkel inlopen. Ik zag dat hij Nivea dagcrème en nachtcrème uit de schappen pakte. Ik zag dat hij de producten in zijn rugtas deed. Ik zag dat hij naar buiten liep. De beveiligingspoortjes gingen niet af, terwijl de weggenomen producten wel beveiligd zijn tegen diefstal.

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015062249-7, d.d. 8 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant:

Op de dvd met bewakingsbeelden van [winkelbedrijf 2] [locatie 2] te [pleegplaats] is het volgende waarneembaar. [verdachte] loopt op 3 maart 2015 de winkel binnen. Uit een schap pakt [verdachte] verschillende producten. Vanaf zijn linkerschouder pakt hij de rugzak. Hij draait zich om en komt weer in beeld. Hij draagt dan de producten niet meer in zijn hand. [verdachte] verlaat de winkel en draagt de tas over zijn schouder.

2. Een uittreksel uit de op naam van verdachte opgemaakte justitiële documentatie, voor zover inhoudende dat verdachte op 25 april 2014 ter zake diefstallen bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis veroordeeld is tot een gevangenisstraf.

Feit 4

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal van dit feit dient te worden vrijgesproken, nu geen van de ten laste gelegde varianten zou kunnen worden bewezen. De verklaring van verdachte, te weten dat hij de rugzak met goederen vlak voor zijn aanhouding had gevonden, zou als een plausibele alternatieve lezing moeten worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit de navermelde bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 24 maart 2015 omstreeks 15.56 uur de winkel van het [winkelbedrijf 2] aan [locatie 1] te [pleegplaats] betrad en dat hij de winkel om 15.59 uur weer verliet. Door verbalisanten is op camerabeelden waargenomen dat verdachte op dat moment de rugzak bij zich droeg.

Om 16.11 uur werd verdachte, de rugzak nog altijd met zich voerend, door verbalisanten staande gehouden. In de tas bleken zich goederen te bevinden die bij [winkelbedrijf 2] uit de voorraad ontbraken. De verklaring van verdachte dat hij de tas juist op dat moment had gevonden, schuift de rechtbank gelet op het hiervoor overwogene als ongeloofwaardig terzijde.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2015173801, gesloten op

18 juni 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015084623-5, d.d. 27 maart 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten:

Op 24 maart 2015 omstreeks 16.11 uur hebben wij [verdachte] aangehouden ter zake een openstaande executiezaak. Wij zagen dat [verdachte] een overwegend zwarte rugzak droeg. Bij de insluitingsfouillering van verdachte zagen wij dat de rugzak geprepareerd bleek te zijn. Wij zagen dat er verschillende goederen van het merk Dove in de rugzak aanwezig waren.

Wij zijn naar de [winkelbedrijf 2] gevestigd op [locatie 1] gegaan. De assistent-filiaalmanager heeft de voorraad gecontroleerd. Hieruit ontbraken winkelgoederen welke overeen kwamen met de inbeslaggenomen goederen. Wij zagen dat de assistent-filiaalmanager de plaatsen aanwees waar de winkelgoederen stonden. Wij zagen dat op de aangegeven plaatsen de aangetroffen goederen misten.

Wij hebben meegekeken met opgeslagen beeldmateriaal. Wij zagen dat [verdachte] op 24 maart 2015 omstreeks 15.56 uur de winkel in kwam lopen. Wij zagen dat de verdachte met de rugzak op zijn rug de winkel betrad. In het gedeelte waar zich de gestolen goederen bevonden, is geen camera aanwezig. Wij zagen dat [verdachte] de winkel omstreeks 15.59 uur verliet met de rugzak.

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015084623-1, d.d. 26 maart 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [verklarende 2] :

Ik ben assistent-filiaalmanager van de [winkelbedrijf 2] , gevestigd op [locatie 1] te [pleegplaats] .

Ik heb de voorraad gecontroleerd van de goederen die u mij toonde. Er ontbraken:

- 1 x Dove geschenkverpakking Men4Care;

- 2 x Dove douchegel;

- 6 x Dove bodylotion.

2. Een uittreksel uit de op naam van verdachte opgemaakte justitiële documentatie, voor zover inhoudende dat verdachte op 25 april 2014 ter zake diefstallen bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis veroordeeld is tot een gevangenisstraf.

Feit 5

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2015173801, gesloten op

18 juni 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015111343-1, d.d. 19 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [getuige 2] :

Ik was op 18 april 2015 omstreeks 12:05 uur in [winkelbedrijf 3] aan [locatie 3] te [pleegplaats] . Ik zag een man die een winkelmandje vasthield en een rugzak. Ik zag dat de rits open was. Ik zag dat die man vleesproducten in zijn rugzak stopte. Vervolgens sprintte hij richting de ingangspoortjes. Toen hij langs mij sprintte, zag ik een vleesproduct van ons in zijn tas. Ik zag dat dit een rib-eye Excellent betrof. Vervolgens sprintte hij via de ingangspoortjes de supermarkt uit.

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2015111343-7, d.d. 18 juni 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Verbalisant: Bent u op 18 april 2015 omstreeks 12:05 uur in [winkelbedrijf 3] op [locatie 3] te [pleegplaats] geweest? Op de beelden is te zien dat u de winkel in bent gelopen. Herkent u zichzelf op deze foto's?

Verdachte: Dat ben ik.

2. Een uittreksel uit de op naam van verdachte opgemaakte justitiële documentatie, voor zover inhoudende dat verdachte op 25 april 2014 ter zake diefstallen bij inmiddels onherroepelijk geworden vonnis veroordeeld is tot een gevangenisstraf.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen hierna bewezen is verklaard. Op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het hierna bewezen verklaarde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair, 2., 3. 4. primair en 5. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair:

hij op 17 juni 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelpand, gelegen aan [locatie 1] , heeft weggenomen een aantal shirts van het merk Nike, een trainingsbroek van het merk Adidas en een sweater van het merk Nike, toebehorende aan [winkelbedrijf 1] , terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2.

hij op 17 juni 2015 te [pleegplaats] [slachtoffer] , hoofdagent van de politie Eenheid Noord-Nederland, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] , gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, dreigend de woorden toegevoegd: "Ik onthoud jouw gezicht. Wanneer ik jou tegenkom, maak ik jou dood. Ik steek je dood man. Dat is geen bedreiging, maar dit is een belofte. Ik maak je dood. Ik schiet jou dood";

3.

hij op 3 maart 2015 te [pleegplaats] , met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand, gelegen aan [locatie 2] , heeft weggenomen een hoeveelheid dagcrème en een hoeveelheid nachtcrème, beiden van het merk Nivea, toebehorende aan [winkelbedrijf 2] , terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

4. primair:

hij op 24 maart 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand, gelegen aan [locatie 1] , heeft weggenomen Dove Men4Care, twee flacons Dove douchegel en 6 flacons Dove bodylotion, toebehorende aan [winkelbedrijf 2] , terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

5.

hij op 18 april 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand, gelegen aan [locatie 3] , heeft weggenomen een hoeveelheid vlees, toebehorende aan [winkelbedrijf 3] , terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair: diefstal, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3. diefstal, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

4. primair: diefstal, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

5. diefstal, terwijl nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, nl. een lokaalvredebreuk, dat op de dagvaarding is vermeld en hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vier winkeldiefstallen binnen een periode van enkele maanden. Winkeldiefstallen zijn ergerlijke feiten die schade en overlast veroorzaken voor de betrokken ondernemers. Verdachte heeft verder, nadat hij werd aangehouden voor winkeldiefstal een politieman met de dood bedreigd. Bedreiging is een misdrijf dat gevoelens van angst en onveiligheid doet ontstaan. De rechtbank rekent verdachte deze feiten en hun gevolgen aan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij een groot aantal keren eerder is veroordeeld wegens vermogensdelicten. Kennelijk hebben eerdere veroordelingen verdachte er niet van weerhouden opnieuw dit soort strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft bij de politie geen enkel inzicht getoond in het kwalijke van zijn handelen. Verder heeft hij te kennen gegeven geen bemoeienis te willen van de reclassering. De rechtbank acht dit alles zorgelijk.

De rechtbank neemt de LOVS-oriëntatiepunten bij frequente recidive als uitgangspunt bij het bepalen van de strafmaat. Alles afwegend acht zij, conform de eis van de officier van justitie, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden, passend.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 43a, 57, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1. primair, 2., 3. 4. primair en 5. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 315,00 (zegge: driehonderdvijftien euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juni 2015.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 315,00 (zegge: driehonderdvijftien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

17 juni 2015.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Y.B. Jansen, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en

mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. J.C. Huizenga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 oktober 2015.

w.g.

Jansen

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Wiersma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Wit

locatie Leeuwarden,

Huizenga