Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4877

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
18.830106-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden, waaronder een verplichte klinische behandeling van maximaal 12 maanden, en een taakstraf voor het medeplegen van een inbraak, het plegen van een poging tot inbraak, en het voorbereiden van een inbraak of overval door een tas aan een medeverdachte te verschaffen met goederen die daartoe bestemd zijn.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/830106-15 en 18/670056-12 (vordering tenuitvoerlegging)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans verblijvende in [verblijfadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

24 september 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Lubbers, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 30 maart 2015 te [pleegplaats 1]

tezamen en in vereniging met een of meer anderen

ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving

een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten

de in artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven

diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, te plegen

onder een van de omstandigheden vermeld in artikel 312, tweede lid, onder 1°

en/of onder 2° van het Wetboek van Strafrecht en/of de in artikel 317, eerste

lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven afpersing, en/of

de in artikel 311, eerste lid, onder 3° van het Wetboek van Strafrecht

omschreven diefstal, te plegen onder een van de omstandigheden vermeld in

artikel 311, eerste lid, onder 4° en/of onder 5° van het Wetboek van

Strafrecht

opzettelijk een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

een masker, een bivakmuts, handschoenen, een knuppel, tape, een breekijzer,

een schroevendraaier, en/of een schaar,

bestemd tot het begaan van dat misdrijf,

heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad;

2.

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 23 januari 2015,

in de gemeente [pleegplaats 1]

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een (bedrijfs)pand

aan [straat 1] heeft weggenomen een kluis, inhoudende een geldbedrag (ongeveer

500 euro), een of meer autosleutels en/of een of meer kentekenbewijzen, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]

), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,

inklimming en/of een valse sleutel;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 2 november 2014,

te [pleegplaats 2] , in de gemeente Stadskanaal,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit woning [adres]

(te [pleegplaats 2] ) weg te nemen geld en/of enig goed van zijn/hun gading, ,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te

nemen geld en/of goed(eren), onder zijn/hun bereik te brengen door middel van

braak, verbreking en/of inklimming,

met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar die woning is

gegaan en/of op het plat dak is geklommen en/of een ruit heeft vernield en/of

(vervolgens) die woning is binnengegaan en/of heeft doorzocht op geld en/of

enig goed van zijn /hun gading,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2014 tot en met 1 november 2014

te [pleegplaats 2] , in de gemeente Stadskanaal,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een perceel/loods

( [naam 1] ) aan [straat 2] te [pleegplaats 2] heeft weggenomen een of meer meubels,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte een tas met spullen, waarvan algemeen bekend is dat het spullen zijn die worden gebruikt bij overvallen, heeft meegenomen in de wetenschap dat [medeverdachte] daarmee samen met een ander "een klusje" wilde gaan doen en dat klusje zou geld moeten opleveren. Verdachte wist bovendien dat [medeverdachte] vaak een wapen bij zich draagt. Verdachte was weliswaar niet zelf voornemens een overval te plegen, maar [medeverdachte] wel. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat medeplegen niet kan worden bewezen. Van het onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 4 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat de rol van verdachte enkel erin bestond dat hij een tas met spullen voor [medeverdachte] bij elkaar heeft gezocht. Hij heeft [medeverdachte] en zijn vriendin vervolgens op het station afgezet. Verdachte had zelf geen misdadig doel met die spullen en was er ook niet van op de hoogte wat [medeverdachte] daar precies mee van plan was. Er was geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Er is geen link tussen verdachte en het mogelijk beoogde misdrijf en voorbereiding van het voorbereiden is niet strafbaar.

Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

FEIT 4

Vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat verdachte bij deze inbraak betrokken was. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het onder 4 ten laste gelegde.

FEIT 1

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 1 ten laste gelegde acht geslagen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

De door verdachte op de terechtzitting van 24 september 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Die blauwe tas met het breekijzer in de Volkswagen Bora was van mij. De spullen die u mij voorhoudt, zaten daar inderdaad in. [medeverdachte] had mij gevraagd die spullen voor hem mee te nemen voor een klusje dat hij ging doen. Hij zou samen met ene [naam 2] een klusje gaan doen dat geld op zou leveren. Ik wist wel dat het niet pluis was met die tas en die spullen. Ik weet dat [medeverdachte] vaak een wapen op zak heeft.

Een kennisgeving van inbeslagneming d.d. 10 juni 2015, opgenomen op p. 41 e.v. van dossier nummer 2015027448 d.d. 10 juni 2015 van Politie Noord-Nederland, inhoudende:

Datum en tijd: 30 maart 2015 om 18:26 uur. [verdachte] werd in zijn auto aangehouden. Op de achterbank lag een blauwe sporttas met de volgende goederen: een masker, een bivakmuts, een breekijzer, een schroevendraaier, een snoeischaar, 3 paar handschoenen, 1 meter zwart draad, 1 rol grijs plakband.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 augustus 2015, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudende:

Het onderzoek aan de Volkswagen Bora heeft plaatsgevonden op maandag 30 maart 2015, kort na de aanhouding van verdachten. In de kofferbak van de auto zag ik een tas liggen. In de tas zag ik een masker, een bivakmuts, handschoenen, knuppel, tape, zonnebrillen en gereedschappen. Ook lag er een rijbewijs in de tas ten name van [verdachte] .

Bewijsoverweging

De rechtbank overweegt dat op grond van bovenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld. Verdachte heeft op verzoek van zijn [medeverdachte] een tas met spullen bij elkaar gezocht. Dit betreft spullen die bestemd zijn tot het begaan van diefstal, met braak en/of geweld of bedreiging met geweld. Verdachte wist dat zijn mededader de spullen nodig had voor 'een klusje' dat geld op zou leveren en hij wist, gelet op zijn verklaring, dat het niet pluis was. Hij kende daarbij ook de reputatie van [medeverdachte] en wist dat deze vaak een wapen bij zich heeft. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank ook bij verdachte het misdadig doel aanwezig geweest dat [medeverdachte] met het gebruik van de door verdachte geleverde goederen voor ogen had. Dat verdachte niet zelf als medepleger aan het met behulp van de door hem geleverde goederen zou deelnemen doet niet ter zake. Doordat verdachte de tas voor [medeverdachte] heeft meegenomen in de auto waarin hij [medeverdachte] en een ander vervoerde, had hij deze samen met anderen opzettelijk voorhanden.

FEIT 2

De rechtbank past met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd, waarbij hij voor zover het betreft het weggenomen geldbedrag nog heeft opgemerkt dat het € 500,-- betrof in plaats van € 5.000,--;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 januari 2015, opgenomen op p. 27 e.v. van dossier nummer 2015027448 d.d. 10 juni 2015, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

FEIT 3

De rechtbank past met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 november 2014, opgenomen op p. 102 e.v. van dossier nummer 2015027448 d.d. 10 juni 2015, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] .

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij 30 maart 2015 te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten de in artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, te plegen

onder een van de omstandigheden vermeld in artikel 312, tweede lid, onder 1° en/of onder 2° van het Wetboek van Strafrecht en/of de in artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven afpersing, en/of de in artikel 311, eerste lid, onder 3° van het Wetboek van Strafrecht omschreven diefstal, te plegen onder een van de omstandigheden vermeld in artikel 311, eerste lid, onder 4° en/of onder 5° van het Wetboek van Strafrecht,

opzettelijk een masker, een bivakmuts, handschoenen, een knuppel, tape, een breekijzer, een schroevendraaier en een schaar, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2.

hij in de periode van 22 tot en met 23 januari 2015, in de gemeente Stadskanaal, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand aan de [straat 1] heeft weggenomen een kluis, inhoudende een geldbedrag (ongeveer 500 euro), autosleutels en kentekenbewijzen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , waarbij zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en een valse sleutel;

3.

hij in de periode van 1 tot en met 2 november 2014, te [pleegplaats 2] , in de gemeente Stadskanaal, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan [adres] (te [pleegplaats 2] ) weg te nemen geld en/of enig goed van zijn gading, toebehorende aan

[slachtoffer 3] , en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak en inklimming, naar die woning is gegaan en op het plat dak is geklommen en een ruit heeft vernield en vervolgens die woning is binnengegaan en heeft doorzocht op geld en/of enig goed van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van voorbereiding van

de in artikel 312, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, te plegen onder een van de omstandigheden vermeld in artikel 312, tweede lid, onder 1° en/of onder 2° van het Wetboek van Strafrecht en/of de in artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht omschreven afpersing, en/of de in artikel 311, eerste lid, onder 3° van het Wetboek van Strafrecht omschreven diefstal, te plegen onder een van de omstandigheden vermeld in artikel 311, eerste lid, onder 4° en/of onder 5° van het Wetboek van Strafrecht;

2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en een valse sleutel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3. poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 278 dagen, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals voorgesteld door de reclassering, waaronder eventueel een klinische opname voor de duur van maximaal 12 maanden. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis gevorderd. De officier van justitie heeft er bij zijn eis rekening mee gehouden dat [medeverdachte] een sterke invloed op verdachte heeft gehad bij het plegen van de feiten. De officier van justitie heeft ook het ad-informandum gevoegde feit in zijn strafeis betrokken.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf die voor wat betreft het onvoorwaardelijk gedeelte de duur van het reeds door verdachte ondergane voorarrest niet overstijgt. Daar kan een voorwaardelijk gedeelte bij worden opgelegd, waaraan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering kunnen worden verbonden, en eventueel daarnaast nog een taakstraf. De raadsvrouw heeft daarbij aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte zich makkelijk laat manipuleren, zoals ook nu is gebeurd door [medeverdachte] . Verdachte heeft weliswaar eerder soortgelijke feiten gepleegd, maar is nu op een keerpunt in zijn leven beland. Hij is gemotiveerd voor behandeling, werkt goed mee aan het reclasseringstoezicht, werkt aan zijn relatie en is bezig een taakstraf uit te voeren. Het is belangrijk dat verdachte de goede ontwikkeling die nu is ingezet door kan blijven zetten en dat deze niet wordt doorbroken doordat hij opnieuw de gevangenis in zou moeten. Het ad-informandum gevoegde feit kan bij de strafoplegging worden meegenomen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en dat door verdachte is erkend.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen een overval voorbereid door een tas met goederen te leveren die bestemd zijn tot gebruik bij een overval, zoals een breekijzer, knuppel, tape en een masker. Verdachte heeft daarmee het plegen van een ernstig feit door anderen mede mogelijk gemaakt. Daarnaast heeft verdachte samen met een ander een inbraak gepleegd en heeft hij in zijn eentje nog een poging tot woninginbraak ondernomen. Dit betreft ernstige en schade toebrengende feiten, waarmee verdachte geen respect heeft getoond voor andermans eigendommen. Tot slot heeft verdachte een valse aangifte gedaan.

Voor dergelijke feiten acht de rechtbank in beginsel een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Dat geldt temeer nu verdachte al vaker is veroordeeld voor soortgelijke (vermogens)delicten. De rechtbank neemt echter in aanmerking dat verdachte, sinds hij zich in een schorsing van de voorlopige hechtenis bevindt, zijn leven een andere wending lijkt te willen geven. Hij werkt goed mee aan de klinische behandeling die is gestart en wil ook meewerken aan alles wat daaruit voortvloeit aan vervolgtrajecten. Dit is ook bevestigd door de reclassering, die adviseert om geen straf op te leggen die het huidige traject zou doorkruisen. De kans op recidive zonder behandeling en begeleiding wordt ingeschat als hoog. De rechtbank is daarom van oordeel dat een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm moet worden opgelegd en daaraan de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals voorgesteld door de reclassering. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten, een taakstraf passend van na te noemen duur.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 7 oktober 2013, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is de verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen, waarvan 352 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op

22 oktober 2013.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 2 september 2015 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf gevorderd, voor de duur van 4 maanden, onder omzetting in een taakstraf. De raadsvrouw heeft primair verzocht om de proeftijd te verlengen met één jaar, en subsidiair heeft zij zich aangesloten bij het voorstel van de officier van justitie om een gedeelte ten uitvoer te leggen en dit om te zetten in een taakstraf.

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 7 oktober 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Gelet echter op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, waarbij de rechtbank verwijst naar de motivering van de straf, acht de rechtbank termen aanwezig een taakstraf te gelasten in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te geven. De rechtbank zal de vordering daarom voor een gedeelte dat gelijk staat aan de maximale taakstraf van 240 uren toewijzen en voor het overige afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 46, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 278 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat veroordeelde zich meldt bij VNN reclassering, [locatie] , vanaf de start van de proeftijd, zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 dat veroordeelde zal (blijven) meewerken aan een klinische behandeling binnen het IMC alwaar veroordeelde nu reeds is opgenomen of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem door deze instelling zullen worden gegeven, zulks voor een duur van maximaal 12 maanden.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Gelast het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren, in plaats van de last tot gedeeltelijke tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, oorspronkelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Groningen d.d. 7 oktober 2013.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, mr. F. de Jong en

mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 oktober 2015.

Mr. Klaassens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.