Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4875

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
18.920182-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren wegens poging diefstal en diefstal.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/920182-15

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/930092-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans preventief gedetineerd in [verblijfadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 september 2015. Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. Th. Martens, advocaat te Assen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 juli 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening vanaf een bouwlacatie aan/nabij [straat 1] heeft weggenomen

een hoeveelheid kabels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan de bedrijven [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4]

en/of [bedrijf 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 08 juli 2015 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening,

vanaf een bouwlocatie, weg te nemen een hoeveelheid kabels, geheel of ten dele

toebehorende aan de bedrijven [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4]

en/of [bedrijf 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, zich naar die bouwlocatie heeft begeven en/of kabels uit de

grond heeft getrokken, althans heeft verzameld en/of kabels in een tas/rugzak

heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 15 juli 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen een chocoladereep, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan het [winkelbedrijf] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 juli 2015 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te

nemen een chocoladereep, geheel of ten dele toebehorende aan het [winkelbedrijf]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zich naar een

schap / aanbiedingskrat van die winkel heeft begeven en/of een chocoladereep

uit de winkelvoorraad van [winkelbedrijf] heeft gepakt en/of een chocoladereep in/op

zijn tas heeft gelegd en/of met een chocoladereep richting de uitgang van het

winkelcentrum, althans niet richting de kassa van [winkelbedrijf] is gelopen, terwijl

de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte toestemming heeft gekregen van een werknemer om de kabels van de bouwlocatie mee te nemen. Verdachte dient derhalve daarvan te worden vrijgesproken.

Met betrekking van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman betoogd dat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken nu hij niet heeft gehandeld met het vereiste oogmerk.

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde volgt uit de stukken in het dossier dat verdachte bezig was om de kabels in zijn tas te stoppen op het moment dat hij door de politie werd aangetroffen. Nu de diefstal niet is voltooid, kan naar het oordeel van de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend worden bewezen en zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Feit 1 subsidiair

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 juli 2015, opgenomen op pagina 25 e.v. van dossier nr. PL0100-2015197534 d.d. 9 juli 2015, inhoudende de verklaring van [aangever 1] :

Ik ben namens de benadeelden [bedrijf 2] en [bedrijf 3] gerechtigd tot het doen van aangifte van diefstal. Ik ben werkzaam als uitvoerder bij het bedrijf [bedrijf 1] . Op dit moment zijn wij bezig met een bouwklus voor [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] op de kruising [straat 2] met [straat 1] in [pleegplaats] . [straat 1] ligt open en daar staan verschillende bouwmaterialen op de bouwplaats zoals kabels en buizen. Deze kabels en buizen worden allemaal uit de grond gehaald en zijn eigendom van bovenstaande bedrijven waar wij voor werken. Op woensdag 8 juli 2015, omstreeks 16.30 uur, hebben alle werknemers de bouwplaats verlaten. Normaal gesproken worden alle kabels en buizen in een container gestopt maar blijkbaar is er nu iets blijven liggen. Op donderdag 9 juli 2015 werd ik gebeld door de politie dat er gisteren iemand is aangehouden bij ons op de bouwplaats die daar kabels heeft weggenomen. U vraagt mij of er iemand toestemming heeft gegeven voor het wegnemen van deze kabels maar ik, en ook mijn werknemers, hebben niemand toestemming gegeven om kabels of andere goederen van de bouwplaats weg te nemen. Dit kan sowieso niet omdat alle kabels en buizen die wij vinden eigendom zijn van bovenstaande bedrijven. U laat mij de goederen zien die door de politie in beslag zijn genomen. Ik herken deze kabels niet gelijk maar het zou heel goed kunnen dat er drie van de vier kabels van onze bouwplaats weggenomen zijn. Dan bedoel ik de volgende kabels: de groen/gele kabel, de grijze 3 x 6 kabel en de grijze 15 x 4 x 0.8 kabel.

Een proces-verbaal d.d. 8 juli 2015, opgenomen op pagina 28 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de getuigenverklaring van [getuige 1] :

Op woensdag 8 juli 2015, omstreeks 17:10 uur, was ik thuis in mijn woning aan [adres] te [pleegplaats] , gemeente Assen. Vanuit mijn woning heb ik zicht op [straat 1] . Aan de overzijde van [straat 1] wordt aan de weg gewerkt. Omstreeks 17:10 uur zag ik dat er aan de overzijde van [straat 1] een man liep. Ik zag dat dit een blanke, onverzorgde man was. Ik zag dat deze man donkere kleding en een rugzak droeg. Ik zag dat deze man een stuk kabel van de bouwgrond pakte. Vervolgens zag ik dat deze man een stuk stroomkabel uit de bouwgrond trok. Ik zag dat de man kracht moest gebruiken om deze kabel uit de grond los te krijgen. Vervolgens zag ik dat de man, die daarvoor de kabels pakte en lostrok, zich ophield bij steeg tussen [straat 1] en [straat 3] . Ik zag dat de man probeerde de kabels te bundelen en handzamer te maken door deze op te rollen en er op te gaan staan. Ik zag dat de man de kabels vervolgens in zijn rugzak stopte. Vlak nadat ik de politie had gebeld om dit te melden, zag ik dat de politie ter plaatse kwam, de man aansprak en meenam.

Een proces-verbaal van aanhouding d.d. 8 juli 2015, opgenomen op pagina 15 e.v. van voormeld dossier d.d. 9 juli 2015, inhoudende de relatering van [verbalisant] :

Op woensdag 8 juli 2015 was ik als politie-biker in dienst te [pleegplaats] . Ik ontving de melding van de centralist van de meldkamer Noord-Nederland dat door de melder werd gezien dat er op het bouwterrein aan [straat 1] door een man kabels werden gestolen. De melder had gezien dat de man donkere kleding en een rugzak droeg. Op de doorgang tussen [straat 1] en [straat 3] trof ik vervolgens de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] donkere kleding droeg. Ik zag dat [verdachte] voorovergebogen over zijn rugzak hing. Ik zag dat [verdachte] bezig was om kabels in zijn tas te doen en met het bevestigen van kabels aan zijn tas. Hierop hield ik [verdachte] aan als verdachte van diefstal.

Ik zag dat er een zwart met gele kniptang uit de rechter zak van de trui van [verdachte] stak. Voorts trof ik in de rugzak van [verdachte] een viertal kabels.

Feit 2 primair

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 15 juli 2015, opgenomen op pagina 5 e.v. van dossier nr. PL0100-2015204946 d.d. 15 juli 2015, inhoudende de verklaring van [aangever 2]:

Ik ben namens de benadeelde [winkelbedrijf] te [pleegplaats] gerechtigd tot het doen van aangifte van diefstal. Op woensdag 15 juli 2015 is weggenomen een chocoladereep uit een aanbiedingskrat naast de toegangsdeur van de winkel. Deze kratten staan daar om mensen te attenderen op aanbiedingen, deze goederen moeten nog wel afgerekend worden.

Een proces-verbaal d.d. 15 juli 2015, opgenomen op pagina 8 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de getuigenverklaring van [getuige 2] :

Ik werk als beveiliger/winkelsurveillant in [locatie 1] te [pleegplaats] . [locatie 1] betreft een overdekt winkelcentrum in [pleegplaats] waar onder andere [winkelbedrijf] is gehuisvest. Op woensdag 15 juli 2015 omstreeks 13.03 uur zag ik een manspersoon in de richting van [winkelbedrijf] lopen. Ik was als beveiliger herkenbaar middels mijn beveiligersuniform met de daarop zichtbare beveiligers "V". Toen de man bij [winkelbedrijf] was zag ik dat hij, vanuit een schap/display, voor de winkel, iets pakte en dat in zijn tas liet glijden. Dit schap stond voor de ingang van [winkelbedrijf] en dus niet in de winkel. Daarna zag ik dat die man in de richting van de uitgang van [locatie 1] liep. Ik volgde de man verder en sprak hem toen aan. Ik zei tegen hem dat hij zich schuldig maakte aan diefstal als hij dat voorwerp niet ging afrekenen. Ik zag dat de man daarop zijn tas weggooide en wegliep [locatie 1] uit.

Een proces-verbaal d.d. 15 juli 2015, opgenomen op pagina 12 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van verdachte (V: verbalisant en A: verdachte)

Vandaag was ik rond 13:00 uur in het [locatie 1] te [pleegplaats] . Ik had enkel geld bij mij voor dat blikje bier wat ik had gekocht. Meer geld had ik niet bij mij.

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van de raadsman voldoende wordt weerlegd door bovenstaande bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. subsidiair

hij op 8 juli 2015 te [pleegplaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een bouwlocatie weg te nemen een hoeveelheid kabels, toebehorende aan de bedrijven [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] en/of [bedrijf 3] en/of [bedrijf 4]

en/of [bedrijf 5] zich naar die bouwlocatie heeft begeven en kabels uit de

grond heeft getrokken en kabels in een rugzak heeft gestopt, terwijl de uitvoering van dat misdrijf niet is voltooid;

2. primair

hij op 15 juli 2015 te [pleegplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een chocoladereep toebehorende aan het [winkelbedrijf] .

De verdachte zal van het onder 1 subsidiair en 2 primair meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair poging tot diefstal;

2. primair diefstal.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. Gelet op de justitiële documentatie van verdachte is aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de ISD-maatregel voldaan. Gelet op de laatste richtlijnen kan verdachte als stelselmatige dader worden aangemerkt omdat het afgelopen jaar 13 keer een proces-verbaal tegen hem is opgemaakt. Verdachte heeft verschillende hulpverleningstrajecten doorlopen maar er is nog steeds sprake van een hoog recidiverisico. Het lijkt er op dat verdachte bij NOVO beperkte vooruitgang heeft geboekt maar dit heeft echter niet geleid tot vermindering van het recidiverisico. Verdachte heeft na korte tijd nieuwe feiten gepleegd. Hij heeft alle hulpverlening afgewezen en het is niet duidelijk wanneer hij in FPA [locatie 2] terecht kan. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist. De maatschappij dient te worden beveiligd tegen het gedrag van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte een stevige voorwaardelijk straf op te leggen met als bijzondere voorwaarde opname in FPA [locatie 2] . De raadsman heeft aangevoerd dat oplegging van de ISD-maatregel geen nut heeft, ook al voldoet verdachte aan de voorwaarden. Verdachte gebruikt geen harddrugs meer, zijn alcoholgebruik is beperkt; hij rookt nog steeds wiet. Verdachte heeft begeleiding gevonden bij de NOVO. In FPA [locatie 2] wordt individuele hulp aangeboden. Verdachte is niet gebaat bij groepstherapie. Verdachte heeft aangegeven dat hij wel gemotiveerd is om naar [locatie 2] te gaan. Subsidiair heeft de raadsman de rechtbank verzocht om aan verdachte een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de over verdachte opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 8 juli 2015 schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal van kabels van een bouwlocatie in [pleegplaats] . Daarnaast heeft verdachte op 15 juli 2015 een chocoladereep bij [winkelbedrijf] weggenomen. Dergelijke feiten zorgen voor overlast bij de gedupeerde bedrijven.

Uit het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 augustus 2015 (dat 35 pagina's beslaat) blijkt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten. Daar komt bij dat verdachte zich ten tijde van de thans bewezen verklaarde feiten in een proeftijd bevond.

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

De rechtbank zal overeenkomstig de vordering van de officier van justitie aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. Het bewezen en strafbaar verklaarde betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan deze misdrijven ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf veroordeeld, de feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen, er moet voorts ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan en de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel eist.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het recente advies van de reclassering ongedateerd, ontvangen door de rechtbank op 10 augustus 2015. Daarin wordt onder meer aangegeven dat ten aanzien van de (vermogens)delicten sprake is van een delictpatroon. Verdachte is twee keer eerder veroordeeld tot een ISD-maatregel wegens aanhoudend delictgedrag. Wegens het overtreden van de voorwaarden zijn verschillende vormen van reclasseringstoezicht voortijdig negatief geretourneerd. Als rode draad door het leven van verdachte loopt alcoholmisbruik, zijn drugsverslaving en het daaraan gerelateerde delictgedrag. Sinds kort is verdachte abstinent van harddrugs maar er is nog wel sprake van alcohol- en softdrugsgebruik. Er zijn schulden en verdachte heeft geen zinvolle dagbesteding. Er zijn in het verleden diverse hulpverleningstrajecten ingezet. Gedurende de laatste ISD-maatregel heeft verdachte nergens aan willen meewerken. Alle voornoemde trajecten hebben niet geleid tot abstinentie van drugs- en alcoholgebruik of tot uitsluiting van recidive. De reclassering concludeert dat oplegging van de ISD-maatregel wenselijk is om te komen tot recidivevermindering en om ervoor te zorgen dat de maatschappij niet meer wordt belast met het delictgedrag van verdachte. Vanuit de ISD kan verdachte worden toegeleid naar een FPA of soortgelijke instelling waar hij kan werken aan zijn problematiek.

Gelet op het voorgaande en met name verdachtes wisselende houding ten opzichte van hulpverlening acht de rechtbank oplegging van een forse voorwaardelijke straf ontoereikend. De rechtbank is van oordeel dat dat oplegging van de ISD-maatregel een passende reactie vormt ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De rechtbank zal de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen. De tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht zal niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 16 juni 2014, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen, is de verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 juli 2014.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd de tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen indien de ISD-maatregel wordt opgelegd.

De hiervoor onder 1 subsidiair en 2 primair bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd. De rechtbank is van oordeel dat, nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet echter op de aard van de maatregel die zal worden opgelegd zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 45, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders onder 1 subsidiair en 2 primair is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/930092-14:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in het arrondissement Noord-Nederland te Assen d.d. 16 juni 2014.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Schoemaker, voorzitter, mr. J.V. Nolta en

mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 oktober 2015.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.