Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4849

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
18.930163-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte schuld heeft aan een verkeersongeluk waarbij iemand om het leven is gekomen. De rechtbank legt verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op en een langdurige rijontzegging.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wegenverkeerswet 1994 6,175,178,179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18.930163-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 oktober 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 06 oktober 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.A.M. Kwakman, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 maart 2015, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Borger-Odoorn, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (merk: VW, type Golf), daarmede rijdende over de weg [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

-terwijl hij, verdachte, tijdens het besturen van het motorrijtuig verkeerde onder invloed van het gebruik van verdovende middelen- met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, in een (flauwe) bocht in genoemde weg, met hoge/verhoogde snelheid, in de voor verdachte rechterberm is gaan rijden en/of (vervolgens) is geslipt en/of de controle over het door verdachte bestuurde motorrijtuig heeft verloren,

tengevolge waarvan een botsing is ontstaan met een in de (voor verdachte) rechterberm staande boom,

waardoor [slachtoffer] , inzittende van het door verdachte bestuurder motorrijtuig werd gedood,

terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 16 maart 2015 te [pleegplaats] , gemeente Borger-Odoorn, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk Volkswagen, type Golf), daarmee rijdende op de weg, [straat 1] ,

in een (flauwe) bocht in genoemde weg, met hoge/verhoogde snelheid, in de voor verdachte rechterberm is gaan rijden en/of (vervolgens) is geslipt en/of de controle over het door verdachte bestuurde motorrijtuig heeft verloren, tengevolge waarvan een botsing is ontstaan met een in de (voor verdachte) rechterberm staande boom,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden;

- oplegging van 2 jaren ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen;

- toewijzing van de vordering van de [benadeelde partij] tot een bedrag van 4976,55 euro, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe welke steeds zakelijk zijn weergegeven en waarbij de processen-verbaal steeds in de wettelijke vorm zijn opgemaakt.

1. een proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 18 april 2015, inhoudende de bevindingen en conclusies van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Bij het ongeluk op 16 maart 2015 was betrokken een personenauto, merk Volkswagen, type Golf (VW).

Gelet op de aangetroffen sporen en de schade aan het voertuig zal het volgende hebben plaatsgevonden:

De bestuurder van de VW reed, samen met de naast hem zittende passagier, over de [straat 1] komende uit de richting [pleegplaats] . Ter hoogte van de kruising met [straat 2] kwam bestuurder van de VW met zijn voertuig in een drift terecht.

Daardoor kwam de bestuurder van de VW met zijn voertuig in de rechts naast de rijbaan gelegen berm terecht. In de berm maakte de bestuurder een stuurcorrectie, waarbij de achterzijde van de VW uitbrak naar rechts. Hierdoor botste de VW dwars tegen de in de berm staande boom.

Door de botsing met de boom en de daarbij ontstane schade, was er aan de rechterzijde van de VW een groot gat ontstaan. Door de centrifugale kracht werden de bestuurder en de naast hem zittende passagier uit de VW geworpen.

Door de [arts] van de GGD Noord-Nederland, is in ons bijzijn op maandag 16 maart 2015 de schouw verricht.

Het slachtoffer was genaamd: [slachtoffer] , [geboortedatum slachtoffer] , [plaats 1] .

De schouwarts verklaarde dat het slachtoffer was overleden aan ernstig inwendig letsel.

2. een rapport toxicologisch onderzoek d.d. 23 april 2015, opgemaakt door dr. B.E. Smink, apotheker-toxicoloog, NFI-deskundige, inhoudende -voor zover hier van belang-.

Conclusie:

1. In het bloed van [verdachte] zijn de volgende (omzettingsproducten van) drugs en/of geneesmiddelen die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden aangetoond:

- Amfetamine-achtigen: amfetamine, MDMA en MDA

2. Op grond van de resultaten van het uitgevoerde toxicologisch onderzoek wordt geconcludeerd dat de rijvaardigheid ten tijde van de bloedafname waarschijnlijk nadelig beïnvloed was door de volgende aangetoonde stoffen: amfetamine en MDMA.

3. de verklaring van verdachte afgelegd op de openbare terechtzitting van 06 oktober 2015

-voor zover hier van belang-.

Op 16 maart 2015 reed ik met [slachtoffer] in mijn auto. Wij kwamen van [plaats 2] en voordat ik daar vertrok heb ik amfetamine gesnoven.

Op een gegeven moment kwam ik in de berm en schampte ik tegen die boom aan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 16 maart 2015, te [pleegplaats] , als bestuurder van een motorrijtuig merk: VW, type Golf, daarmede rijdende over de weg [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door aanmerkelijk onvoorzichtig

-terwijl hij, verdachte, tijdens het besturen van het motorrijtuig verkeerde onder invloed van het gebruik van verdovende middelen- met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig, in een flauwe bocht in genoemde weg de controle over het door verdachte bestuurde motorrijtuig heeft verloren en vervolgens in de voor verdachte rechterberm is gaan rijden en een botsing is ontstaan met een in de voor verdachte rechterberm staande boom,

waardoor [slachtoffer] , inzittende van het door verdachte bestuurder motorrijtuig werd gedood,

terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994,

terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en

terwijl de schuldige verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is zijn auto gaan besturen terwijl hij kort voor het instappen speed tot zich had genomen.

Verdachte verliest in een flauwe bocht de controle over zijn auto en geraakt daardoor in de berm en botst met de zijkant van de auto tegen een boom. Zowel verdachte als het slacht-offer, die beiden geen gordel droegen, worden uit de auto geslingerd. Het slachtoffer komt als gevolg van ernstig inwendig letsel te overlijden.

De rechtbank is van oordeel dat het verdachte in hoge mate valt aan te rekenen dat hij onder invloed van speed aan het verkeer heeft deelgenomen. Het gebruik van speed heeft de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloed zo blijkt uit het rapport van het NFI.

Het betreft hier een ernstig verkeersongeval met grote onomkeerbare gevolgen voor de nabestaanden van het slachtoffer. Hen is groot leed toegebracht zo blijkt uit de slachtofferverklaringen.

Ook voor verdachte zelf heeft dit ongeval grote impact, nu hij niet alleen een vriend heeft verloren, maar moet leven met de wetenschap dat dat zijn schuld is.

Verkeersfeiten als onderhavige worden over het algemeen bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte kampt met een verslavingsprobleem en dat hij daarvoor wordt behandeld. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat die behandeling moet worden voortgezet. De rechtbank zal de officier van justitie volgen in zijn vordering en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf

opleggen met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Voorts een langdurige onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Benadeelde partij

[benadeelde partij] (vader van het slachtoffer) heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Op zichzelf komt de gevorderde schade de rechtbank niet onredelijk voor.

De rechtbank constateert achter dat de benadeelde partij ook een vordering tot schadever-goeding bij de verzekeringsmaatschappij van verdachte heeft ingediend en van de verzekeringsmaatschappij een voorschot heeft ontvangen. Deze informatie blijkt uit de door de raadsvrouw overgelegde brief van Assuraad advocaten d.d. 17 september 2015.

Nu voeging in het strafproces is bedoeld ter vervanging van een geding bij de civiele rechter, en nu het civiele geding reeds een aanvang heeft genomen dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

 Een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking

verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 10 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de Reclassering Nederland, [adres] . Hierna moet hij zich blijven melden zo frequent als de reclassering dat noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde zal blijven meewerken aan de behandeling van de Verslavingszorg Noord Nederland. Waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat veroordeelde geen alcohol en drugs zal gebruiken en mee zal werken aan de controle daar op, door middel van urinecontroles.

De rechtbank geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, ingevolge artikel 14d lid 2 van het Wetboek van Strafrecht.

 Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren.

Bepaalt dat de [benadeelde partij] niet ontvankelijk is in de vordering en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mrs. C.M.M. Oostdam en M. van der Veen, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2015, zijnde mr. Van der Veen buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.