Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4827

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-09-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
18.830346-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vijf jaar gevangenisstraf voor het medeplegen van een woningoverval, waarbij de bewoonster aan een stoel werd vastgebonden. Deze dader pleegde de overval in een weekendverlof van een gevangenisstraf die hij uitzat voor soortgelijke delicten. Hij heeft ook wapens voorhanden gehad, een auto geheeld die hij gebruikte als vluchtauto, en een deel van het bij de overval buitgemaakte geld witgewassen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, 312, 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830346-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

28 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] ,

thans preventief gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

14 september 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Mook.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 augustus 2014, te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (een) gro(o)t(e) geldbedrag(en) van (in totaal) ongeveer € 2.000, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die geldbedrag(en) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking

en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] op een stoel aan handen en voeten met tie-wraps heeft/hebben vastgebonden en/of die [slachtoffer 1] een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd heeft/hebben gezet en/of van die [slachtoffer 1] geld en/of autosleutels en/of de pinpas heeft/hebben geëist en/of naar de kluis heeft/hebben gevraagd, terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een koevoet en/of breekijzer en/of een (gas)pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een stroomstootwapen (taser) in handen had(den) en/of tegen die [slachtoffer 1] zei(den) (zakelijk weergegeven) dat ze zich niet mocht bewegen want anders zou er iets gebeuren;

2.

hij in of omstreeks de periode van 24 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 [pleegplaats 1] en/of te [pleegplaats 2] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van € 2.314,15 althans een geldbedrag van € 1.200,-, heeft verworven en/of heeft overgedragen, terwijl hij wist, dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

3.

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2014 tot en met 24 augustus 2014, in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, een personenauto (merk BMW, type 320d, [kenteken] ) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 22 augustus 2014 tot en met 23 augustus 2014, te [pleegplaats 3] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk BMW, type 320d, [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

4.

hij op of omstreeks 24 augustus 2014 te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) wapen(s) van categorie III, te weten een semi-automatisch gaspistool (merk Umarex, model Walther P22, kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 24 augustus 2014 te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (een) wapen(s) van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daarbij met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde aangevoerd dat verdachte ter terechtzitting heeft bekend dat hij één van de overvallers in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] was en dat hij de overval met anderen heeft gepleegd. Er is dan ook sprake van medeplegen. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft zij aangevoerd dat het doorstorten aan een ander van een deel van de buit van de overval onder de noemer 'kleding' een witwashandeling betreft. Het witwassen van € 1.200,-- kan dan ook worden bewezen. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat sprake was van opzetheling, nu verdachte gebruik maakte van een BMW waarvan hij wist dat deze gestolen was. De officier van justitie heeft tot slot aangevoerd dat ook het onder 4 en 5 ten laste gelegde kan worden bewezen, nu verdachte verboden wapens, namelijk het alarmpistool en de taser die hij van [medeverdachte] had gekregen, voorhanden heeft gehad.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft hij daarbij opgemerkt dat enkel het witwassen van € 1.200,-- kan worden bewezen. Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde was volgens de raadsman sprake van opzetheling, en niet van diefstal.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

FEIT 1

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 24 augustus 2014, opgenomen op p. 310 e.v. van dossier nummer 2014092503 d.d. 26 januari 2015 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

FEIT 2

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2015, opgenomen op p. 39 e.v. van de aanvulling (B proces-verbaal) op dossier nummer 2014092503 d.d. 26 januari 2015 van Politie Noord-Nederland.

FEIT 3

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 28 augustus 2014, opgenomen op p. 330 e.v. van dossier nummer 2014092503 d.d. 26 januari 2015 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

FEIT 4

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal d.d. 17 november 2014 (m.b.t. wapen en munitie), opgenomen op p. 141 e.v. van dossier nummer 2014092503 d.d. 26 januari 2015 van Politie Noord-Nederland.

FEIT 5

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal d.d. 20 november 2014 (m.b.t. taser), opgenomen op p. 147 e.v. van dossier nummer 2014092503 d.d. 26 januari 2015 van Politie Noord-Nederland.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 24 augustus 2014, te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen € 2.000, toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] op een stoel aan handen en voeten met tie-wraps hebben vastgebonden en van die [slachtoffer 1] geld en autosleutels en de pinpas hebben geëist en naar de kluis hebben gevraagd, terwijl verdachte en verdachtes mededader(s) zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een breekijzer in handen hadden en tegen die [slachtoffer 1] zeiden (zakelijk weergegeven) dat ze zich niet mocht bewegen want anders zou er iets gebeuren;

2.

hij in de periode van 24 augustus 2014 tot en met 30 september 2014 te [pleegplaats 2] , een geldbedrag van € 1.200,-, heeft overgedragen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij in de periode van 22 augustus 2014 tot en met 24 augustus 2014, een personenauto (merk BMW, type 320d, [kenteken] ) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op 24 augustus 2014 te [pleegplaats 1] , een wapen van categorie III, te weten een semiautomatisch gaspistool (merk Umarex, model Walther P22, kaliber 9mm), voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 24 augustus 2014 te [pleegplaats 1] , een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, gepleegd door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

  2. witwassen;

  3. opzetheling;

  4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III;

  5. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat de overval een grote impact op aangeefster heeft gehad en nog altijd heeft. Zij voelt zich niet meer veilig in haar eigen woning. Verdachte was enkel op geld belust en de gevolgen voor het slachtoffer heeft hij daarbij voor lief genomen. Verdachte heeft in 2011 een gevangenisstraf van 8 jaar opgelegd gekregen voor meerdere diefstallen met geweld en heeft deze overval gepleegd tijdens weekendverlof van die detentie. Zelfs gevangenisstraf weerhoudt verdachte er blijkbaar niet van om door te gaan met het plegen van strafbare feiten. Daarom is enkel een langdurige gevangenisstraf passend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een straf die (veel) lager is dan door de officier van justitie gevorderd. Daarbij heeft de raadsman aangevoerd dat het oriëntatiepunt voor overvallen leidend moet zijn bij de bepaling van de straf, en dat ligt voor een overval als deze op drie jaar. Ook moet worden gekeken naar wat er in vergelijkbare zaken wordt opgelegd. Er is geen sprake van een woningoverval die in zijn soort zo ernstig is dat dat aanleiding geeft tot een forse verhoging ten opzichte van het oriëntatiepunt. Het is vanzelfsprekend dat het feit dat verdachte de overval heeft gepleegd tijdens weekendverlof van detentie een strafverzwarende werking heeft, maar niet in de mate zoals de officier van justitie heeft gedaan. Bovendien moet er rekening mee worden gehouden dat het waarschijnlijk is dat de officier van justitie in verband met het plegen van dit delict zal gaan vorderen om de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de straf die verdachte uit zat achterwege te laten. Als dat gebeurt, zou verdachte in wezen twee maal bestraft worden voor de omstandigheid dat hij tijdens detentie een nieuw delict heeft gepleegd. Namelijk door het verlies van het recht op voorwaardelijke invrijheidstelling én door een extra hoge straf in deze zaak. De officier van justitie heeft voorts geen rekening gehouden met de open en bekennende proceshouding van verdachte. Verdachte ziet het laakbare van zijn gedrag in en neemt verantwoordelijkheid voor zijn handelen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen een oudere vrouw 's nachts in haar woning overvallen, waarbij de vrouw op een stoel werd vastgebonden en werd bedreigd. Dat is een zeer ernstig feit, waarbij verdachte zich op geen enkele wijze rekenschap heeft gegeven van de gevolgen voor het slachtoffer. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door geldelijk gewin. Dergelijke overvallen hebben, naar algemene ervaringsregels, en zo blijkt ook in dit geval, grote impact op de slachtoffers, ook op langere termijn. Zo voelen zij zich vaak nog lange tijd angstig in hun eigen woning. Een dergelijk feit rechtvaardigt een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor een overval op een woning met licht geweld/bedreiging wordt daar een gevangenisstraf van drie jaren gehanteerd. De rechtbank ziet in het feit dat verdachte onderhavig delict heeft gepleegd tijdens een weekendverlof van detentie, aanleiding om van dit uitgangspunt in het nadeel van verdachte af te wijken. Verdachte zat deze detentie uit voor soortgelijke feiten, te weten meerdere diefstallen met geweld, en laat zich kennelijk, getuige het feit dat hij zich nota bene in een weekendverlof opnieuw schuldig maakt aan een dergelijk feit, weinig gelegen liggen aan een door een gerechtelijke instantie opgelegde straf. Tot slot houdt de rechtbank er bij de bepaling van de straf rekening mee dat verdachte zich, naast de overval, ook schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een auto die hij gebruikte als vluchtauto, aan het witwassen van een deel van de buit van de overval, en aan verboden wapenbezit, welke wapens hij voorhanden had ten behoeve van de overval.

Deze omstandigheden rechtvaardigen een aanzienlijk hogere straf dan het oriëntatiepunt, maar wegen naar het oordeel van de rechtbank niet zo zwaar dat zij voor een woningoverval waarbij slechts in relatief beperkte mate geweld is gebruikt, een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar rechtvaardigen, zoals de officier van justitie heeft geëist.

Anders dan de verdediging heeft betoogd, ziet de rechtbank in de omstandigheid dat verdachte mogelijk ook zijn recht op voorwaardelijke invrijheidstelling van de eerder opgelegde straf zal verliezen door het plegen van onderhavig delict, geen reden om de thans op te leggen straf te matigen. Nog los van het feit dat op dit moment nog niet vaststaat dat dit ook daadwerkelijk zal gebeuren, is de rechtbank van oordeel dat dit voor rekening en risico van verdachte dient te komen, die immers welbewust tijdens zijn weekendverlof een ernstig strafbaar feit heeft gepleegd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde)

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 2.500,-- aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Als bewezen zou worden verklaard dat

€ 2.000,-- is weggenomen, is de extra gevorderde € 500,-- te beschouwen als immateriële schadevergoeding.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 2.000,-- en dat de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het meer gevorderde kan niet als smartengeld worden beschouwd, zonder dat deze als zodanig is gevorderd.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot na te noemen bedrag voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die in zoverre niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank overweegt daarbij dat bewezen is verklaard dat een bedrag van € 2.000,-- is weggenomen. Dit bedrag is ook door aangeefster genoemd in haar aangifte. Voor het meerdere is door de benadeelde partij vooralsnog geen bewijs geleverd. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om deze schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit gedeelte van de vordering. De vordering kan in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank zal daarbij tevens bepalen dat deze aansprakelijkheid hoofdelijk is.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 3 bewezen verklaarde)

[slachtoffer 3] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 17.172,54 aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, nu een machtiging ontbreekt en dus niet kan worden vastgesteld of de vordering rechtsgeldig is ingediend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ook betoogd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vereiste machtiging ontbreekt.

Beoordeling

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat degene die de vordering namens [slachtoffer 3] heeft ingediend daartoe bevoegd was, nu een machtiging ontbreekt. De rechtbank zal niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om dit alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 3 bewezen verklaarde)

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 100,-- aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde strafbare feit en de door de benadeelde partij gevorderde schade.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ook betoogd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu onduidelijk is of de schade van de benadeelde is ontstaan door het handelen van verdachte.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde (heling) niet rechtstreeks de gevorderde schade toegebracht. De rechtbank wijst de vordering daarom af.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 312, 416 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] (m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde)

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.000,-- (zegge: tweeduizend euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 2.000,-- (zegge: tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] (m.b.t. het onder 3 bewezen verklaarde)

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] (m.b.t. het onder 3 bewezen verklaarde)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] af.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. J.J. Schoemaker, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 september 2015.