Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4812

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2015
Datum publicatie
30-12-2015
Zaaknummer
18.850039-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een groep van vijf mannen veroordeeld tot gevangenisstraffen van tussen 4 en 24 maanden.

Tussen oktober 2014 en mei 2015 heeft deze groep in wisselende samenstelling verschillende bedrijfsinbraken gepleegd, waarbij met name geld uit kluizen is buitgemaakt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850039-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Keuning, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 oktober 2014 te [pleegplaats 1] , (althans in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres 1] aldaar) weg te nemen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld, althans die/dat goed(eren), onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk:

- zich naar voornoemd pand heeft begeven en/of

- de voordeur van voornoemd pand heeft geforceerd en/of

- voornoemd pand (door die geforceerde voordeur) heeft betreden en/of

- ( een) forcerende en/of brekende handeling(en) aan een (aantal) sensor(en) en/of een lamp en/of een zoemer (verbonden met de alarminstallatie van voornoemd pand) heeft verricht (teneinde voornoemde alarminstallatie onklaar te maken) en/of

- aldaar zoekend heeft rondgekeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 9 februari 2015 te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres 2] aldaar) heeft weggenomen een (aantal) klui(s)(zen) (inhoudende 12.000,- à 13.000 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

3.

hij op of omstreeks 8 maart 2015 te [pleegplaats 2] , (althans) in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres 3] aldaar) weg te nemen een kluis en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen kluis en/of geld, althans die/dat goed(eren), onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk:

- zich naar voornoemd pand heeft begeven en/of

- op het dak van voornoemd pand is geklommen en/of (aldaar) een (dak)raam

heeft verbroken en/of

- voornoemd pand (door dat (dak)raam) is binnengegaan en/of

- in (het kantoor van) voornoemd pand forcerende en/of brekende handeling(en) heeft verricht om voornoemde kluis te verwijderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 heeft hij aangevoerd dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat verdachte bij dit feit betrokken is geweest. Allereerst komen de opgegeven signalementen van de personen die de politie zag wegrennen niet overeen met verdachte. Voorts kan niet worden vastgesteld dat de handschoen waarop DNA van verdachte is aangetroffen, door een van deze personen is weggegooid dan wel is gebruikt bij de poging tot inbraak.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet wordt herkend op de camerabeelden van de inbraak. Ook uit andere bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak.

Het onder 3. ten laste gelegde kan volgens de raadsman wel worden bewezen.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1. ten laste gelegde kan worden bewezen en overweegt dienaangaande het volgende.

Op 2 oktober 2014 omstreeks 5.00 uur kreeg aangever [naam 1] een melding van een inbraak in [bedrijfsnaam 1] aan de [adres 1] te [pleegplaats 1] . Omstreeks datzelfde tijdstip zagen twee patrouillerende politieambtenaren twee mannen wegrennen ter hoogte van de kruising [straat 1] / [straat 2] . Deze kruising bevindt zich vlakbij het café. Deze personen renden in de richting van het [straat 2] . Nadat de politie de mannen heeft verzocht om te blijven staan, hebben beide personen even stilgestaan. Een van de personen heeft een gooiende beweging gemaakt richting een geparkeerde auto, terwijl de andere persoon achter een auto in een gehurkte positie ging zitten. Kort hierna is deze laatste persoon richting [straat 1] gerend. De politie is achter deze persoon aangerend. Tijdens de achtervolging heeft de politie waargenomen dat deze persoon ter hoogte van een boot, welk in de gracht lag, voorwerpen weggooide. Direct hierna hoorde de politie een geluid dat werd herkend als ijzer op ijzer. Op de plek waar de persoon voorwerpen weggooide, heeft de politie een handschoen en een muts in het water zien liggen. Deze lagen tussen een boot en de wal. Op een plateau achter de boot lag nog een handschoen. Later heeft de politie enkel de twee handschoenen aangetroffen. De muts was vermoedelijk gezonken.

In een van de handschoenen is DNA van verdachte aangetroffen. In de andere handschoen werd een mengprofiel met onder andere DNA van [medeverdachte 1] aangetroffen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij zijn handschoen mogelijk op die plek heeft verloren. Gelet op de waarneming van de verbalisant acht de rechtbank deze lezing niet geloofwaardig.

Gelet op:

- het tijdstip en de plek waar is waargenomen dat deze twee personen aan het rennen waren;

- de combinatie van de handschoenen en de muts, die zijn aangetroffen op een plek waar een van de rennende personen voorwerpen heet weggegooid;

- de omstandigheid dat in de handschoenen DNA van verdachte en zijn medeverdachte zijn aangetroffen,

is de rechtbank van oordeel dat deze twee personen betrokken zijn geweest bij de inbraak in bedoeld café en dat verdachte een van deze personen was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de onder 1. ten laste gelegde poging tot winkelinbraak wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

Met betrekking tot feit 2 overweegt de rechtbank als volgt.

Op 19 februari 2015 is ingebroken in [bedrijfsnaam 2] aan de [adres 2] te [pleegplaats 1] . Er is daarbij een kluis met ongeveer € 13.000,- weggenomen. Op de camerabeelden is te zien dat de inbraak is gepleegd door drie mannen. Ook is te zien dat de daders de kluis in de kofferbak van een grijze stationcar zetten. Het voertuig betrof vermoedelijk een Mercedes-Benz.

Bij het dichtdoen van de achterklep is te zien dat de achterruit kapot gaat, omdat de kluis kennelijk niet ver genoeg was doorgeschoven. Uit de beelden blijkt verder dat de daders het pand om 7.56 uur hebben verlaten.

Om 7.59 uur werd een grijze Mercedes stationcar met [kenteken] geflitst op het [straat 3] wegens een snelheidsovertreding. Uit de plattegrond in het dossier blijkt dat de [adres 2] en het [straat 3] niet heel ver van elkaar weg liggen.

Op de foto’s van de snelheidsovertreding is een groot voorwerp zichtbaar achter in de auto. Dit voertuig werd vanaf 5 februari 2015 door [medeverdachte 1] gehuurd.

Omstreeks 9.00 uur zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voornoemd voertuig rijden op de [straat 4] te [pleegplaats 1] . De verbalisanten hebben de bestuurder een stopteken gegeven, nadat ze hebben geconstateerd dat de achterruit van het voertuig kapot was. In het voertuig zaten drie personen die zich hebben gelegitimeerd als verdachte, [medeverdachte 1]

en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] trad op als bestuurder.

Bij het bekijken van de camerabeelden van de inbraak in [bedrijfsnaam 2] , heeft [verbalisant 2] een van de daders herkend als [medeverdachte 2] die hij tijdens de controle op 9 februari 2015 te 9.00 uur heeft gezien en gesproken. Daarnaast heeft de verbalisant geconstateerd dat het voertuig en het gat in de achterruit dat op de beelden zijn te zien, gelijkend was aan hetgeen hij heeft waargenomen bij de grijze Mercedes stationwagen tijdens de controle.

Verdachte ontkent dat hij bij deze inbraak betrokken is geweest. Hij heeft verklaard dat hij de nacht van de inbraak bij een vriendin verbleef en dat hij in de morgen met [medeverdachte 1] is meegereden, waarna ze een stopteken van de politie kregen. Desgevraagd heeft verdachte op de zitting de identiteit van deze vriendin niet kenbaar willen maken. De rechtbank acht deze door de verdachte geschetste gang van zaken, die niet valt te verifiëren, niet geloofwaardig.

Op basis van bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de grijze stationwagen die is geflitst bij de inbraak betrokken was. Dit voertuig werd door medeverdachte [medeverdachte 1] gehuurd en werd door hem gebruikt. Bij de inbraak waren drie personen betrokken. De signalementen van deze personen komen overeen met verdachten c.q. er is sprake van een herkenning. Ongeveer een uur na de inbraak werd verdachte en de twee medeverdachten in de grijze stationwagen met het gat in de achterruit aangetroffen. Een van de medeverdachten werd herkend als een van de daders op de camerabeelden.

Gelet het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten de inbraak in [bedrijfsnaam 2] hebben gepleegd. Het onder 2. ten laste gelegde kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feiten 1 en 2:

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 1. en 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

(Feit 1)

1. De inhoud van een zaaksdossier met documentcode ADM-006, rechercheonderzoek "Bugatti", gesloten op 22 juli 2015, bestaande uit diverse schriftelijke stukken en processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal aangifte, nummer 2014108535-1, d.d. 9 oktober 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 1, p. 395 en 396, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam 2] namens [bedrijfsnaam 1] :

Ik ben eigenaar van [bedrijfsnaam 1] . Wij hebben een kantoorpand aan de [adres 1] te [pleegplaats 1] . Op 2 oktober 2014 omstreeks 05:00 uur kreeg ik een melding van een inbraakalarm. Als het alarm afgaat dan belt de meldkamer de politie, de bedrijfsleider en mij. Ik kwam er pas om 08:00 uur achter dat er een melding van inbraak was geweest. Ik ben daarop meteen naar het kantoor gegaan.

Ik zag dat de rechtervoordeur middels een koevoet of soortgelijk voorwerp, ontzet was. Ik zag dat het kozijn ook stuk was en de sloten niet meer in de deur zaten. Ik ben samen met de technische recherche naar binnen gegaan.

Eenmaal binnen zag ik dat het een grote chaos was. Er lag van alles op de grond. Ik zag dat er met een koevoet of soortgelijk voorwerp een gat in de kast geslagen was. Ik zag dat het alarm onklaar gemaakt was. Aan het plafond zitten sensoren, een zwaailamp en een zoemer. Ik zag dat deze van het plafond getrokken waren. Het lijkt erop dat er geen goederen zijn weggenomen maar er is wel veel schade.

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal van bevidingen, nummer 2014108535-3, d.d. 2 oktober 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, MAP 1, p. 412 - 413, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op 2-10-2014 reden wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] in een opvallend dienstvoertuig. Wij verbalisanten waren belast met een zogenoemde noodhulpdienst

in de stad [pleegplaats 1] .

Op 2-10-2014, omstreeks 05:00 uur reden wij, verbalisanten, over de [straat 1] te [pleegplaats 1] . Wij, verbalisanten, zagen ter hoogte van de kruising [straat 1] en de [straat 2] te [pleegplaats 1] , twee personen rennen richting het [straat 2] . Toen ik, [verbalisant 3] , de personen aansprak, met het verzoek om te blijven staan, zagen wij, dat beide personen even bleven staan. [verbalisant 4] , zag dat persoon 1 een gooiende beweging maakte richting de geparkeerde grijze personenauto. Wij zagen dat persoon 2 achter een personenauto bleef staan in een gehurkte positie.

Ik, [verbalisant 3] , vroeg de persoon om te blijven staan. Op het moment dat ik, [verbalisant 3] , dit vroeg, zagen wij dat persoon 2 wegrende richting de [straat 1] te [pleegplaats 1] .

Ik, [verbalisant 3] stapte onmiddellijk uit het voertuig en zette de achtervolging in. Ik, [verbalisant 3] , zag dat de persoon langs de gracht rende, richting de [straat 5] te [pleegplaats 1] . Ik zag dat de persoon langs de

gracht rende en ter hoogte van een boot, welke in de gracht lag, voorwerpen weggooide. Ik, [verbalisant 3] , hoorde direct na het weggooien een geluid wat ik herkende als ijzer op ijzer. Vanaf de [straat 6] had ik, [verbalisant 3] , geen zicht meer op deze persoon en ben ik teruggelopen naar de plek waar de persoon voorwerpen heeft weggegooid. Ter plaatse zag ik, [verbalisant 3] , dat er een donkerkleurige muts en een handschoen in het water lagen. Ik, [verbalisant 3] , zag dat de voorwerpen tussen een boot en de wal lagen. Ook zag ik, [verbalisant 3] , dat er een handschoen op een plateautje lag, welk achter de boot dreef.

Toen wij, verbalisanten, klaar waren met zoeken zijn wij weer richting de kruising, [straat 1] , [straat 2] te [pleegplaats 1] gelopen.

Ter plaatse zagen wij, verbalisanten, dat er een deur was geforceerd van een winkel gelegen aan de [adres 1] . Wij, verbalisanten, kwamen er achter dat er was ingebroken door middel van braak. Wij zagen afdrukken van vermoedelijk een koevoet of breekijzer in het kozijn en de deur.

Ook zagen wij, houtsplinters. Vervolgens zijn wij, teruggelopen naar de plek waar de voorwerpen door persoon 2 werden weggegooid en hebben de handschoen van het plateautje gehaald en de handschoen uit het water gehaald. De donker kleurige muts hebben wij niet meer aangetroffen. Deze muts is vermoedelijk gezonken.

1.3.

een ambtsedig proces-verbaal sporenonderzoek, nummer 2014108535-9, d.d.

27 oktober 2014 opgemaakt in wettelijke vorm een door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 1, p. 422 en 423, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op maandag 27 oktober 2014 te 13:17 uur, werd door mij verbalisant als forensisch vooronderzoeker een forensisch onderzoek naar biologische sporen verricht aan onderstaande sporendragers in verband met een gekwal. diefstal in/uit bedrijf/kantoor, gepleegd op donderdag 2 oktober 2014 te 05:00 uur.

Onderzoek handschoen AAHC0431NL

Ik zag dat het een groen/grijs/zwart gekleurde linker handschoen van het merk "Bosch", maat L betrof. Ik heb van de binnenzijde van de handschoen van de handpalmzijde de vingers, de aanzet van de vingers en de muis bemonsterd met behulp van stubs op mogelijk aanwezig dragermateriaal Ik heb de stubs veiliggesteld in een cupje in een gripzakje, gewaarmerkt mat SIN AAHP5004NL en verzegeld.

Onderzoek handschoen AABC0432NL

Ik zag dat het een zwart gekleurde linker handschoen van het merk "Tenson" betrof.

Ik heb van de binnenzijde van de handschoen van de handpalmzijde de vingers, de aanzet van de vingers en de muis bemonsterd met behulp van stubs op mogelijk aanwezig dragermateriaal. Ik heb de stubs veiliggesteld in een cupje in een gripzakje, gewaarmerkt met SIN AAHP5005NL en verzegeld.

1.4.

Een schriftelijk stuk, te weten een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2014.11.03.184, d.d. 21 november 2014, opgemaakt door ing. V. van Marion op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, MAP 1, p. 416, zakelijk weergegeven, inhoudende:

AAHP5004NL#01 DNA-profiel van een man - [verdachte] , zie `DNA-databank'

Matchkans DNA-profiel: kleiner dan 1 op 1 miljard

AAHP5005NL-#01 DNA-mengprofiel van minimaal twee personen afgeleid DNA-hoofdprofiel van een man:

- [medeverdachte 1] , zle 'DNA-databank'

Matchkans DNA-profiel: kleiner dan 1 op 1 miljard

DNA-nevenkenmerken :

- ongeschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek

(Feit 2)

1.5.

een ambtsedig proces-verbaal aangifte, nummer 2015039504-1, d.d. 9 februari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 2, p. 590 - 593, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam 3] namens [bedrijfsnaam 2] :

Op maandag 9 februari 2015 omstreeks 09.30 uur werd ik gebeld door de bedrijfsleider van [bedrijfsnaam 2] . Ik hoorde hem zeggen dat er ingebroken was in mijn café/restaurant [bedrijfsnaam 2] . Ik hoorde hem zeggen dat er diverse deuren waren opgebroken en dat de kluis was weggenomen.

Toen ik ter plaatse kwam in mijn restaurant, zag ik dat de beide nooduitgangdeuren rechts achter in de danszaal geforceerd waren. Van de nooduitgang naar buiten waren beide klemmen boven en onder omgebogen, tevens waren ook weer dezelfde koevoet sporen te zien als bij de geluidsdichte deur. Vervolgens liep ik naar de kamer waar de kluis in stond. De deur waar deze achter stond was voorzien van een codeslot. Ook deze was bij het slot geforceerd. Ik zag dat de kluis er niet meer stond. Deze kluis zat vast in de grond. In deze kluis zat ongeveer 7000 tot 8000 euro. Ik kan nog niet precies zeggen hoeveel hier in zat. Er zat dus van 7 dagen aan omzet in de kluis.

Ik heb camera's hangen in de gang van de nooduitgang, linksachter. Ik zag op de camerabeelden dat er drie getinte mannen te zien waren. Ik zag dat ze de kluis meenamen middels het steekkarretje dat in het gangetje bij de nooduitgang lag en daarmee het pand verlieten via de nooduitgang, links achterin het pand. Ik zag toen de nooduitgangdeur geopend werd door de mannen, dat er een grijze auto stond. Ik hoorde mijn medewerkers zeggen dat het een Mercedes was.

1.6.

een ambtsedig proces-verbaal aanvulling op aangifte, nummer 5, d.d. 11 februari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, MAP 2, p. 595 - 596 zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op woensdag 11 februari 2015 omstreeks 11:30 uur bevonden wij ons in het perceel [adres 2] te [pleegplaats 1] .Wij verbalisanten spraken daar met de aangever van [bedrijfsnaam 2] genaamd: [naam 3] . Hij verklaarde ons in aanvulling op zijn aangifte dat de inhoud van zijn weggenomen kluis bestond uit de dagopbrengsten, bestaande uit papiergeld. Deze opbrengsten waren opgeborgen in normale witte enveloppen. De waarde was rond de 13.000 à 14.000 euro.

1.7.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 2015039504- 6, d.d.

9 februari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, MAP 2, p. 613, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op maandag 9 februari omstreeks 10:30 uur waren wij, verbalisanten, belast met een noodhulpdienst in het centrum van [pleegplaats 1] ter plaatse aan de [adres 2] , dit betreft [bedrijfsnaam 2] .

Naar aanleiding van een inbraak hebben wij, verbalisanten, de camerabeelden bekeken. Op de camerabeelden zagen wij drie mannelijke verdachten. Wij, zagen dat deze verdachten een getinte huidskleur hadden. Wij zagen dat de verdachten alle 3 een muts droegen.

Wij zagen dat de drie verdachten, binnen voor de nooddeur, aan de achterzijde van het pand stonden. Wij zagen dat er naast de verdachten een kluis stond. Wij zagen dat de kluis op een steekkar stond. Wij zagen dat 1 van de verdachten de nooddeur open deed. Wij zagen dat buiten voor de nooddeur een auto schuin geparkeerd stond. Wij zagen een grijze auto, vermoedelijk een Mercedes station. Wij zagen dat twee van de verdachten de kluis naar buiten reden en deze in de kofferbak van de auto stopten. Wij zagen dat 1 van de verdachten de achterklep wilde sluiten. Bij het sluiten is het achterraam van de auto kapot gegaan.

1.8.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van camerabeelden [bedrijfsnaam 2] , nummer 17, d.d. 24 februari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 2, p. 617 en 642, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op maandag 16 februari 2015 heb ik, verbalisant, alle camerabeelden volledig bekeken vanaf 03:16 uur tot en met 08.30 uur. De camera's lopen gelijk aan de UTC tijd.

Daders 1, 2 en 3 komen om 07.56 uur binnen via de ruimte van de nooduitgang waarop camera 4 gericht staat en tillen de kluis in een auto welke bij de nooduitgang staat. Dader 3 sluit om 07.56 uur de deur van de ruimte van de nooduitgang waarop camera 4 gericht staat.

1.9.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 39, d.d. 22 juli 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 2, p. 585, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Door [hoofdagent van politie] werd een proces-verbaal van bevindingen opgesteld waarin hij een uitgebreide omschrijving van de beelden. Hierop is te zien dat de verdachten twee kluizen wegnemen uit het pand. Verdachte 1 (rechtbank leest: dader 1) heeft een smal postuur, en had kort haar. Verdachte 2 (rechtbank leest: dader 2) had een breed postuur en een nagenoeg kaal hoofd.

Verdachte 3 (rechtbank leest: dader 3) had een normaal postuur droeg een donkere pet met klep.

Gezien de latere onderzoeksbevindingen komen de signalementen overeen met:

Dader 1: [medeverdachte 2] , (postuur en haardracht, latere herkenning door [verbalisant 2] )

Dader 2: [medeverdachte 1] Gelet op de onveranderlijke signalementkenmerken, zoals ras, geslacht, leeftijd, postuur en de vorm van het gelaat, zijn er ruime overeenkomsten tussen de persoon welke zonder gezichtsbedekking op de camera-afbeelding staat en de veiliggestelde Facebook-foto's van [medeverdachte 1] , [geboortedatum medeverdachte 1] te [geboorteplaats medeverdachte 1] ( [geboorteland medeverdachte 1] ).

Dader 3: [verdachte] . (postuur en zwarte pet met kleppen is dezelfde persoon als later in [winkel] , in wie [verdachte] zichzelf herkent).

1.10.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 2015039442-4, d.d.

19 februari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 2, p. 649, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op woensdag 19 februari 2015 omstreeks 14:50 uur heb ik verbalisant beelden bekeken van een beveiligingscamera, in verband met een inbraak gepleegd op

9 februari 2015 in [bedrijfsnaam 2] in de stad [pleegplaats 1] .

Op de film zag ik een 3-tal personen welke een inbraak pleegde bij [bedrijfsnaam 2] . Op de beelden van camera 5 herkende ik op het tijdstip van 03:16 uur een van de personen als zijnde: [medeverdachte 2] [geboortdatum medeverdachte 2] te [geboorteplaats medeverdacht 2] .

Deze persoon hadden wij op 09 februari 2015 omstreeks 09:00 uur gecontroleerd bij een staande houding van een personenauto van het merk Mecedes-Benz, type Stationwagon en voorzien van [kenteken] aan de [straat 7] te [pleegplaats 1] . Opvallend aan dit voertuig was, dat er een gat in de achterruit van deze auto zat.

Op de beelden van de beveiligingscamera, van [bedrijfsnaam 2] , was tevens te zien dat bij het inladen van de gestolen kluis de achterruit van de gebruikte personenauto kapot ging. De personenauto en het gat in de achterruit waren gelijkend op het door ons staande gehouden voertuig.

1.11.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 2015039442-1, d.d. 9 februari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, MAP 2, p. 665, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op maandag 9 februari 2015 omstreeks 09.00 uur reden wij verbalisanten in een opvallend dienstvoertuig over de [straat 4] te [pleegplaats 1] .

Ik [verbalisant 1] zag in de [straat 8] een grijze Mercedes voorzien van [kenteken] , in de richting van de [straat 4] , voor de verkeerslichten stilstaan. Nadat het voertuig was afgeslagen zagen wij verbalisanten dat de achterruit van de personenauto kapot was. Wij verbalisanten hebben ons dienstvoertuig gekeerd en zijn achter de personenauto aangereden. Wij verbalisanten hebben de bestuurder, bijrijder en inzittende gecontroleerd. De bestuurder betrof: [medeverdachte 1] , de bijrijder: [verdachte] en de inzittende op de achterbank: [medeverdachte 2] .

1.12.

een ambtsedig proces-verbaal bevraging boetes [kenteken] , nummer 33, d.d. 2 maart 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 2, p. 677, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op 24 februari 2015 heb ik collega [naam 4] verzocht na te gaan of voor het [kenteken] over de periode na 1 februari 2015 boetes waren uitgeschreven.

Op 25 februari 2015 ontving ik antwoord dat op 9 februari 2015 omstreeks 07.59.46 uur voor genoemd kenteken een boete was uitgedeeld (geflitst), vanwege het rijden met een snelheid van 59 kilometer per uur over het [straat 3] te [pleegplaats 1] . De auto reed "uitgaand", hetgeen betekend dat het voertuig reed in de richting van de ringweg en de snelweg A28 naar [plaats] . Van dit feit waren enkele foto's beschikbaar.

Op deze foto's was te zien de achterzijde van een personenauto, type stationcar, voorzien van het [kenteken] , waar duidelijk een groot voorwerp achter in de auto zichtbaar was. Het voorwerp was niet duidelijk herkenbaar. Op de laatst ontvangen foto is een kartelige rand zichtbaar, die mogelijk verband houdt met het feit, dat de achterruit van deze auto vermoedelijk kapot was.

Op 9 februari 2015 omstreeks 07.55 uur was een soortgelijke auto te zien op videobeelden bij [bedrijfsnaam 2] , waarbij door inbrekers een kluis uit het bedrijf werd ontvreemd, welke achter in de ruimte van een stationcar werd geladen en waarbij tijdens het dichtgooien van de achterklep de achterruit verbrijzelde. De auto met het [kenteken] , is door [bedrijfsnaam 4] per 5 februari 2015 verhuurd aan de heer [medeverdachte 1] , [adres medeverdachte 1] te [woonplaats medeverdachte 1] , zo is bij een politiecontrole in februari 2015 gebleken;

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank past met betrekking tot het onder 3. ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

  1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 augustus 2015;

  2. De inhoud van een zaaksdossier met documentcode ADM-006 rechercheonderzoek "Bugatti", gesloten op 22 juli 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte nr. 2015067213-1, d.d. 8 maart 2015, opgenomen in MAP 2, p. 823-824, inhoudende de verklaring van [naam 5] ;

2.2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen nr. 2015067213-2, d.d. 8 maart 2015, opgenomen in MAP 2, p. 827 - 828, inhoudende de bevindingen van de verbalisanten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 2 oktober 2014 te [pleegplaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres 1] aldaar weg te nemen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader, opzettelijk zich naar voornoemd pand heeft begeven en de voordeur van voornoemd pand heeft geforceerd en voornoemd pand door die geforceerde voordeur heeft betreden en forcerende en/of brekende handelingen aan een aantal sensoren en een lamp en een zoemer verbonden met de alarminstallatie van voornoemd pand heeft verricht, teneinde voornoemde alarminstallatie onklaar te maken en aldaar zoekend heeft rondgekeken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 9 februari 2015 te [pleegplaats 1] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres 2] aldaar heeft weggenomen een kluis inhoudende 12.000 à 13.000 euro, toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

3.

hij op 8 maart 2015 te [pleegplaats 2] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres 3] aldaar, weg te nemen een kluis en/of een hoeveelheid geld, toebehorende aan [bedrijfsnaam 3] , zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en die/dat weg te nemen kluis en/of geld, onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, met zijn mededaders, opzettelijk zich naar voornoemd pand heeft begeven en op het dak van voornoemd pand is geklommen en aldaar een raam heeft verbroken en voornoemd pand door dat raam is binnengegaan en in het kantoor van voornoemd pand forcerende en/of brekende handelingen heeft verricht om voornoemde kluis te verwijderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

  2. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

  3. Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het 1., 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf van korte duur. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte de kostwinnaar is van zijn gezin en dat het gezin van inkomen is verstoken zolang verdachte vastzit. Verdachtes vrouw komt niet in aanmerking voor een uitkering omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit heeft en hier nog niet lang woont.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 30 juli 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 29 juli 2015, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een inbraak in een bedrijfspand, waarbij een grote hoeveelheid geld is weggenomen. Daarnaast heeft verdachte samen met anderen twee pogingen tot inbraken gepleegd.

Bij alle feiten hebben verdachte en zijn mededaders veel schade aangericht. Met zijn handelingen heeft verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor de eigendom van anderen en zijn eigen materiële belangen boven die van anderen te stellen. Feiten, zoals door verdachte gepleegd, hebben een grote impact op de getroffen eigenaren en het personeel van de bedrijven en brengen gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving.

Uit de documentatie van verdachte blijkt dat hij in het recente verleden niet is veroordeeld voor soortgelijke delicten.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat het handelen van verdachte was ingegeven door financieel gewin. In de periode voor het begaan van de feiten had verdachte lange tijd geen inkomen gehad. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Het beschikken over een inkomen werkt recidiveverlagend. Het onvermogen om tot financiële oplossingen te komen verhoogt de recidivekans. Verdachte heeft aangegeven zich te schamen tegenover zijn kinderen voor zijn gedrag en hij zijn rol in het gezin niet verder wil ondermijnen door het plegen van delicten. Op basis van de responsiviteit van verdachte acht de reclassering begeleiding en ambulante hulp niet noodzakelijk.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden is. Met het oog op de bijzondere positie die verdachte binnen zijn gezin heeft en ter voorkoming van nadere recidive, zal de rechtbank een deel van deze gevangenisstaf, te weten vier maanden, in voorwaardelijke vorm opleggen.

Vordering van de benadeelde partij

[naam 6] heeft zich namens [bedrijfsnaam 1] voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1. ten laste gelegde feit. Gevorderd is een bedrag van € 1.360,50 aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen deze vordering.

Beoordeling

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het onder 1. ten laste van verdachte bewezen verklaarde feit.

De rechtbank kan de benadeelde partij echter niet in haar vordering ontvangen, nu noch uit het formulier noch uit de processtukken blijkt dat [naam 6] bevoegd is tot het indienen van de vordering namens [bedrijfsnaam 1] .

Nu verdachte naar burgerlijk recht wel aansprakelijk is bevonden voor het onder 1. bewezen verklaarde feit en de gestelde schade door de verdediging niet is weersproken, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen voor het volledige bedrag van

€ 1.360,50.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar. Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [bedrijfsnaam 1] niet ontvankelijk is.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijfsnaam 1] , te betalen een bedrag van € 1.360,50 (zegge: dertienhonderdzestig euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 23 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Dit vonnis is gewezen door F. de Jong, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en mr. P.J. van Steen, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 september 2015.

Mrs. H.H.A. Fransen en P.J. van Steen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.