Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4801

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
18.830186-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring artikel 5 WVW. Beroep op afwezigheid van alle schuld gehonoreerd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 5, 177
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830186-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

24 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 september 2015.

De verdachte is verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 september 2014, te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente Groningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten

een bedrijfsauto, daarmee rijdende over de weg, [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam, door met dat door hem bestuurde motorrijtuig rijdende over die [straat 1] , gekomen bij de kruising van die weg, [straat 1] , met de weg, [straat 2] , kennelijk ter uitvoering van zijn voornemen om rechtsaf [straat 2] in/op te rijden, niet of in onvoldoende mate naar achteren heeft gekeken en/of niet en/of in onvoldoende in zijn spiegels heeft gekeken en/of niet en/of in

onvoldoende mate zich ervan heeft vergewist dat er zich geen andere weggebruikers ter rechterzijde van en/of voor het door hem, verdachte, bestuurde voertuig bevonden, vervolgens naar rechts is gaan afslaan en [straat 2] is gaan oprijden en/of is opgereden en heeft hij, verdachte, daarbij [slachtoffer] , op/of met een fiets, welke zich rechts voor en/of naast het door verdachte bestuurde voertuig bevond niet (tijdig) gezien en/of vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen [slachtoffer] en/of die fiets

aangereden en/of gebotst en/of het door hem bestuurde motorrijtuig niet onmiddellijk tot stilstand heeft gebracht, maar, enkele meters, in elk geval een korte afstand, is doorgereden, waardoor, in elk geval mede waardoor, [slachtoffer] op/met die fiets ten val is gekomen, en geheel of gedeeltelijk onder het door hem bestuurde motorrijtuig terecht is gekomen, waardoor, in elk geval mede waardoor, [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een enkelfractuur en/of een kuitbeenfractuur en/of een bekkenfractuur en/of kneuzingen aan arm en/of schouder en/of nek en/of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van normale bezigheden ontstond

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 29 september 2014, te [pleegplaats] , in elk geval in de gemeente Groningen, als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bedrijfsauto, daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [straat 1] , gekomen bij de kruising van die weg, [straat 1] , met de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [straat 2] , kennelijk ter uitvoering van zijn voornemen om rechtsaf [straat 2] in/op te rijden, niet of in onvoldoende mate naar achteren heeft gekeken en/of niet en/of in onvoldoende in zijn spiegels heeft gekeken en/of niet en/of in onvoldoende mate zich ervan heeft vergewist dat er zich geen andere weggebruikers ter rechterzijde van en/of voor het door hem, verdachte, bestuurde voertuig bevonden, vervolgens naar rechts is gaan afslaan en [straat 2] is gaan oprijden en/of is opgereden en heeft hij, verdachte, daarbij [slachtoffer] , op/of met een fiets, welke zich rechts voor en/of naast het door verdachte bestuurde voertuig bevond niet (tijdig) gezien en/of vervolgens met het door hem bestuurde

motorrijtuig tegen [slachtoffer] en/of die fiets aangereden en/of gebotst en/of het door hem bestuurde motorrijtuig niet onmiddellijk tot stilstand heeft gebracht en/of enkele meters, in elk geval een korte afstand, is doorgereden, waardoor, in elk geval mede waardoor,

[slachtoffer] op/met die fiets ten val is gekomen, en geheel of gedeeltelijk onder het door hem bestuurde motorrijtuig terecht is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg

werd gehinderd, in elk geval kon worden gehinderd.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen zal worden verklaard.

Standpunt van de verdachte

Verdachte heeft aangevoerd dat hij van mening is dat hij geen schuld heeft aan het verkeersongeval.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Met de officier van justitie en de verdachte is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven:

Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, nummer 29.09.2014.14.00.5016 d.d. 19 maart 2015, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Beknopte ongevalsbeschrijving:

De bestuurder van de bedrijfsauto stond met zijn voertuig stil voor de kruising van [straat 1] met [straat 2] . Op een bepaald moment trok hij op om zijn weg te vervolgen en daartoe rechtsaf te slaan. Hierbij kwam hij in aanrijding met de bestuurder van een fiets, welke daar rechtdoor wilde om het fietspad aan de zuidkant van [straat 2] te volgen. De bestuurder van de fiets kwam met zijn fiets onder de bedrijfsauto terecht.

Conclusie / beantwoording:

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de bedrijfsauto.

Uitzicht:

De bedrijfsauto is voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel, een breedtespiegel, een doblispiegel, een trottoirspiegel en een camera om zo het zicht rondom het voertuig te verbeteren.

Voertuigonderzoek bedrijfsauto:

Tijdens het door ons verrichte technisch onderzoek aan het voertuig zagen wij dat dit voertuig voor het ongeval voldeed aan de in de Regeling Voertuigen gestelde eisen.

Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 oktober 2014, opgenomen in proces-verbaalnummer PL0100-2014107349-1, inhoudende de verklaring van [getuige] :

Ik zag op [straat 1] een vrachtwagen staan met rechts daarnaast een fietser. Ik zag dat de fietser bezig was de vrachtwagen rechts in te halen. Ik zag dat de vrachtwagen naar rechts afsloeg. Ik zag dat de fietser op dit moment al half voorbij de vrachtwagen was. Ik zag dat de vrachtwagen de fiets linksachter ter hoogte van het achterwiel raakte. Ik zag dat de fietser uit balans raakte, nog verder doorgedrukt werd door de vrachtwagen en ten val kwam.

Bewijsoverweging

Op 29 september 2014 vond in [pleegplaats] een verkeersongeval plaats tussen een bedrijfsauto/vrachtauto en een fietser. De vrachtauto werd bestuurd door verdachte.

De rechtbank stelt de feitelijke toedracht van het verkeersongeval als volgt vast.

Verdachte wilde op de kruising van [straat 1] met [straat 2] rechtsaf slaan.

Verdachte is de kruising genaderd. Naar eigen zeggen stonden er bij de kruising eerst enkele auto's voor hem. Toen verdachte ter hoogte van de kruising kwam, is hij opgetrokken tot aan het fietspad. Voorafgaand aan het nemen van de bocht naar rechts heeft verdachte zich geconcentreerd op het hem omringende drukke verkeer. Hij heeft naar links en vervolgens naar rechts gekeken. Op dat moment heeft hij niemand aan zien komen. Net nadat verdachte had opgetrokken en naar rechts af wilde slaan heeft hij met zijn vrachtauto een fietser geraakt, waardoor deze ten val is gekomen. Verdachte hoorde mensen roepen en heeft daarop zijn vrachtauto tot stilstand gebracht. Onder de vrachtauto lag een man met een fiets.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door met zijn vrachtauto rechtsaf te slaan op het moment dat de fietser, het latere slachtoffer, hem dicht genaderd was en waardoor een aanrijding is ontstaan tussen de door verdachte bestuurde vrachtauto en de fietser, gevaar op de weg heeft veroorzaakt, welk gevaar zich ook heeft verwezenlijkt.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 29 september 2014 te [pleegplaats] als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een bedrijfsauto, daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [straat 1] , gekomen bij de kruising van die weg, [straat 1] , met de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [straat 2] , kennelijk ter uitvoering van zijn voornemen om rechtsaf [straat 2] op te rijden, naar rechts is gaan afslaan en [straat 2] is opgereden en daarbij [slachtoffer] , met een fiets, welke zich rechts voor en naast het door verdachte bestuurde voertuig bevond niet heeft gezien en vervolgens met het door hem bestuurde motorrijtuig tegen [slachtoffer] en die fiets is aangereden en het door hem bestuurde motorrijtuig niet onmiddellijk tot stilstand heeft gebracht en een korte afstand is doorgereden, waardoor, in elk geval mede waardoor, [slachtoffer] met die fiets ten val is gekomen, en onder het door hem bestuurde motorrijtuig terecht is gekomen, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. In beginsel is verdachte hiervoor strafbaar. Verdachte heeft ter zitting aangevoerd dat hij geen schuld aan het ongeval heeft gehad. De rechtbank begrijpt dat verdachte een beroep heeft willen doen op de strafuitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld.

Uit de verklaring van verdachte volgt dat hij voor het kruispunt van [straat 1] en [straat 2] heeft stilgestaan. Verdachte heeft naar eigen zeggen zowel naar links als rechts gekeken voordat hij wilde optrekken om [straat 2] op te rijden. Kijkend naar rechts heeft hij geen andere verkeersdeelnemer(s) waargenomen. Deze handelwijze laat zien dat verdachte voorzichtigheid heeft betracht en als een correct verkeersdeelnemer heeft gehandeld.

Op grond van de VerkeersOngevalsAnalyse is aannemelijk dat het slachtoffer op zijn fiets niet zichtbaar is geweest voor verdachte. Op basis van de overige zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen is aannemelijk geworden dat het slachtoffer zich vanaf de achterkant van de vrachtauto vlak langs de vrachtwagen heen heeft gemanoeuvreerd naar de voorkant van de vrachtauto. Voorts blijkt dat de vrachtauto een zodanige positie op de weg had ingenomen, dat de bestuurder van de vrachtauto niet had hoeven verwachten dat er zich voor en/of naast de vrachtauto een fietser zou bevinden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de vereiste voorzorgsmaatregelen genomen en gedaan wat van hem als beroepschauffeur mocht worden verlangd.

Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. De verdachte is derhalve geen strafbare dader en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 5 en 177 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte ter zake niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter,

mrs. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg en P.H.M. Smeets, rechters, bijgestaan door

mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 september 2015.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.