Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4800

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2015
Datum publicatie
18-11-2015
Zaaknummer
18.850282-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking. Bij de strafmaat rekening gehouden met tijdsverloop.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, 321, 322
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/850282-13

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

24 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

25 juni 2015 en 10 september 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in de gemeente(n) Assen en/of Hoogezand-Sappemeer en/of elders in Nederland, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal in of omstreeks de periode van 7 januari 2007 tot en met 8 september 2011, (telkens) opzettelijk een of meer geldbedragen, in elk geval (telkens) enig geldbedrag, die/dat (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) [slachtoffer] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedragen verdachte (telkens) uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking bij [slachtoffer] of van haar beroep onder zich had, namelijk

- als administratief medewerkster althans (telkens) anders dan door misdrijf

onder zich had, (telkens) wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 10 september 2015 afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 16 september 2011, opgenomen op p. 36 e.v. van dossier nummer PL01PC-2011093171 d.d. 10 februari 2014, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [persoon 1] namens [slachtoffer] .

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 8 februari 2013, opgenomen op p. 40 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 2] namens [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

zij in de gemeenten Assen en Hoogezand-Sappemeer en elders in Nederland, op verschillende tijdstippen in de periode van 7 januari 2007 tot en met 8 september 2011 telkens opzettelijk geldbedragen toebehorende aan [slachtoffer] , welke geldbedragen verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking bij [slachtoffer] onder zich had, namelijk als administratief medewerkster, zich wederrechtelijk heeft toegeëigend.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van twee jaar. Aan die straf moeten de bijzondere voorwaarden van schuldhulpverlening/bewindvoering, een ambulante behandeling bij de AFPN en een meldplicht bij de reclassering worden verbonden. Daarnaast heeft de officier van justitie een werkstraf van 30 uur gevorderd, bij niet uitvoeren te vervangen door 15 dagen hechtenis. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit. In het voordeel van verdachte heeft de officier van justitie rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak en met het feit dat verdachte op staande voet is ontslagen door haar werkgever. Daarnaast heeft de officier van justitie er rekening mee gehouden dat verdachte naast haar huidige baan een andere betaalde baan zal moeten zoeken om haar schulden te kunnen voldoen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op het tijdsverloop in deze zaak, gepleit voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke taakstraf. Aan die straf kunnen de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport. Een voorwaardelijke gevangenisstraf is nog niet aan de orde, nu verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportage, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende een periode van ongeveer vier en een half jaar meerdere malen geldbedragen van haar werkgever [slachtoffer] verduisterd. Zij had die geldbedragen uit hoofde van haar baan als administratief medewerkster bij dat bedrijf onder zich. Met het verduisterde geld betaalde verdachte haar schulden, kocht zij goederen voor privégebruik en voldeed zij rekeningen met betrekking tot aan haar verleende diensten. Door haar handelen heeft verdachte het vertrouwen dat haar werkgever in haar mocht stellen in ernstige mate beschaamd. Daarbij heeft zij haar werkgever forse financiële schade bezorgd. Zij had slechts oog voor haar eigen financiële gewin. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De rechtbank is van oordeel dat dit feit, gelet op de hoogte van het benadelingsbedrag, naast een voorwaardelijke straf, in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke straf aan verdachte rechtvaardigt.

Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte gelet op het aanzienlijke tijdsverloop tussen het plegen van het feit en de berechting. Daarnaast acht de rechtbank het van groot belang dat er ten aanzien van verdachte wordt ingezet op hulpverlening. Tot slot acht de rechtbank het met het oog op de schulden van verdachte van belang dat zij zo spoedig mogelijk kan beginnen met het maken van zo veel mogelijk betaalde werkuren.

Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank reden om te volstaan met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur, met een proeftijd van twee jaar. Daaraan zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd in het over verdachte opgemaakte reclasseringsrapport.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door het bedrijf geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit een bedrag van € 148.536,- aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 72.800,42, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit het aan wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderde bedrag van € 61.943,42 en de door de benadeelde partij gemaakte kosten van €10.857,-

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 60.000,-. De raadsman is daarbij uitgegaan van het aan wederrechtelijk verkregen voordeel te schatten bedrag van € 55.700,-. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat de kosten die de benadeelde partij heeft moeten maken naar redelijkheid kunnen worden vastgesteld op €4.300,-.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade tot een bedrag van € 65.472,56 voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan haar als een gevolg van haar handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank is daarbij uitgegaan van het door verdachte erkende verduisterde bedrag, zijnde € 61.172,56, welk bedrag is gebaseerd op de uitkomst van de hierna volgende berekening.

Veroordeelde heeft niet betwist dat zij de volgende bedragen heeft verduisterd:

- € 59.888,31 ( brief raadsman d.d. 27 augustus 2015);

- € 364,22 ( [bedrijf] ; brief raadsman d.d. 27 augustus 2015);

- € 4.382,57 ( [persoon 3] ; ter terechtzitting d.d. 10 september 2015 door veroordeelde erkend).

Dat komt neer op een bedrag van € 64.635,10. Van dit bedrag moeten de volgende bedragen worden afgetrokken:

- € 2.868,83 ( niet uitgekeerd salaris juni 2010) en

- € 593,71 ( salaris veroordeelde september 2011; minpost).

Voorts heeft de verdediging de door de benadeelde partij gemaakte kosten niet betwist tot een bedrag van € 4.300,-.

De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en tot een bedrag van € 65.472,56 (61.172,56 + € 4.300) voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de overige gevorderde schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van dat deel van de schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 321 en 322 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat veroordeelde zich binnen 14 dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering Nederland, Nijlandstraat 147 te Assen. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

 dat veroordeelde een intake en, indien geïndiceerd, een behandeling bij de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord (AFPN) of soortgelijke ambulante forensische zorg ondergaat, zulks ter beoordeling van de reclassering,waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 65.472,55 (zegge: vijfenzestigduizend vierhonderd tweeënzeventig euro en vijfenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van uitdiensttreding van verdachte, te weten 16 september 2011.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter,

mrs. M.J. Oostveen en P.H.M. Smeets, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 september 2015.

Mr. Oostveen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.