Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4762

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
15-10-2015
Zaaknummer
4248484 \ VZ VERZ 15-215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding ex artikel 7:685BW op verzoek werknemer wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, namelijk het bij herhaling niet opvolgen van adviezen van de bedrijfsarts.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1943
AR-Updates.nl 2015-1002
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4248484 \ VZ VERZ 15-215

beschikking van de kantonrechter van 9 september 2015 ex artikel 7:685 BW

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

gemachtigde: mr. D. van der Wal,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOLDT WSD B.V.,

gevestigd te Bolsward,

verweerster,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en WSD worden genoemd.

Procesverloop

1.1

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift (inclusief producties), ingekomen ter griffie op

30 juni 2015, verzocht de tussen hem en WSD bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van gewichtige redenen in de zin van artikel 7:685 BW.

1.2

Bij brief van 17 augustus 2015 heeft [verzoeker] nadere producties in het geding gebracht.

1.3

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. [verzoeker] is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens WSD zijn verschenen

[A] en [B] , directeuren van WSD. Van het behandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt. De gemachtigde van [verzoeker] heeft het ontbindingsverzoek nader toegelicht. Namens WSD hebben [A en B] verweer gevoerd.

Motivering

Feiten

2.1

[verzoeker] , geboren op [datum] , is sinds [datum] in dienst bij (de rechtsvoorgangster van) WSD, laatstelijk in de [functie] , tegen een bruto salaris van € 2.750,00 per maand.

2.2

WSD en Boldt FPE B.V. (hierna verder te noemen: FPE) zijn zusterondernemingen en zijn voor 100% dochters van Boldt Systems B.V. (hierna verder te noemen: Systems). Systems heeft geen werknemers. Sinds 1 oktober 2012 vormen [A en B] de directie van WSD. Zij vormen ook de directie van Systems. [B] is daarnaast in dienst van WSD. Hij en [verzoeker] zijn de enige werknemers van WSD. Daarnaast verricht [B] voor zowel WSD als FPE commerciële activiteiten. FPE heeft zes werknemers, inclusief [A en B] .

2.3

[verzoeker] heeft zich op 7 april 2014 ziek gemeld vanwege hectiek op het werk en de werkdruk.

2.4

Naar aanleiding van de ziekmelding van 7 april 2014 heeft bedrijfsarts F.J.A. Jansen, werkzaam bij Arbo Vitale, in een rapport van 9 mei 2014 aangegeven dat [verzoeker] niet in staat om voltijds te werken en [verzoeker] en WSD geadviseerd om gezamenlijk een tijdelijk takenpakket af te spreken, door middel van een plan van aanpak, waarin de concrete inhoud van de tijdelijke taken, tijdsafspraken en evaluatieafspraken zijn beschreven. De bedrijfsarts heeft de verwachting uitgesproken dat [verzoeker] op 16 juni 2014 kan beginnen met de tijdelijk aangepaste werkzaamheden. In het rapport is verder het volgende aangegeven:

"Inzet van extra interventie, behandeling of zorg

Persoonlijke coaching

Mijn advies is persoonlijke coaching in te zetten om (….) [verzoeker] te ondersteunen bij het verdiepen van het inzicht wat de effecten zijn van het eigen gedrag op de werkomgeving. De coach helpt de 'coachee' inzicht te krijgen en zelf andere vormen van meer effectief gedrag aan te spreken.

Regelen van de inzet van de interventie

Via onze intermediair Snelverwijspunt zal ik een offerte laten opmaken en aan u toe laten sturen."

2.5

Op 4 juni 2014 hebben [verzoeker] en [A en B] , namens WSD, afspraken gemaakt over tijdelijk aangepast werk, door [verzoeker] aan te vangen op 16 juni 2014. Op

6 juni 2014 heeft WSD [verzoeker] laten weten dat WSD af ziet van persoonlijke coaching vanwege de hiermee gemoeide kosten en de ingeschatte urgentie. Op 20 juni 2014 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [A en B] . Tijdens dat gesprek is [verzoeker] verweten dat hij in de eerste week (16-20 juni 2014) zonder opgaaf van reden elk dag te laat op kantoor is verschenen.

2.6

In het rapport van 23 juni 2014 heeft de bedrijfsarts het volgende aangegeven:

"U (de kantonrechter leest: WSD) wilt geen begeleidingstraject van extern, betrokkene heeft wel steun vanuit zijn huisbehandelaar. Maar door negatieve feedback met mijns inziens en volgens (….) [verzoeker] inhoudelijk nogal wat misveronderstellingen is hij nog wel erg in mineur.

B/ ik adviseer betrokkene deze weken nog op 2 uur per dag te blijven werken, en met ingang van volgende week naar 4 uur/dag, met beperkte taakstelling, dat ook weer voor een aantal weken lang. Tevens adviseer ik u met (….) [verzoeker] in gesprek te blijven."

2.7

In het rapport van 29 juli 2014 heeft de bedrijfsarts het volgende aangegeven:

"(….) [verzoeker] is weer voor 4 uur per dag gaan werken, hij heeft een lijst met punten aan u

(de kantonrechter leest: WSD) voorgelegd, maar behalve ontvangstbevestiging van uw kant is er nog geen contact geweest met hem.

Ik heb u al eerder geadviseerd voor externe ondersteuning, mocht u er samen niet uit kunnen komen, ik adviseer nog steeds bedrijfsmaatschappelijk werk om hem te ondersteunen. Ik adviseer (….) [verzoeker] om vooralsnog voor 4 uur/dag te blijven werken, hij heeft goede ondersteuning van zijn collega om hem verder op weg te helpen, ik adviseer daarmee door te gaan."

2.8

In het rapport van 8 september 2014 heeft de bedrijfsarts het volgende aangegeven:

"(….) [verzoeker] werkt nu halve dagen. Ik adviseerde U (de kantonrechter leest: WSD) met betrokkene in gesprek te gaan, in de zin van het inschakelen van externe hulp om betrokkene weer een goede werkplek te kunnen bieden. Helaas is er geen actie op ondernomen van uw kant. Ik adviseer (….) [verzoeker] nu wel geleidelijk aan weer het werk verder op te gaan pakken, met ingang van 15 september adviseer ik weer voor 6 uur per dag te gaan hervatten. en m.i.v. 29 september weer voor normale dagen. Verdere werkproblematiek adviseer ik u nogmaals via externe hulp op te lossen, ik adviseer (….) [verzoeker] een second opinion bij het UWV aan te vragen mocht hij niet het werk volledig gaan hervatten. Dit met het oog op eventueel latere sancties die kunnen voortvloeien uit de ontstane impasse."

2.9

Met ingang van 29 september 2014 heeft [verzoeker] zijn werkzaamheden volledig, in de overeengekomen urenomvang, hervat.

2.10

[verzoeker] heeft zich op 24 oktober 2014 opnieuw ziek gemeld.

2.11

Naar aanleiding van de ziekmelding van 24 oktober 2014 heeft de bedrijfsarts in een rapport van 29 oktober 2014 het volgende aangegeven:

"Op 29-10-2014 had ik telefonisch contact met uw medewerker (….) [verzoeker] . (….).

Beperkingen:

Uw medewerker geeft aan een terugval van klachten te ervaren door niet prive gerelateerde oorzaak. De beperkingen zijn in concentreren en vasthouden van aandacht en energie. Werken onder tijdsdruk. U (de kantonrechter leest: WSD) bent op de hoogte.

Advies:

Contact met elkaar onderhouden.

Prognose verzuimduur:

Nog onbekend.

Planning

Om de situatie opnieuw te beoordelen en te bekijken of terugkeer naar werk mogelijk is, plan ik een spreekuur bij de bedrijfsarts in. (….). "

2.12

In het rapport van 10 november 2014 heeft de bedrijfsarts het volgende aangegeven:

"Huidige stand van zaken

Uw medewerker (….) [verzoeker] heeft medisch gezien benutbare mogelijkheden. (….) [verzoeker] is opnieuw uitgevallen na een eerdere poging dit jaar om er weer helemaal in te komen op het werk. Zoals eerder aan u (de kantonrechter leest: WSD) geadviseerd is het erg raadzaam om hier toch extern hulp bij te roepen, (….) [verzoeker] redt het niet zonder adviezen. Ik adviseerde u reeds eerder de hulp van bedrijfsmaatschappelijk werk in te schakelen, ik doe u nogmaals dit advies. In de huidige situatie is (….) [verzoeker] te beperkt in concentratie en aandacht en is het niet raadzaam het werk te gaan hervatten. Ik doe u een offerte toekomen voor bedrijfsmaatschappelijk werk."

(….)

Prognose einddoel re-integratie

Er is twijfel omtrent het slagen van terugkeer als er niet extern hulp wordt aangeboden. Er is dus reden om een aanvullende aanpak in gang te zetten.

(….)

Doorverwijzen

Bedrijfsmaatschappelijk werk

- mijn advies is om een bedrijfsmaatschappelijk werker in te zetten om versneld herstel in functioneren in het werk te bereiken."

2.13

In het rapport van 1 december 2014 heeft de bedrijfsarts het volgende aangegeven:

"(….) [verzoeker] is nog steeds niet in staat zijn werk te verrichten mede gezien het feit dat er geen verdere actie wordt ondernomen om hem de hulp te bieden die hij nodig heeft. Ik adviseer u (de kantonrechter leest: WSD) nogmaals die hulp te bieden, want zo lukt hem niet zijn werk te hervatten. Indien hulp uitblijft, dan vrees ik nog een lange duur van arbeidsongeschiktheid."

2.14

Op 11 december 2014 heeft [verzoeker] het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht een deskundigenoordeel te geven over de reïntegratieinspanningen van WSD. Naar aanleiding van dit verzoek heeft arbeidsdeskundige E. Oosting op 6 januari 2015 een rapport opgesteld. In dit rapport is het volgende aangegeven:

"3. ARBEIDSKUNDIGE OORDEELSVORMING

3.1

Beoordeling re-integratie-inspanningen

De inspanningen die de werknemer van de werkgever vraagt zijn redelijk, omdat ze dwingend voorgeschreven worden door de bedrijfsarts. De inspanningen van de werkgever zijn onvoldoende geweest.

3.2

Belemmerende factoren en/of aandachtspunten bij onvoldoende inspanningen

De werkgever geeft de volgende argumenten: het kost geld en voegt o.i. niets toe.

Mijns inziens schrijft de bedrijfsarts e.e.a. niet voor niets dwingend voor.

4. CONCLUSIE

De door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen zijn niet voldoende."

2.15

In het rapport van 30 januari 2015 heeft de bedrijfsarts het volgende aangegeven:

"De situatie is onbevredigend gebleven. Helaas is er geen interventie geweest. Het advies van het UWV spreekt voor zich."

2.16

In het rapport van 27 maart 2015 heeft de bedrijfsarts het volgende aangegeven:

"Zoals reeds eerder aan u (de kantonrechter leest: WSD) vermeld: De situatie is onbevredigend gebleven. Helaas is er geen interventie geweest. Het advies van het UWV sprak voor zich.

Ik raadde u nogmaal aan actie te ondernemen om met (….) [verzoeker] tot een oplossing te komen. Er zijn namelijk naar mijn mening geen medische beperkingen die een werkhervatting in de weg staan. Wel andere factoren, maar die liggen niet op medisch gebied. De oorzaak van de klachten is gelegen in het arbeidsprobleem en ik adviseer dan ook om met elkaar in gesprek te gaan om dit op te lossen. Het oplossen van het conflict is een gezamenlijke verantwoordelijkheid en ik adviseer u uiterlijk 07-04 betrokkene weer hersteld te melden.

2.17

Op 30 maart 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en enerzijds en [A en B] anderzijds, namens WSD. In het van dit gesprek gemaakte verslag van

31 maart 2015 is het volgende aangegeven:

"Op onze vraag of u 31.03.2015 uw werk als [functie] weer zal hervatten liet u ons weten dat u daar nog niet aan toe bent. Bij hervatten van werk bij Boldt verwacht u binnen de kortste keren weer terug bij af te zijn. Als oorzaak noemt u het aanwezige arbeidsprobleem, ook wel als conflict aangemerkt in de evaluatiebrief van Arbo Vitale. Volgens u is de oorzaak van dit arbeidsprobleem of conflict gelegen in het al jaren door u zo ervaren negatief gevoerde bedrijfsvoering en zeer negatieve omgang van directie Boldt met medewerkers en mensen in het algemeen. Dat zal volgens u niet veranderen. Op onze vraag waarom u bij deze onvrede dan niet veel eerder voor uzelf gekozen heeft en naar een andere werkgever heeft omgekeken geeft u ons vervolgens geen antwoord. Wij zijn tot slot verbleven dat u ons uiterlijk 7 april 2015 bericht of u wel of niet een toekomst bij Boldt ziet zitten. Gebaseerd daarop zullen wij een mogelijk vervolg overwegen. Ons tafelgesprek evaluerend vinden wij dat u ons onvoldoende redenen gaf om uw werk niet te kunnen hervatten. Wij zien u dan ook graag op dinsdag 7 april 2015 om 08:00 uur verschijnen om uw werkzaamheden te hervatten."

2.18

Bij e-mail van 3 april 2015 heeft de gemachtigde van [verzoeker] WSD voorgesteld om de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en WSD wegens een verstoorde arbeidsrelatie door middel van een vaststellingsovereenkomst te beëindigen, onder in die brief genoemde voorwaarden, teneinde het recht op een werkloosheidsuitkering voor [verzoeker] te waarborgen. Zijdens WSD is niet gereageerd op deze e-mail.

2.19

Bij brief van 7 april 2015 heeft WSD [verzoeker] het volgende laten weten:

"Heden, dinsdag 7 april 2015 om 08:00 uur bent u zonder enige melding of reden niet op uw werk verschenen. Wij beschouwen dit als werkweigering en zullen passende maatregelen treffen."

2.20

Bij e-mail van 9 april 2015 heeft de gemachtigde van [verzoeker] in de richting van

[B] gereageerd op de brief van 7 april 2015 van WSD. Zijdens WSD is niet gereageerd op de e-mail van 9 april 2015.

2.21

Op 3 juni 2015 heeft A.A. van der Meer (hierna verder te noemen: Van der Meer), de accountant van WSD, namens WSD vanwege bedrijfseconomische redenen bij het Uwv voor [verzoeker] een ontslagvergunning aangevraagd. Bij brief van 11 juni 2015 heeft Van der Meer, ter onderbouwing van de ontslagaanvraag, nadere informatie verstrekt aan het Uwv, waaronder een resultatenrekening van WSD over de eerste vier maanden van 2015. In de brief is verder aangegeven dat verliezen van WSD door Systems worden gefinancierd.

2.22

Bij brief van 26 juni 2015 heeft [verzoeker] verweer gevoerd tegen de gevraagde ontslagvergunning en verzocht deze vergunning niet te verlenen.

2.23

WSD heeft tot en met juni 2015 het aan [verzoeker] toekomende salaris voldaan aan [verzoeker] . Vanaf juli 2015 heeft [verzoeker] geen salaris meer ontvangen van WSD.

2.24

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het Uwv aan WSD toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen, nu naar het oordeel van het Uwv de bedrijfseconomische noodzaak om de loonkosten te verlagen en het aantal arbeidsplaatsen te verminderen aannemelijk was. In het besluit, voor zover verder van belang, heeft het Uwv het volgende aangegeven:

"Uit de in het dossier gedane stellingen en overgelegde bijlagen is ons overigens aannemelijk kunnen worden dat werknemer (de kantonrechter leest: [verzoeker] ) u (de kantonrechter leest: WSD) terecht een verwijt lijkt te maken t.a.v. de wijze waarop u invulling heeft gegeven aan uw inspanningsverplichting om tot een adequate re-integratie van werknemer te komen na diens arbeidsongeschiktheid."

2.25

WSD heeft op 17 juli 2015 de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] per

31 december 2015 opgezegd.

Het standpunt van [verzoeker]

3.1

stelt zich op het standpunt dat WSD zich jegens hem niet als een goed werkgever heeft gedragen, omdat WSD zeer nalatig is geweest voor wat betreft het verrichten van reïntegratieinspanningen. WSD heeft telkens de adviezen van de bedrijfsarts om externe hulp en bedrijfsmaatschappelijke werk in te schakelen in de wind geslagen. Daarnaast heeft WSD nimmer inhoudelijk gereageerd op de e-mails van 3 en 9 april 2015. Door deze handelwijze is arbeidsrelatie verstoord, althans is de verstoorde arbeidsrelatie verder geëscaleerd. In verband hiermee dient de arbeidsovereenkomst op een zo kort mogelijke termijn te eindigen, en dus niet pas per 31 december 2015. Van [verzoeker] is van mening dat van hem niet gevergd kan worden dat hij tot laatstgenoemde datum is verbonden aan WSD. Nu duidelijk is dat de verstoring van de arbeidsrelatie in belangrijke mate is te wijten aan WSD is een ontslagvergoeding van € 151.470,00, gebaseerd op een correctiefactor 2, op zijn plaats.

Het standpunt van WSD

4.1

WSD heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling geen schriftelijk verweer gevoerd. Ter zitting heeft WSD, bij monde van [A en B] , het volgende naar voren gebracht. WSD is zich van geen kwaad bewust. Op verzoek van [verzoeker] kreeg hij in

april 2015 een 'time-out'. Vervolgens heeft [verzoeker] zijn huisarts geraadpleegd en heeft de bedrijfsarts zijn medische situatie beoordeeld. WSD was en is op de hoogte van de adviezen van de bedrijfsarts, die er toe strekken om externe hulp in te schakelen bij de reintegratie van [verzoeker] . WSD vertrouwde er echter op dat [verzoeker] zou herstellen, zonder externe hulp. [verzoeker] werd in de periode dat hij gedeeltelijk, voor een paar uur per dag, zijn werk hervatte, na de ziekmelding van 7 april 2014, door WSD goed behandeld. Hij werd volledig ontlast en hij mocht in alle rust een cursus volgen. Het vertrouwen dat [verzoeker] zonder externe hulp zou herstellen, is gebaseerd op de jarenlange relatie die [A en B] hebben met [verzoeker] en hun gevoel over [verzoeker] , een soort 'zesde zintuig', dat het wel goed zou komen. Daarnaast hebben ook de kosten van externe hulp WSD er toe bewogen om de adviezen van de bedrijfsarts niet op te volgen. Nadat [verzoeker] eind september 2014 was hersteld, is hij ongeveer een maand later opnieuw uitgevallen voor zijn werk. Ook toen heeft WSD geen aanleiding gezien om alsnog het advies om externe hulp in te schakelen op te volgen.

De reden hiervoor is dat WSD, gedurende de korte periode tussen de eerste en de tweede uitval van [verzoeker] , niet langer de indruk had dat [verzoeker] er echt "voor wilde gaan", omdat hij tijdens zijn reïntegratie te laat kwam. Bovendien vertelde [verzoeker] opeens dat hij wel eens moeite had gehad met Boonstra senior, de vader van [A en B] . Daar had [verzoeker] het nooit eerder over gehad en daar waren [A en B] (nog steeds) zeer verbolgen over. Bovendien gaf [verzoeker] aan dat hij geen toekomst meer zag bij WSD. WSD wil wel meewerken aan het verzoek van [verzoeker] om het dienstverband eerder te doen eindigen dan per 31 december 2015. WSD is echter van mening dat zij ter zake van een dergelijke, eerdere, beëindiging van het dienstverband geen vergoeding verschuldigd is aan [verzoeker] . WSD beschikt overigens ook niet over voldoende middelen om een vergoeding aan [verzoeker] te betalen. Dit geldt ook voor Systems en FPE, nog daargelaten dat [verzoeker] geen werknemer is van Systems en/of FPE.

De beoordeling van het ontbindingsverzoek

5.1

Bij de beoordeling van het ontbindingsverzoek wordt het volgende vooropgesteld. Met toestemming van het Uwv heeft WSD de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd per 31 december 2015. Deze opzegging heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 december 2015. De arbeidsovereenkomst duurt derhalve voort tot die datum, hetgeen meebrengt dat deze tot die datum nog ontbonden kan worden op de voet van artikel 7:685 BW, indien daartoe grond bestaat. Nu echter de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging nog maar een beperkte looptijd heeft, zal de ontbinding slechts voor die beperkte looptijd effect (kunnen) hebben. Dit brengt mee dat voor de toewijsbaarheid van het ontbindingsverzoek van [verzoeker] bepalend is of sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan 31 december 2015 behoort te eindigen, en dat ook de ontbindingsvergoeding van artikel 7:685 lid 8 BW bepaald moet worden met inachtneming van het uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd met ingang van 31 december 2015, de datum waartegen is opgezegd (vgl. HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9069).

5.2

In zijn e-mail van 3 april 2015 heeft de gemachtigde van [verzoeker] gesteld dat de arbeidsrelatie tussen [verzoeker] en WSD is verstoord door toedoen van WSD. Ook in het ontbindingsverzoek, alsmede ter zitting, heeft de gemachtigde van [verzoeker] zich in die zin uitgelaten. WSD heeft de stelling dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie op zich zelf niet weersproken. WSD heeft aangegeven dat zij wil meewerken aan het verzoek van [verzoeker] om het dienstverband te doen beëindigen per een eerdere datum dan per 31 december 2015. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat het vertrouwen van partijen in elkaar over en weer kennelijk dusdanig gering is, dat in redelijkheid niet te verwachten valt dat partijen tot 31 december 2015 op een behoorlijke en vruchtbare wijze kunnen samenwerken. Daarmee is sprake van een verandering in de omstandigheden die ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn rechtvaardigt, waardoor het dienstverband eerder eindigt dan 31 december 2015. Het daartoe strekkende verzoek is dan ook toewijsbaar.

5.3

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of aan [verzoeker] ter gelegenheid van de ontbinding, per een eerdere datum dan de datum waartegen het dienstverband is opgezegd, een vergoeding dient te worden toegekend. In dat verband is van belang aan wie van partijen het ontstaan van de verandering van omstandigheden (in overwegende mate) te verwijten valt. Daaromtrent oordeelt de kantonrechter als volgt.

5.4

De kantonrechter stelt voorop dat van een goed werkgever (artikel 7:611 BW) verwacht mag worden dat hij deskundige adviezen van haar bedrijfsarts ter zake haar werknemers opvolgt dan wel, indien de werkgever dergelijke adviezen naast zich neer wenst te leggen, dat zij voor een dergelijke beslissing goede gronden aandraagt. Naar aanleiding van de ziekmelding van [verzoeker] op 7 april 2014 en zijn ziekmelding later dat jaar, op 24 oktober 2014, heeft de bedrijfsarts in totaal tien rapporten opgesteld. Reeds in het eerste rapport van 9 mei 2014 heeft de bedrijfsarts WSD geadviseerd externe hulp in te schakelen die [verzoeker] kan ondersteunen bij zijn reïntegratie en de bedrijfsarts heeft dat advies in ieder daarop volgend rapport op steeds indringendere wijze herhaald. WSD heeft dit advies telkenmale in de wind geslagen. Ook toen [verzoeker] in oktober 2014 opnieuw uitviel, de bedrijfsarts zijn advies over externe hulp (nog maar eens) herhaalde en het deskundigenoordeel duidelijk negatief was over de weigering van WSD om de adviezen van de bedrijfsarts op te volgen, gaf WSD geen gevolg aan deze adviezen. Ter zitting hebben [A en B] toegelicht dat hun beslissing om het advies van de bedrijfsarts om externe hulp in te schakelen niet op te volgen een gevoelskwestie is en dat zij zich bij het nemen van deze beslissing hebben laten leiden door "een zesde zintuig". Dit is vanzelfsprekend volstrekt onvoldoende om te kunnen rechtvaardigen dat WSD - in de persoon van haar directie [A en B] , die op het terrein van medische zaken en reïntegratie hebben te gelden als leken - de adviezen van de bedrijfsarts, die vanzelfsprekend wel als een deskundige moet worden aangemerkt, mochten negeren. De stelling dat WSD over onvoldoende financiele middelen beschikt(e) om de kosten van externe hulp te kunnen betalen, rechtvaardigt evenmin de beslissing om de adviezen niet op te volgen. [A en B] zijn immers als feitelijke werkgevers van [verzoeker] gehouden om mee te werken aan zijn herstel en een terugkeer naar de eigen werkplek. Hierbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat WSD ook niet met de bedrijfsarts in overleg is getreden over een alternatieve, goedkopere, vorm van hulp, nog daargelaten dat door WSD niet is toegelicht hoe hoog de kosten van het voorstel van de bedrijfsarts waren, zodat over de redelijkheid van die afweging reeds om die reden geen oordeel ten voordele van WSD kan worden geveld. Gelet op het voorgaande, kan de kantonrechter niet anders dan concluderen dat WSD - door de opstelling en handelwijze van haar directeuren [A en B] - in ernstige mate haar reïntegratieverplichtingen heeft geschonden. Onder deze omstandigheden kan het [verzoeker] niet kwalijk worden genomen dat hij zich in het gesprek op 30 maart 3015 tegenover [A en B] in negatieve zin heeft uitgelaten over zijn toekomst bij WSD. Deze uitlatingen heeft WSD derhalve niet in stelling mogen brengen ter rechtvaardiging van haar beslissing om in het geheel maar af te zien van het inschakelen van externe hulp, onder het mom " [verzoeker] heeft nu toch geen vertrouwen meer in een toekomst bij WSD". De kantonrechter leidt uit de verschillende rapporten van de bedrijfsarts af dat vanwege de beslissing van WSD om geen externe hulp in te schakelen, een terugkeer van [verzoeker] bij WSD steeds verder uit beeld is geraakt. Het niet reageren op de e-mails van 3 en 9 april 2015 van de gemachtigde van [verzoeker] , het sommeren van [verzoeker] om op 7 april 2015 om 08.00 uur op kantoor te verschijnen, terwijl het voor WSD duidelijk had moeten zijn dat [verzoeker] niet nog klaar was om zijn werkzaamheden volledig te hervatten, het beschuldigen van [verzoeker] van werkweigering en het staken van de salarisbetaling vanaf juli 2015 hebben de verstoring van de arbeidsrelatie verder (nodeloos) doen escaleren. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat WSD een zeer ernstig verwijt gemaakt moet worden terzake de verstoorde arbeidsrelatie. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] op dit punt enig verwijt kan worden gemaakt. Hij is weliswaar op 7 april 2015 niet op kantoor verschenen, maar dit kan, zoals hiervoor is overwogen, [verzoeker] in de gegeven omstandigheden niet worden verweten.

5.5

Gelet op al het vorenoverwogene, in onderlinge samenhang beschouwd en bezien, is de kantonrechter van oordeel dat met toepassing van een correctiefactor van 1,5 een vergoeding van (afgerond) bruto € 115.000,00 op zijn plaats is. Een vergoeding van die omvang doet naar het oordeel van de kantonrechter recht aan de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van WSD. Bij de beoordeling van de hoogte van de vergoeding heeft de kantonrechter betrokken dat WSD heeft te gelden als een kleine werkgever.

5.6

Ter zitting hebben [A en B] aangevoerd dat WSD niet beschikt over de financiële middelen om aan [verzoeker] enige vergoeding te betalen. De kantonrechter verwerpt dit "habe nichts-verweer" en overweegt daartoe als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, zijn WSD en FPE voor 100% dochters van Systems en vormen [A en B] de directie van zowel WSD alsook Systems. Daarnaast zijn [A en B] werknemers van FPE. Verder is [B] werknemer van WSD. Voorts zijn WSD, FPE en Systems gevestigd op hetzelfde adres, in hetzelfde gebouw. Weliswaar zijn de werkzaamheden van WSD en FPE van elkaar gescheiden, maar in voorkomende gevallen verricht een werknemer van WSD werkzaamheden voor FPE en/of verricht een werknemer van FPE werkzaamheden voor WSD. [verzoeker] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij als [functie], in dienst van WSD, ook werkzaamheden heeft verricht voor FPE. [A en B] hebben in reactie hierop gesteld dat in een dergelijk geval WSD een factuur stuurt aan FPE of vice versa. Dit doet naar het oordeel van de kantonrechter evenwel niets af aan de kennelijke feitelijke samenhang en verwevenheid van de betreffende vennootschappen. Tegen deze achtergrond moeten WSD, FPE en Systems voor wat betreft de beoordeling van het "habe nichts-verweer" naar het oordeel van de kantonrechter als één geheel worden beschouwd. In het kader van de ontslagprocedure bij het Uwv heeft de accountant van WSD aan de hand van de resultatenrekening over de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 (tot april) uiteengezet dat de financiële situatie van WSD niet rooskleurig is. Onder meer op basis van deze gegevens heeft het Uwv besloten de gevraagde ontslagvergunning te verlenen. Ter zitting hebben [A en B] gesteld dat FPE en Systems alleen maar schulden hebben en, zo begrijpt de kantonrechter deze stelling, evenmin over financiële middelen beschikken om enige vergoeding aan [verzoeker] te betalen. Anders dan ten aanzien van WSD, hebben [A en B] deze stelling echter niet met gegevens gestaafd. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat WSD, via PFE en/of Systems, niet beschikt over de financiële middelen om een ontslagvergoeding te betalen aan [verzoeker] .

5.7

Aan [verzoeker] dient een termijn te worden gegund om het verzoek in te trekken.

5.8

De kantonrechter acht termen aanwezig om WSD te veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel bij intrekking als bij handhaving van het verzoek, gelet op het ernstige verwijt dat WSD gemaakt wordt voor de verandering van omstandigheden die nopen dat de arbeidsrelatie met [verzoeker] nog eerder dan per 31 december 2015 moet worden beëindigd. De kantonrechter stelt de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] vast op € 528,00, waarvan

€ 78,00 aan griffierecht en € 450,00 aan salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

6.1

ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van

1 oktober 2015 tenzij het ontbindingsverzoek vóór na te noemen datum wordt

ingetrokken;

6.2

kent aan [verzoeker] ten laste van WSD ter gelegenheid van voornoemde ontbinding

een vergoeding toe ten bedrage van bruto € 115.000,00;

6.3

bepaalt dat [verzoeker] tot uiterlijk 25 september 2015 het ontbindingsverzoek kan intrekken;

6.4

veroordeelt WSD in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker] tot een bedrag van

€ 528,00, door WSD aan [verzoeker] te voldoen, zowel bij intrekking als bij handhaving van het ontbindingsverzoek.

Aldus gegeven te Leeuwarden en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2015 door

mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier.

c 467