Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4746

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-09-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
18.730298-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak 6 WVW 1994. Veroordeling 5 WVW 1994. Verdachte is met een kraan/graafmachine in aanrijding gekomen met een in een flauwe bocht voor hem rijdende fietser, die hierdoor is overleden. Geen aanmerkelijke schuld ten aanzien van het ongeval, wel gevaar op de weg veroorzaakt. Verdachte had in de gegeven omstandigheden langzamer moeten rijden, zodat hij beter in de gelegenheid was andere weggebruikers tijdig op te merken en daarop te anticiperen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 5, 177
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730298-14

verkort vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

15 december 2014 en 3 september 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J. Sjoer, advocaat te Ede.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 maart 2014 te [pleegplaats] , gemeente De Friese Meren,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig

(graafmachine of kraan), daarmede rijdende over de weg, [straatnaam] ,

gaande in de richting van het centrum van [pleegplaats] , zich zodanig heeft gedragen

dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend,

-terwijl verdachte door de omvang/bouw/inrichting van het motorrijtuig deels

geen en/of verminderd zicht om het motorrijtuig heen had en/of het uitzicht

voor verdachte naar voren werd beperkt door diverse onderdelen van het

motorrijtuig, te weten een deel van de giek en/of op of aan de giek

gemonteerde palletlepels en/of de voorste rechter raamstijl van de cabine,-

bij het naderen en/of het passeren van een op de rijbaan van genoemde weg in

dezelfde richting als verdachte rijdende fietsster, in plaats van die

fietsster tijdig op te merken en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken voor

en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met

die fietsster, tegen die fietsster en/of haar fiets aan te rijden en/of te

botsen,

waardoor die fietsster (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 27 maart 2014 te [pleegplaats] , gemeente De Friese Meren,

als bestuurder van een voertuig (graafmachine of kraan), daarmee rijdende op

de weg, [straatnaam] , gaande in de richting van het centrum van [pleegplaats] ,

- terwijl verdachte door de omvang/bouw/inrichting van het voertuig deels geen

en/of verminderd zicht om het voertuig heen had en/of het uitzicht voor

verdachte naar voren werd beperkt door diverse onderdelen van het voertuig, te

weten een deel van de giek en/of op of aan de giek gemonteerde palletlepels

en/of de voorste rechter raamstijl van de cabine,

- bij het naderen en/of het passeren van een op de rijbaan van genoemde weg in

dezelfde richting als verdachte rijdende fietsster, in plaats van die

fietsster tijdig op te merken en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken voor

en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met

die fietsster, tegen die fietsster en/of haar fiets is aangereden of gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans

worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon

worden gehinderd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde;

- oplegging van een geldboete van € 500,00, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

Beoordeling van het bewijs

Verdachte wordt primair -kort gezegd- verweten dat hij zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan een ander om het leven is gekomen. Subsidiair is -kort gezegd- ten laste gelegd dat verdachte door zijn wijze van rijden gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat een vrijspraak dient te volgen van het primair ten laste gelegde feit. De officier van justitie acht echter, in tegenstelling tot de raadsman, het subsidiair ten laste gelegde feit te bewijzen.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte heeft op 27 maart 2014 met een kraan/graafmachine over [straatnaam] te [pleegplaats] gereden. Op die weg is hij, omstreeks 16.13 uur, in aanrijding gekomen met een fietsster. De fietsster is op 5 april 2014 aan de gevolgen van dit ongeval overleden.

Verdachte bestuurde een kraan/graafmachine die voorzien was van een zogenaamde tweedelige boom (giek). Aan het laatste gedeelte van die boom was een uitrustingsstuk in de vorm van twee palletlepels gemonteerd. De weg waarop verdachte reed was ongeveer

6,2 meter breed, was gelegen binnen de bebouwde kom en was bestemd voor verschillende verkeersdeelnemers, waaronder fietsers. Voor motorvoertuigen bedroeg de ter plaatse toegestane maximumsnelheid 30 kilometer per uur. Verdachte reed, net als het slachtoffer, aan de rechterzijde van de weg met een snelheid van ongeveer 30 kilometer per uur. De ongevalslocatie bevond zich aan het einde van een flauwe bocht naar rechts. Door de combinatie van de giek, de palletlepels en de raamstijl (A-stijl) was er bij verdachte die zich in de kraan bevond sprake van beperkt zicht naar rechts. Uit de reconstructie is gebleken dat het zicht vanuit de graafmachine/kraan in de flauwe bocht naar rechts slecht was.

Verdachte heeft verklaard dat hij de fietsster pas heeft gezien op een moment dat hij niet meer kon uitwijken. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij er pas nadien achter is gekomen dat in de flauwe bocht naar rechts sprake was van een dode hoek achter de giek. Op het moment dat hij de fietsster waarnam, kon hij zijn voertuig niet meer tot stilstand brengen.

Uit bestendige rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het voor het vaststellen van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van een aanmerkelijke schuld ten aanzien van het ongeval. Weliswaar worden aan een bestuurder van een zwaar voertuig, zoals een graafmachine/kraan, hogere eisen van oplettendheid gesteld, echter in het onderhavige geval is gebleken dat de fietsster in de betreffende flauwe bocht voor de bestuurder van het voertuig niet of hoogstens zeer kort zichtbaar is geweest. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de reconstructie is gebleken dat de fietsster zelfs bij een zeer actieve zithouding, waarbij veelvuldige hoofdbewegingen worden gemaakt om het zicht te vergroten, niet of zeer beperkt zichtbaar moet zijn geweest.

Gelet hierop acht de rechtbank onvoldoende bewijs aanwezig om te komen tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde roekeloos, zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/onoplettend handelen door verdachte. Van schuld, als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, een aanmerkelijke mate van verwijtbaar onvoorzichtig handelen, is daarom naar het oordeel van de rechtbank onder deze specifieke omstandigheden geen sprake. Verdachte wordt daarom van het hem primair ten laste gelegde feit vrijgesproken.

Voor het subsidiair ten laste gelegde feit, het veroorzaken van gevaar op de weg, acht de rechtbank wel voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Verdachte heeft met een zwaar voertuig, te weten een kraan/graafmachine, waarbij sprake was van beperkt zicht, gevaar op de weg veroorzaakt door tegen een fietsster aan te rijden die in dezelfde richting reed. De fietsster is ten gevolge van de aanrijding overleden. Volgens vaste rechtspraak dient hij die zich in het verkeer van gevaar bewust behoort te zijn, zichzelf in de gelegenheid te stellen dat dit gevaar zich niet voordoet. Een bestuurder van een kraan/graafmachine kan zich er niet met recht op beroepen dat hij slechts verplicht was het voor hem zichtbare verkeer in het oog te houden en dat hem er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij zich niet de gelegenheid heeft verschaft een fietser waar te nemen die voor hem niet waarneembaar was (vgl. HR NJ 2005, 435). Zoals hiervoor is overwogen was door de combinatie van de giek, de palletlepels en de raamstijl (A-stijl) er bij verdachte, die zich in de kraan bevond, sprake van beperkt zicht naar rechts en is uit de reconstructie gebleken dat het zicht vanuit de graafmachine/kraan in de flauwe bocht naar rechts slecht was. Gelet op de inrichting van de binnen de bebouwde kom gelegen weg en het tijdstip van de dag, 16.13 uur, was het te verwachten dat zich aldaar kwetsbare medeweggebruikers zoals fietsers zouden bevinden. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder dergelijke omstandigheden langzamer had moeten rijden dan de maximaal toegestane snelheid van 30 kilometer per uur, zodat hij beter in de gelegenheid was om andere weggebruikers tijdig op te merken en daarop te anticiperen. Gelet daarop kan niet gezegd worden dat verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het ongeval.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 27 maart 2014 te [pleegplaats] , gemeente De Friese Meren, als bestuurder van een voertuig (graafmachine of kraan), daarmee rijdende op de weg, [straatnaam] , gaande in de richting van het centrum van [pleegplaats] ,

- terwijl verdachte door de omvang/bouw/inrichting van het voertuig verminderd zicht om het voertuig heen had en het uitzicht voor verdachte naar voren werd beperkt door diverse onderdelen van het voertuig, te weten een deel van de giek en aan de giek gemonteerde palletlepels en de voorste rechter raamstijl van de cabine,

- bij het naderen van een op de rijbaan van genoemde weg in dezelfde richting als verdachte rijdende fietsster, in plaats van die fietsster tijdig op te merken en tijdig en voldoende uit te wijken voor en voldoende afstand te bewaren tot en voldoende rekening te houden met

die fietsster, tegen die fietsster en haar fiets is aangereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Subsidiair: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft bepleit dat geen sprake is geweest van enige vorm van verwijtbaarheid bij verdachte, nu verdachte zich niet bewust is geweest van het beperkte zicht in de flauwe bocht en de fietsster ondanks een actieve zithouding niet zichtbaar is geweest. De rechtbank merkt dit verweer aan als een beroep op afwezigheid van alle schuld.

Zoals hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt van het ongeval, zodat het verweer wordt verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is als bestuurder van een kraan/graafmachine in aanrijding gekomen met een in een flauwe bocht voor hem rijdende fietsster, die als gevolg van de aanrijding is overleden.

Verdachte is zich goed bewust van het onherstelbare leed dat door de dood van [slachtoffer]

is veroorzaakt, en voelt zich schuldig naar het slachtoffer en de nabestaanden toe. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat het ongeval een grote impact op verdachte heeft gehad en nog steeds heeft.

Alles afwegend en gelet op de gebruikelijke afdoening in zaken waarin sprake is van een overtreding in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994, zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie aan verdachte een geldboete van € 500,00 opleggen. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat zij hiermee geenszins wil afdoen aan het ernstige leed dat door het ongeval aan het slachtoffer en de nabestaanden is toegebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. L.G. Wijma en

mr. E.G.C. Groenendaal, rechters, bijgestaan door mr. A. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2015.

Mr. Groenendaal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Sikkema

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Wijma

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Dijkstra

locatie Leeuwarden,