Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4736

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5469
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:6958, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV. X heeft de grenzen der redelijkheid niet overschreden door de etikettering van het woonhuis als ondernemingsvermogen na de beëindiging van de veehouderij, voort te zetten bij de exploitatie van de vakantieboerderij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/122
FutD 2016-0128
NTFR 2016/733 met annotatie van Daal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/5469

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 oktober 2015 in de zaak tussen

[eisers] , te [vestigingsplaats] , eisers

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2010 met dagtekening 14 maart 2014 aan [X] ( [X] ) een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 249.151 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.898. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 5.343 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 19 november 2014 heeft verweerder het bezwaar van [X] gegrond verklaard. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak op bezwaar bij beschikking van 10 december 2014 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 236.603 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.898. De heffingsrente heeft verweerder overeenkomstig verminderd tot € 5.040.

Eisers hebben tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2015. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

[X] , geboren op [dag/maand] 1941 en overleden op [dag/maand] 2014, heeft omstreeks 1963/1964 een boerderij met woonhuis, gelegen aan de [a-weg #] te [B] , overgenomen met het doel de boerderij te gebruiken voor de uitoefening van een veehouderij. In 1965 is het toenmalige woonhuis afgebroken en is op dezelfde plaats een nieuw, bijna identiek, woonhuis tegen de bestaande schuur aangebouwd. Eiser heeft dit woonhuis, tezamen met zijn echtgenote, tot aan zijn overlijden bewoond.

1.2.

In 1971 is [X] , naast de veehouderij, gestart met de exploitatie van een vakantieboerderij. In 1988 heeft [X] de veehouderij beëindigd. De exploitatie van de vakantieboerderij heeft hij voortgezet.

1.3.

De benedenverdieping van het woonhuis bestond uit een woonkamer, hal, eetkeuken, sluis/spoelruimte en toiletruimte. De ruimte achter de sluis/spoelruimte (bedrijfsruimte) was in de jaren 1971 tot en met 1987 in gebruik als veehouderij en vakantieboerderij. In 1988 is de bedrijfsruimte geheel verbouwd tot een vakantieboerderij. In de sluis/spoelruimte zit een tussendeur naar de vakantieboerderij. Het bedrijfsgedeelte heeft een eigen ingang en afzonderlijke energiemeters. In het jaar 2000 is een ruimte, die in gebruik was bij de broer van [X] , bij de eetkeuken betrokken.

1.4.

De gasten voor de vakantieboerderij meldden zich bij aankomst bij de voordeur van het woonhuis. De inschrijving van de gasten vond plaats in het woonhuis. [X] en zijn echtgenote maakte de bedrijfsruimte, waarin de gasten verbleven, schoon. In het bedrijfsgedeelte was geen wasmachineruimte aanwezig.

1.5.

De boerderij met woonhuis is sinds 1963/1964 in de jaarstukken steeds als ondernemingsvermogen geëtiketteerd.

1.6.

Zowel in het jaar 2000 (naar aanleiding van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001) als in het jaar 2006 heeft verweerder [X] de mogelijkheid geboden om de bij 1.5 bedoelde etikettering voor wat betreft het woonhuis te herzien. [X'] toenmalige gemachtigde heeft destijds uitdrukkelijk meegedeeld dat [X] het woonhuis tot zijn ondernemingsvermogen wenste te blijven rekenen.

1.7.

Op 15 september 2010 heeft verweerder bij [X] een boekenonderzoek ingesteld. In het hiervan opgemaakte controlerapport heeft verweerder meegedeeld dat hij de vakantieboerderij (verhuur van de groepsaccommodatie) wegens jarenlange negatieve resultaten met ingang van 1 januari 2011 voor de IB/PVV niet meer als een bron van inkomen zal aanmerken. Dit brengt volgens verweerder mee dat per 31 december 2010 moet worden afgerekend over de stille reserves van de onderneming.

1.8.

Bij brief van 4 oktober 2011 heeft [X'] gemachtigde verweerder in reactie op het controlerapport meegedeeld dat hij van mening is dat de vakantieboerderij ook ná 1 januari 2011 nog steeds een bron van inkomen vormt. Daarnaast heeft [X'] gemachtigde meegedeeld dat het woonhuis vanaf de aankoop verplicht privévermogen was en daarom in de jaarstukken steeds onjuist is geëtiketteerd. Tot slot geeft hij aan dat met toepassing van de foutenleer deze onjuiste etikettering dient te worden hersteld in het laatste openstaande jaar.

1.9.

[X'] gemachtigde heeft op basis van de bij 1.8 vermelde standpunten aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 gedaan. In het kader van de foutenleer heeft [X'] gemachtigde het woonhuis tegen de kostprijs naar het privévermogen overgebracht en de in het woonhuis aanwezige stille reserve ter grootte van de in de loop der jaren op het woonhuis gepleegde afschrijvingen in de winst voor het jaar 2010 begrepen. Deze stille reserve bedroeg volgens [X'] gemachtigde € 29.490.

1.10.

Verweerder heeft aan [X] een aanslag IB/PVV voor het jaar 2010 opgelegd, waarbij hij bij het bepalen van [X'] winst uit onderneming, in afwijking van [X'] aangifte, is uitgegaan van zijn bij 1.7 vermelde standpunt. Verweerder heeft de stakingswinst, bestaande uit de in de boerderij met woonhuis aanwezige stille reserve, als volgt berekend:

Waarde boerderij met woonhuis volgens taxatie

350.000

Waarde woongedeelte volgens aangifte

79.000

-/-

271.000

Waarde bewoond woongedeelte 69% van € 79.000

54.510

325.510

Boekwaarde

52.698

-/-

Boekwinst boerderij met woonhuis

272.812

1.11.

Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder vastgehouden aan zijn bij 1.7 vermelde standpunt. De stakingswinst heeft verweerder nader vastgesteld op:

Waarde boerderij met woonhuis volgens taxatie

350.000

Waarde woongedeelte volgens aangifte

125.000

-/-

225.000

Waarde bewoond woongedeelte 69% van € 125.000

86.250

311.250

Boekwaarde

52.698

-/-

Boekwinst boerderij met woonhuis

258.552

Geschil en beoordeling

2.1

Zoals ter zitting is besproken, is uitsluitend in geschil het antwoord op de vraag of het woonhuis vanaf 1988, na de beëindiging van de veehouderij, verplicht privévermogen was.

2.2

Luidt het antwoord op de bij 2.1 vermelde vraag bevestigend, dan dient, zoals partijen ter zitting hebben verklaard, het woonhuis door toepassing van de foutenleer met ingang van het jaar 2010 naar [X'] privévermogen te worden overgebracht, waarbij de in de voorgaande jaren in aanmerking genomen afschrijvingskosten tot een bedrag van € 38.750 tot de winst van het jaar 2010 dienen te worden gerekend. Bij de staking van de onderneming in 2010 behoeft dan niet te worden afgerekend over de in het woonhuis aanwezige stille reserve.

2.3

Bij een ontkennend antwoord op de bij 2.1 vermelde vraag, dient, zoals volgt uit het verhandelde ter zitting, de stakingswinst overeenkomstig de bij 1.11 vermelde berekening te worden gehandhaafd.

3.1

Eisers beantwoorden de bij 2.1 vermelde vraag bevestigend. Ter zitting hebben zij gesteld dat vanaf de overname in 1963/1964 en na de nieuwbouw in 1965 sprake was van zogenaamd keuzevermogen en dat [X] toentertijd gekozen heeft voor ondernemingsvermogen. In ieder geval vanaf 1988, na de beëindiging van de veehouderij, was het woonhuis volgens eisers echter op geen enkele wijze dienstbaar aan de onderneming (de exploitatie van de vakantieboerderij). Eisers wijzen er hierbij op dat het woonhuis kan worden gesplitst van het bedrijfsgedeelte. Er werd nimmer gebruik gemaakt van de in de sluis/spoelruimte aanwezige tussendeur naar de vakantieboerderij. Dat het woonhuis toevallig grenst aan het bedrijfsgedeelte, rechtvaardigt volgens eisers op zichzelf niet de conclusie dat het woonhuis keuzevermogen zou zijn. Het woonhuis had net zo goed elders kunnen staan. Bij het schoonmaken van de bedrijfsruimte vervulde het woonhuis geen enkele functie. Bij het schoonmaken werd altijd de reguliere buitendeur gebruikt om het bedrijfsgedeelte te betreden. Ook een extern bedrijf had deze schoonmaakwerkzaamheden kunnen verrichten. Dit geldt ook voor de overige ter plekke voorkomende werkzaamheden die [X] en zijn echtgenote zouden hebben verricht. Nu de locatie was ingericht en bedoeld voor groepen schoolkinderen met eigen begeleiders c.q. toezichthouders behoefden [X] en zijn echtgenote zelf geen toezicht te houden.

3.2

Verweerders antwoord op de bij 2.1 vermelde vraag luidt ontkennend. Hij stelt dat het woonhuis dienstbaar was aan de onderneming. Hij wijst er hierbij op dat de gasten voor de vakantieboerderij zich bij aankomst meldden bij de voordeur van het woonhuis en dat de inschrijving van de gasten in het woonhuis plaatsvond. Dat met de groepen schoolkinderen eigen begeleiders c.q. toezichthouders meekwamen, laat volgens verweerder onverlet dat [X] zelf ook toezicht hield op het gebruik door de gasten van zijn bedrijfsruimte. De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) stelt volgens verweerder het houden van toezicht verplicht. Verweerder acht het onlogisch dat [X] en zijn echtgenote bij het schoonmaken van de bedrijfsruimte geen gebruik maakten van de in de sluis/spoelruimte aanwezige tussendeur naar de vakantieboerderij. Verweerder wijst er verder op dat, nu in het bedrijfsgedeelte geen wasmachine aanwezig was, aangenomen moet worden dat het bedlinnen werd gewassen in de in het woonhuis aanwezige wasmachine.

4. De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een onroerende zaak deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een belastingplichtige is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uitdrukking is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn overschreden (vergelijk Hoge Raad 20 juni 1962, nr. 14819, ECLI:NL:HR:1962AX8064, en Hoge Raad 13 juli 2007, nr. 42 698, ELCI:NL:HR:2007:AZ2817). Een belastingplichtige overschrijdt de grenzen der redelijkheid door een gedeelte van een juridisch niet in appartementsrechten gesplitst pand tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, indien dat gedeelte zelfstandig rendabel is te maken en vast staat dat het door de belastingplichtige uitsluitend ter voorziening in zijn woonbehoefte zal worden gebruikt en dat het niet op enigerlei wijze dienstbaar zal zijn aan de onderneming (zie Hoge Raad 17 september 2010, nr. 09/00332, ECLI:NL:HR:2010:BL7968).

5. In [X'] boekhouding is sinds 1963/1964, ook na de nieuwbouw in 1965 en na de beëindiging van de veehouderij in 1988, steeds tot uiting gebracht dat hij de boerderij met woonhuis wenste te etiketteren als ondernemingsvermogen (zie 1.5). De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet meer in geschil is dat het woonhuis in 1963/1964 als ook na de nieuwbouw in 1965 tot in ieder geval het jaar 1988 behoorde tot het keuzevermogen. Het stond [X] daarom vrij om het woonhuis in deze jaren tot het ondernemingsvermogen te (blijven) rekenen. Nu eisers stellen dat deze etikettering vanaf 1988 niet meer juist was, dragen zij naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder, de bewijslast van deze stelling (zie HR 13 maart 2015, nr. 14/02141, ECLI:NL:HR:2015:557).

6. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde alsnog het standpunt van eisers gedeeld dat het woonhuis (fysiek gezien) van het bedrijfsgedeelte kan worden gesplitst. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit gezamenlijke standpunt af te wijken. Verweerder heeft gemotiveerd gesteld dat het woonhuis desondanks vanaf 1988 geen verplicht privévermogen was, omdat het woonhuis volgens verweerder dienstbaar was aan de onderneming gezien de exploitatie van de vakantieboerderij. Tegenover hetgeen verweerder als onderbouwing van deze stelling heeft aangedragen (zie bij 3.2) hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat het woonhuis niet meer op enigerlei wijze dienstbaar was aan de onderneming. De rechtbank wijst eisers er hierbij op dat, ook al zou er veronderstellende wijs vanuit moeten worden gegaan dat de in de sluis/spoelruimte aanwezige tussendeur naar de vakantieboerderij nimmer werd gebruikt, er dan nog op grond van de door verweerder overigens aangedragen feiten en omstandigheden, zoals met name het feit dat de gasten zich bij aankomst bij het woonhuis meldden en de omstandigheid dat het ondenkbaar zou zijn dat [X] geen enkel toezicht uitoefende mede gelet op de uit de APV voortvloeiende verplichting daartoe, voldoende aanleiding bestaat voor het oordeel dat het woonhuis dienstbaar was aan de onderneming. Gelet op de bij 4 vermelde rechtspraak, kan daarom niet worden geoordeeld dat [X] de grenzen der redelijkheid heeft overschreden door de etikettering van het woonhuis als ondernemingsvermogen vanaf 1988, dat is na de beëindiging van de veehouderij, voort te zetten. Van verplicht privévermogen is dus vanaf 1988 geen sprake, zodat de bij 3.1 vermelde beroepsgrond van eisers faalt.

7. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking heffingsrente.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. M. Chin-Oldenziel, leden, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2015.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

fn 17