Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4617

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
18.850038-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft vandaag een groep van vijf mannen veroordeeld tot gevangenisstraffen van tussen 4 en 24 maanden.

Tussen oktober 2014 en mei 2015 heeft deze groep in wisselende samenstelling verschillende bedrijfsinbraken gepleegd, waarbij met name geld uit kluizen is buitgemaakt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850038-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 augustus 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 8 maart 2015 te [pleegplaats 1] , (althans) in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres 1] aldaar) weg te nemen een kluis en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en/of die/dat weg te nemen kluis en/of geld, althans die/dat goed(eren), onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, opzettelijk:

- zich naar voornoemd pand heeft begeven en/of

- op het dak van voornoemd pand is geklommen en/of (aldaar) een (dak)raam heeft verbroken en/of

- voornoemd pand (door dat (dak)raam) is binnengegaan en/of

- in (het kantoor van) voornoemd pand forcerende en/of brekende handeling(en) heeft verricht om voornoemde kluis te verwijderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 januari 2015 tot en met 16 april 2015, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats 2] , (althans) in de gemeente Groningen, (meermalen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit nader te noemen (winkel)pand(en) heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) sigaretten en/of een postpakket (inhoudende een blouse, merk Vero Moda), in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten:

- op of omstreeks 13 januari 2015, in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de [straat 1] aldaar) een hoeveelheid sigaretten (ter waarde van 3300,25 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 2] en/of een postpakket (inhoudende een blouse, merk Vero Moda), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (zie proces-verbaal zaak 101) en/of

- op of omstreeks 18 maart 2015, in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de [straat 2] aldaar), een (grote) hoeveelheid sigaretten (ter waarde van 4004,39 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf [bedrijfsnaam 3] (zie proces-verbaal zaak 11) en/of

- op of omstreeks 16 april 2015, in/uit een (winkel)pand (gelegen aan de [adres 2] aldaar) een (grote) hoeveelheid sigaretten (ter waarde van 3050,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het (winkel)bedrijf [bedrijfsnaam 3] (zie proces-verbaal zaak 12);

3.

hij in of omstreeks de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2015 te [pleegplaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een pand (gelegen aan de [adres 3] aldaar) heeft weggenomen een hoeveelheid geld en/of een (aantal) horloge(s) en/of een (aantal) playstation(s) en/of een televisie en/of kleding en/of een tondeuse en/of een stijltang, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2015 tot en met 19 mei 2015 te [pleegplaats 3] , in de gemeente Grootegast, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand (gelegen aan de [straat 3] aldaar) heeft weggenomen, een hoeveelheid (klein)geld (te weten (in totaal) ongeveer 750 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam 5] en/of gemeente Grootegast, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn/ hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

5.

hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2015 tot en met 16 april 2015, op diverse data, te [pleegplaats 2] , (althans) in de gemeente Groningen, (meermalen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (aantal) nader te noemen auto('s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming, te weten:

- in of omstreeks de periode van 12 januari 2015 tot en met 13 januari 2015, een (personen)auto (merk Ford Fiesta, [kenteken 1] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] (zie proces-verbaal zaak 101) en/of

- in of omstreeks de periode van 17 maart 2015 tot en met 18 maart 2015, een (personen)auto (merk Ford Escort, [kenteken 2] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] (zie proces-verbaal zaak 11) en/of

- op of omstreeks 16 april 2015, een (personen) auto (merk Ford Escort, [kenteken 3] ), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] .

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van feit 3 heeft hij in het bijzonder aangevoerd dat uit het dossier niet is gebleken dat de inbraak in scène is gezet.

Met betrekking tot feiten 2 en 5 heeft de officier van justitie aangevoerd dat er specifieke overeenkomsten zijn tussen de gepleegde feiten en dat in woningen waar verdachte regelmatig verbleef aanwijzingen zijn aangetroffen voor diens betrokkenheid bij twee van de drie ramkraken. Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd leveren, met gebruikmaking van schakelbewijs, het bewijs voor de drie raamkraken en drie autodiefstallen onder feit 2 respectievelijk feit 5 op.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het onder 1. en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen, nu deze feiten door verdachte worden erkend.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de onder 2., 3. en 5 ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot feit 3 heeft zij aangevoerd dat het bestanddeel 'wederrechtelijke toe-eigening' niet kan worden bewezen, nu er aanwijzingen zijn dat de eigenaar van de kapsalon de inbraak in scène heeft gezet.

Ten aanzien van het onder 2. en 5. ten laste gelegde heeft de raadsvrouw gesteld dat er geen direct bewijs is, waaruit blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de winkelinbraken en de daarvoor gepleegde autodiefstallen.

Beoordeling van het bewijs

Feit 3:

Ten aanzien van feit 3 overweegt de rechtbank als volgt

In de nacht van 28 op 29 april 2015 zijn goederen weggenomen uit [bedrijfsnaam 4] te [pleegplaats 2] . Verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij bij dit voorval betrokken waren. [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat voornoemd gebeuren geen echte inbraak was, omdat de goederen in opdracht van de eigenaar van de kapsalon, [slachtoffer 5] zijn weggenomen. Tijdens het voorval staat de eigenaar buiten bij hem en gaf via hem aanwijzingen aan de medeverdachten. Volgens [medeverdachte 1] zou op een telefoon van hem misschien nog te zien dat hij gesprekken heeft gevoerd met de eigenaar.

Naar aanleiding van de verklaring van [medeverdachte 1] heeft de politie nader onderzoek verricht naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [slachtoffer 5] . Uit deze gegevens blijkt dat het telefoonnummer van [slachtoffer 5] tijdens de inbraak een mast in [plaats] aanstraalde. Door [medeverdachte 1] is geen telefoon beschikbaar gesteld waarop de door hem gestelde gesprekgegevens staan. Voorts is uit het procesdossier niet gebleken dat [medeverdachte 1] ten tijde van de inbraak gebruik maakte van andere telefoonnummers dan de nummers die bij de politie al bekend waren en waarop telefoontaps zaten. [medeverdachte 1] heeft ter zake evenmin nadere gegevens verstrekt.

Daarenboven heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hem niets is verteld over het in scène zetten van een inbraak.

Gelet het voorgaande zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanwijzingen dat de inbraak in scène is gezet. Op basis van de hierna te noemen bewijsmiddelen is de onder 2. ten laste gelegde winkelinbraak wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2 en 5:

De rechtbank overweegt over feiten 2 en 5 het navolgende.

Op 13 januari 2015 is ingebroken in [bedrijfsnaam 2] te [pleegplaats 2] . Op 18 maart en 16 april 2015 is ingebroken in een filiaal van [bedrijfsnaam 3] gevestigd aan de [straat 2] respectievelijk in een filiaal aan de [adres 2] . Voorafgaand aan de inbraken werd telkens een voertuig van het merk Ford gestolen, welk voertuig vervolgens gebruikt werd om de ramkraak te plegen. Bij de ramkraken werd een grote hoeveelheid sigaretten buitgemaakt.

Bij de ramkraak in het [bedrijfsnaam 2] werd ook een aldaar geleverd postpakket weggenomen. In dat pakket zat onder meer een blouse van Vero Moda, maat S. Deze blouse had een bepaalde print. Tijdens de doorzoeking in de woning van de vriendin van verdachte, werd een soortgelijke blouse in een kledingkast van de vriendin aangetroffen.

Op de camerabeelden van de ramkraak in de [bedrijfsnaam 3] gevestigd aan de [adres 1] is te zien dat de daders een opvallend hoeslaken hebben gebruikt om de sigaretten in te doen. In de woning van de zus van de vriendin van verdachte werd een hoeslaken aangetroffen, dat grote gelijkenis vertoonde met voornoemd hoeslaken. Gebleken is dat verdachte en zijn vriendin regelmatig verbleven bij de zus, zo ook in de nacht van de laatste ramkraak.

Gelet op de overeenkomsten tussen de drie ramkraken acht de rechtbank het aannemelijk dat dezelfde daders erbij betrokken waren. De rechtbank is echter van oordeel dat de aangetroffen blouse en het gevonden hoeslaken onvoldoende aanwijzingen zijn voor verdachtes betrokkenheid bij de autodiefstallen en ramkraken. Verdachte zal derhalve van het onder 2. en 5. laste gelegde worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feiten 1 en 4:

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1. en 4. ten laste gelegde feiten de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

  1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 augustus 2015;

  2. De inhoud van een zaaksdossier met documentcode ADM-006 rechercheonderzoek "Bugatti", gesloten op 22 juli 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte nr. 2015067213-1, d.d. 8 maart 2015, opgenomen in MAP 2, p. 823-824, inhoudende de verklaring van [naam 1] ;

2.2.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen nr. 2015067213-2, d.d. 8 maart 2015, opgenomen in MAP 2, p. 827 -828, inhoudende de bevindingen van de verbalisanten;

2.3.

het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal aangifte nr. 2015141576-1, d.d. 19 mei 2015, opgenomen in MAP 4, p. 1578 en 1579, inhoudende de verklaring van [naam 2] .

Ten aanzien van feit 3:

De rechtbank past bij de beoordeling van het onder 3. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 28 augustus 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was betrokken bij de inbraak in de kapsalon. Ik ben via de balkondeur naar binnen gegaan. Ik heb geld en enkele goederen uit de kapsalon weggenomen.

2. De inhoud van een zaaksdossier met documentcode ADM-006 rechercheonderzoek "Bugatti", gesloten op 22 juli 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal aangifte, nummer 2015121880-1, d.d. 29 april 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, MAP 3, p. 1309 - 1312, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik heb het pand dinsdag 28 april 2015 verlaten omstreeks 18:00-18:10 uur. Ik heb eerst de deur naar de kapsalon aan de [adres 3] te [pleegplaats 2] afgesloten en gecontroleerd of de deur was afgesloten. Toen ik woensdagochtend 29 april 2015 te 11:00 uur met mijn auto aan kwam rijden en deze parkeerde aan het [straat 4] , zag ik vanuit mijn auto dat het raam op de eerste verdieping open stond. Toen ik binnen kwam, zag ik dat de beamer op de grond lag, kastjes waren opengetrokken en schilderijen waren van de muur getrokken en lagen op de grond. Ik zag dat de kassa was geopend. De lade was er uit getrokken en al het papiergeld was weggenomen.

Vervolgens ben ik door de keukenruimte via een trap naar boven gelopen. Hier is een

studioruimte. Het raam aan het [straat 4] was geopend, ik zag hierop braaksporen.

De volgende goederen zijn weggenomen:

Kantoorruimte:

- Playstation

- uit de kassalade van de kassa is ongeveer 120 euro weggenomen, voornamelijk biljetten van 20 euro

Kapsalon:

- 250 euro in coupures van 20, 10 en 5 euro en 2 euromunten, weggenomen uit een kassalade

- Samsung televisie

- 1 stijltang van het merk CHI

- twee gebruikte tondeuses

Keuken:

- twee jassen;

- een tablet, merk Yarvik

Studio, eerste verdieping:

- PlayStation 3;

- 1 Cartier horloge, S100 Santos;

- 1 G-Shock horloge;

- 1 Tommy Hilfiger horloge

- 1 Theorema horloge;

- 1 vijf euro biljet, weggenomen uit een zitzak.

- de weekomzet is weggenomen uit een blauwe etui.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer 160, d.d. 20 mei 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, Map 3, p. 1331, zakelijk weergegeven, inhoudende:

Op woensdag 29 april 2015, te 12.30 uur, heeft collega [naam 3] een sporen onderzoek verricht in [bedrijfsnaam 4] . Collega [naam 3] beschreef het volgende in haar bevindingen.

Boven de kapsalon zit een woongedeelte welke via een vaste trap in de keuken te bereiken is.

De aangever liet mij een balkondeur zien, welke op de eerste verdieping, aan de achterzijde van het pand zat. Dit was het woongedeelte, boven de kapsalon. lk zag dat er meerdere indrukken van een breekvoorwerp op het kozijn zat. Het is aannemelijk dat de dader de balkondeur heeft opengebroken met een breekvoorwerp. De aangever liet mij een hendel zien, welke van de deur was afgeknapt, volgens de aangever was dit voor de inbraak niet kapot.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 maart 2015 te [pleegplaats 1] , in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres 1] aldaar, weg te nemen een kluis en/of een hoeveelheid geld, toebehorende aan [bedrijfsnaam 1] , zich daarbij de toegang tot voornoemd pand te verschaffen en die/dat weg te nemen kluis en/of geld, onder hun bereik te brengen door middel van braak en inklimming, met zijn mededaders, opzettelijk zich naar voornoemd pand heeft begeven en op het dak van voornoemd pand is geklommen en aldaar een raam heeft verbroken en voornoemd pand door dat raam is binnengegaan en in het kantoor van voornoemd pand forcerende en/of brekende handelingen heeft verricht om voornoemde kluis te verwijderen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij in de periode van 28 april 2015 tot en met 29 april 2015 te [pleegplaats 2] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres 3] aldaar heeft weggenomen een hoeveelheid geld en een aantal horloges en een aantal playstations en een televisie en kleding en een tondeuse en een stijltang, toebehorende aan [bedrijfsnaam 4] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak en inklimming;

4.

hij in de periode van 18 mei 2015 tot en met 19 mei 2015 te [pleegplaats 3] , in de gemeente Grootegast, tezamen en in vereniging met ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [straat 3] aldaar heeft weggenomen, een hoeveelheid geld te weten in totaal ongeveer 750 euro, toebehorende aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging tot diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

3. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

4. Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en aftrek van de periode doorgebracht in voorarrest. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de oplegging van de bijzondere voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat enkel de feiten 1. en 4. kunnen worden bewezen en heeft de rechtbank verzocht, voor het geval feit 3 eveneens bewezen mocht worden geacht, een gevangenisstraf van maximaal acht maanden op te leggen met daaraan gekoppeld een aanzienlijk voorwaardelijke staf met als bijzondere voorwaarde dat verdachte de aanwijzingen van de reclassering zal volgen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsrapport d.d. 20 juli 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 29 juli 2015, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een motel en voltooide inbraken in een kapsalon en een sporthal. In hun poging de kluis van het motel mee te nemen dan wel open te breken, hebben verdachte en zijn medeverdachten heel veel schade aangericht. Bij de voltooide inbraken is eveneens een grote ravage aangericht en zijn geld en/of veel goederen buit gemaakt. Door aldus te handelen heeft verdachte getoond geen enkel respect te hebben voor de eigendom van anderen en zijn eigen materiële belangen boven die van anderen te stellen. Feiten, zoals door verdachte gepleegd, hebben een grote impact op de getroffen eigenaren en het personeel van de bedrijven en brengen gevoelens van onveiligheid teweeg in de samenleving.

Uit de documentatie blijkt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld ter zake van vermogensdelicten.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat er bij verdachte een patroon van vermogens- en geweldsdelicten zichtbaar is. Bij verdachte is sprake van verschillende crimonogene factoren op grond waarvan de kans op recidive is ingeschat op hoog. Een van deze factoren betreft zijn middelengebruik. In zijn kinderjaren is verdachte gediagnosticeerd met ADHD. Uit een pro Justitia rapportage van vorig jaar is gebleken dat hij nog steeds last heeft van deze stoornis. Ook blijkt uit die rapportage dat bij verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis is vastgesteld.

De reclassering vermeldt verder dat verdachte gemotiveerd lijkt te zijn voor het volgen van behandeling, maar over onvoldoende vaardigheden beschikt om problematische zaken bespreekbaar te maken. De reclassering acht hulpverlening met enige drang en dwang noodzakelijk om verdachte inzage te geven in zijn gedrag. Geadviseerd wordt het opleggen van een (gedeeltelijke) voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, het volgen van de gedragsinterventie Cognitieve Vaardigheden en ambulante behandelverplichting.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk passend en geboden. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Benadeelde partij

[benadeelde partij 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2. ten laste gelegde feit.

Beoordeling

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal derhalve niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij

[benadeelde partij 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 4. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. . De vordering bestaat uit een bedrag van € 750,- aan materiële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot het bedrag dat nog niet reeds in beslag is genomen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de vordering moet worden toegewezen tot een bedrag van

€ 250,-. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat tijdens het opsporingsonderzoek € 500,- is teruggevonden. Dit bedrag dient in mindering gebracht te worden op de vordering van de benadeelde partij.

Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

Het door benadeelde partij [benadeelde partij 2] gevorderde heeft betrekking op het geldbedrag dat verdachte en zijn mededader(s) hebben weggenomen uit de sporthal. Uit het dossier blijkt weliswaar dat een deel van het geldbedrag dat is buitgemaakt in beslag is genomen, maar er is niet gebleken dat dit bedrag aan de rechthebbende is teruggegeven. Voornoemd bedrag is ook niet onder verdachte in beslag genomen, zodat de rechtbank in de onderhavige zaak evenmin de teruggave ervan aan de rechthebbende kan bevelen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het in beslag genomen bedrag niet in mindering brengen op het gevorderde bedrag.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gegrond en voor hoofdelijke toewijzing vatbaar.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 45, 57, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. en 5. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

  1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  1. dat veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) op het adres Canadalaan 1 in Groningen;

  2. dat veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een Cognitieve Vaardigheden, aangeboden door een nader door de reclassering te bepalen instelling, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven;

  3. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van onder behandeling zal stellen van een forensische polikliniek van VNN of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die polikliniek/zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn persoonlijkheidsproblematiek.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , te betalen een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag betreft materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en P.J. van Steen, rechters, bijgestaan door mr. D.M.A. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 september 2015.

Mrs. H.H.A. Fransen en P.J. van Steen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.