Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4616

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
3731781 / CV EXPL 15-23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Aandelenlease

- Waiverzaak

- Afwijzing vordering Dexia

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 3731781 /CV EXPL 15-23

vonnis van de kantonrechter d.d. 8 september 2015

inzake

de besloten vennootschap

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: T.R van Ginkel, USG Legal Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces.

Partijen zullen hierna Dexia en [gedaagde] worden genoemd.

Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- een akte uitlating producties aan de zijde van Dexia.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

Tussen Bank Labouchere N.V. en [gedaagde] is een effectenleaseovereenkomst gesloten genaamd "Allround Effect Maandbetaling" met contractnummer [contractnummer] (hierna te noemen de overeenkomst). De overeenkomst is inmiddels geëindigd.

2.2.

Dexia is rechtsopvolgster van (onder meer) Bank Labouchere N.V.

2.3.

De zogenaamde "Duisenberg-regeling" voor aandelenleaseproducten is door het Gerechtshof Amsterdam op 25 januari 2007 verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade. [gedaagde] heeft door middel van een "opt-out"-verklaring aangegeven niet aan deze regeling gebonden te willen zijn.

2.4.

Bij brief van 25 januari 2012 heeft Leaseproces namens [gedaagde] aan Dexia laten weten dat [gedaagde] haar rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt. Dexia heeft vervolgens nimmer inhoudelijk iets van [gedaagde] en/of Leaseproces vernomen omtrent de gepretendeerde vordering(en) van [gedaagde] op Dexia.

2.5.

Daarna is [gedaagde] door (de gemachtigde van) Dexia benaderd over de gevolgen voor hem van het Hofmodel en de wijze waarop de overeenkomst kan worden afgewikkeld. Dit heeft evenwel niet tot het door Dexia gewenste resultaat geleid.

De vordering

3.1.

Dexia vordert, uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskosten, te verklaren voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomst met contractnummer [contractnummer] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2.

Dexia stelt belang te hebben bij (rechts)zekerheid in de vorm van een definitieve beëindiging van het geschil met [gedaagde] . [gedaagde] heeft, zo stelt Dexia, na de "opt-out"-verklaring in 2007, de ontwikkelingen in de jurisprudentie van 2009 en 2011 en de stuiting in 2012 voldoende tijd en gelegenheid gehad zijn (gepretendeerde) vordering op Dexia kenbaar te maken. Dexia stelt dat duidelijk is geworden dat Dexia aan al haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan, ook de verplichtingen die voortvloeien uit het schenden van haar zorgplicht ten tijde van het aangaan van de overeenkomst en dat [gedaagde] op basis van het Hofmodel geen recht heeft op enige schadevergoeding.

4. [gedaagde] heeft verweer gevoerd als na te melden.

De beoordeling van het geschil

5.1.

[gedaagde] stelt voorop dat Dexia geen belang heeft bij de onderhavige vordering (ex artikel 3:303 BW) en dat zij door het instellen daarvan misbruik maakt van haar bevoegdheid daartoe (ex artikel 3:13 BW). Bij de beoordeling daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.

5.2.

Dexia heeft onbetwist gesteld dat haar commerciële bedrijfsvoering reeds lange tijd geleden is gestaakt, dat zij thans slechts bestaat om de geschillen rond de effectenlease- producten af te wikkelen en dat aan het in stand houden van de daarvoor noodzakelijke organisatie hoge kosten verbonden zijn. Daarmee is gegeven dat Dexia een redelijk en in rechte te respecteren belang heeft om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of afnemers – waaronder [gedaagde] – aanspraken jegens haar (menen te) hebben. Gelet op de gemotiveerde onderbouwing door Dexia van haar stelling, inhoudende dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan, vormt het vorderen van een verklaring voor recht een geëigend middel om die duidelijkheid te verkrijgen.

5.3.

Het voorgaande neemt niet weg dat, gelet op het verweer van [gedaagde] , moet worden onderzocht of Dexia misbruik maakt van haar bevoegdheid tot het instellen van een vordering als de onderhavige. Hoewel hiervoor reeds is overwogen dat Dexia voldoende belang heeft bij het verkrijgen van duidelijkheid in de rechtsverhouding tussen haar en (ook) [gedaagde] , kan er toch sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, namelijk indien de belangen van [gedaagde] door het op dit moment instellen van de vordering onevenredig worden geschaad of indien dit in strijd is met het belang van een goede procesorde en/of een goede rechtspleging.

5.4.

De onderhavige procedure heeft betrekking op effectenleaseovereenkomsten. De aspecten daarvan zijn behandeld in een groot aantal financiële massaschadezaken. Het overgrote deel van de bovenbedoelde zaken is afgedaan door het algemeen verbindend verklaren van de WCAM-overeenkomst in de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam

d.d. 25 januari 2007. [gedaagde] heeft echter door het tijdig inzenden van een opt-outverklaring te kennen gegeven daaraan niet gebonden te willen zijn. Daaruit heeft Dexia mogen begrijpen dat [gedaagde] een hogere schadevergoeding wenste te ontvangen dan waarop de WCAM-overeenkomst in zijn geval aanspraak gaf. Voorts heeft Dexia daaruit mogen begrijpen dat, nu Dexia te kennen had gegeven niet bereid te zijn tot een hogere schadevergoeding, daarover zou moeten worden beslist in een procedure tussen partijen, dan wel alsnog een individuele minnelijke regeling zou moeten worden getroffen.

5.5.

In zijn arresten van 28 maart 2008 (LJN BC2837) en 5 juni 2009 (LJN BH 2815) heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de regels en beoordelingsmaatstaven die van toepassing zijn op effectenleasezaken zoals de onderhavige. In de arresten van het Gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) is daaraan feitelijk invulling gegeven door de ontwikkeling van de zogenoemde Hofformule. In zijn arrest d.d. 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:BP4003) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Gerechtshof daarmee een juiste toepassing heeft gegeven aan de eerder bedoelde maatstaven. Daarmee stond in hoofdlijnen vast en was aan partijen bekend welke beoordelingsmaatstaven in beginsel in effectenleasezaken moeten worden toegepast.

5.6.

Dexia ziet zich geconfronteerd met de situatie dat [gedaagde] een vordering op haar pretendeert, dat [gedaagde] de verjaring van die vordering heeft gestuit, maar dat [gedaagde] niet inhoudelijk motiveert waarom hij meent een vordering op Dexia te hebben. Dexia wil een einde maken aan deze onzekere situatie tussen haar en [gedaagde] . Dexia heeft [gedaagde] verzocht mee te delen of Dexia aan al haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan en - zo niet - mee te delen en te onderbouwen welk bedrag Dexia nog verschuldigd zou zijn. Nu [gedaagde] niet op deze verzoeken van Dexia heeft gereageerd, maakt Dexia naar het oordeel van de kantonrechter geen misbruik van haar bevoegdheid om [gedaagde] , teneinde die duidelijkheid te verkrijgen, in rechte te betrekken. De belangen van [gedaagde] worden door het instellen van die vordering niet onevenredig geschaad, nu [gedaagde] voldoende de gelegenheid heeft gehad om de feiten en omstandigheden te onderzoeken die bepalend zijn voor zijn aanspraken en er inmiddels voldoende duidelijkheid bestaat over de in zijn algemeenheid in rechte toe te passen beoordelingsmaatstaven. Evenmin is er naar het oordeel van de kantonrechter gebleken dat er sprake is van een handelen in strijd met de goede procesorde en/of een goede rechtspleging.

5.7.

Mede gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat Dexia in het onderhavige geval voldoende redelijk belang heeft bij haar vordering en voorts dat Dexia geen misbruik maakt van haar bevoegdheid.

5.8.

[gedaagde] heeft zich meer subsidiair beroepen op art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en gesteld dat zijn vordering zeker ook valt onder het eigendomsbegrip dat die verdragsbepaling beschermt. Dit verweer faalt omdat de verdragsbepaling geen horizontale werking heeft. Overigens beschermt het Nederlandse recht het vorderingsrecht van [gedaagde] voldoende via het in de wet neergelegde beginsel van de autonomie van de procespartijen. Opgemerkt zij wel dat [gedaagde] reden heeft om bescherming van zijn vorderingsrecht te zoeken, nu Dexia het vorderingsrecht van [gedaagde] wil laten beoordelen, terwijl [gedaagde] dat (nog) niet wenst.

5.9.

De vordering van Dexia beoogt Dexia duidelijkheid te verschaffen over de vraag of [gedaagde] definitief afziet van eventuele aanspraken op een vergoeding. Het verweer van [gedaagde] komt er op neer dat [gedaagde] thans niet in een procedure behoort te worden betrokken waarin wordt vastgesteld of [gedaagde] nog aanspraken heeft jegens Dexia, en zo ja welke. Ter onderbouwing daarvan heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij de mogelijkheid behoort te hebben om arresten van gerechtshoven en van de Hoge Raad af te wachten waarin op bepaalde beslispunten duidelijkheid zal worden verkregen. Daarnaast wordt aangevoerd dat een behandeling van (en beslissing op) de vordering van Dexia tot gevolg kan hebben dat [gedaagde] aanspraken op Dexia verliest waarvan het bestaan in de toekomst kan blijken. [gedaagde] wenst buiten rechte aan Dexia voor te leggen dat hij door de tussenpersoon verkeerd is geadviseerd zodat hem geen tot weinig schuld kan worden toegerekend. Bovendien bestaat er bij de rechtsinstanties nog onduidelijkheid over (onder meer) de lening bij certificaatproducten en de buitengerechtelijke kosten, aldus nog steeds [gedaagde] .

5.10.

Het feit dat er een mogelijkheid bestaat dat de jurisprudentie zich op enig moment in de toekomst in een voor [gedaagde] gunstiger zin zal kunnen ontwikkelen, betekent naar het oordeel van de kantonrechter dat thans niet als vaststaand kan worden aangenomen dat Dexia ten aanzien van de in het geding zijnde overeenkomst aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niet meer dan het door haar bij conclusie bij repliek genoemde bedrag aan [gedaagde] verschuldigd is.

5.11.

Evenmin bestaat er aanleiding om thans op de voorgelegde geschilpunten te beslissen. [gedaagde] heeft diverse van voormelde onderwerpen besproken met de bedoeling om uit te leggen waarom hij zijn vordering nu nog niet beoordeeld wil zien, dus juist niet om die in deze procedure voor te leggen. [gedaagde] wenst zijn stellingen (mede) te laten afhangen van nog te verwachten rechterlijke uitspraken. Naar het oordeel van de kantonrechter staat ook niet vast dat [gedaagde] tegen beter weten in afwacht. Iedere zaak dient immers op zijn eigen merites te worden beoordeeld, waarbij het Hofmodel weliswaar als leidraad kan dienen, maar waarbij de individuele omstandigheden van het geval tot een andere uitkomst kunnen leiden. Bovendien is het met de effectenleaseovereenkomsten samenhangende aansprakelijkheidsvraagstuk nog niet uitgekristalliseerd. De kantonrechter stelt vast dat er nog diverse procedures lopen waarin dit vraagstuk speelt, waaronder de door Dexia in een hoger beroep aan de orde gestelde vraag of het hiervoor genoemde Amsterdamse Hofmodel telkens en onverkort kan worden toegepast. Met name de (adviserende) rol van de tussenpersoon kan van invloed zijn op de schadevergoedingsplicht van Dexia, zo blijkt uit het arrest van het Gerechtshof 's Hertogenbosch van 11 augustus 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1736). Bovendien heeft op 20 januari 2015 het Gerechtshof Amsterdam de prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld of de bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging van rechtshandelingen collectief kan worden gestuit (ECLI:NL:GHAMS:2015:105). Omdat [gedaagde] , gelet op zijn mogelijke belangen daarbij, dient te worden gegund dat hij de verdere ontwikkelingen in de rechtspraak afwacht, kan thans niet worden uitgesproken dat Dexia jegens hem aan al haar verplichtingen heeft voldaan.

5.12.

Ten aanzien van het door Dexia gedane beroep op verjaring van mogelijke vorderingen van [gedaagde] , overweegt de kantonrechter dat zolang [gedaagde] zijn vordering uitdrukkelijk niet ter beoordeling aan de rechter wenst voor te leggen, de beoordeling van een eventuele verjaring en/of stuiting daarvan in dit geding niet goed mogelijk is. Het is in strijd met een goede procesorde dat aan Dexia zou worden toegestaan om voor [gedaagde] de rechtsgrond van diens vordering te formuleren en om hem die vordering vervolgens met een beroep op verjaring te ontnemen, terwijl [gedaagde] zich alle rechten voorbehoudt en in verband daarmee mogelijk andere verjaringsregels van toepassing zullen zijn.

5.13.

Tot slot overweegt de kantonrechter dat de huidige situatie uiteindelijk terug te voeren is op de, op winst gerichte, handelwijze van (de rechtsvoorganger van) Dexia en de jarenlange juridische debatten vooral het gevolg zijn van de nalatigheid van Dexia. Dat brengt mee dat risico's en onzekerheden omtrent de juridische posities en daaruit volgende aanspraken eerder door Dexia dan door [gedaagde] gedragen dienen te worden.

5.14.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van Dexia worden afgewezen waarbij Dexia als de in het ongelijk te stellen partij zal worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 400,- (2 punten à € 200,-) wegens salaris gemachtigde.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van Dexia af;

veroordeelt Dexia in de proceskosten, tot op heden begroot op € 400,-;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

c GL