Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4601

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
4403132 \ CV EXPL 15-9040
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet, reden niet (voldoende) tijdig medegedeeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1839
AR-Updates.nl 2015-0953
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4403132 \ CV EXPL 15-9040

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 30 september 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

procederende met toevoeging,

gemachtigde: mr. J.J. Achterveld,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: J.J.E. Geelen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

Procesverloop

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- een conclusie van antwoord met producties aan de zijde van [gedaagde]

- de mondelinge behandeling d.d. 16 september 2015.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[eiser] is per 2 januari 2015 bij [gedaagde] in dienst getreden als [functie] voor de duur van 1 jaar, tegen een bruto salaris van € 1.734,43 per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.

2.2.

Op 11 augustus 2015 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden, waarna [eiser] de aan haar ter beschikking gestelde auto heeft leeggehaald en haar sleutels heeft ingeleverd.

2.3.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft bij e-mailbericht van 13 augustus 2015 aan [eiser] meegedeeld (voor zover hier van belang):

Tot mij wendde zich [gedaagde] , directeur/eigenaar van [naam bedrijf] inzake uw ontslag op staande voet zoals aan u meegedeeld op 11 augustus jongstleden.

Bij deze bevestig ik het ontslag op grond van artikel 678 uit het Burgerlijk Wetboek 7 (zijnde een dringende reden).

Naast voldoende getuigen van de aanleiding voor dit ontslag op staande voet zijn er ook diverse andere aanleidingen die dit ontslag verder onderbouwen.

2.4.

De gemachtigde van [eiser] heeft bij e-mailbericht van 14 augustus 2015 aan de gemachtigde van [gedaagde] meegedeeld (voor zover hier van belang):

Verbazing, omdat [gedaagde] mijn cliënte niet te kennen heeft gegeven dat zij ontslag zou krijgen laat staan dat er sprake zou zijn van een ontslag op staande voet. Los daarvan is dit ontslag - zo daar al sprake van is - hoe dan ook nietig, omdat in de Wet is bepaald dat de dringende reden die alsdan aan de orde zou moeten zijn, onverwijld aan de werknemer dient te worden meegedeeld. [gedaagde] heeft geen ontslag op staande voet gegeven, laat staan dat zij kenbaar heeft gemaakt welke dringende reden er aan de orde is. In uw schrijven van 13 augustus 2015 zelf is evenmin een dringende reden genoemd.

2.5.

Bij e-mailbericht van 17 augustus 2015 heeft de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eiser] meegedeeld (voor zover hier van belang):

Ook de door u beschreven verbazing van uw cliënte alsmede de ontkenning van het ontslag op staande voet, is een incorrecte weergave van de gebeurtenissen door uw cliënte. [gedaagde] heeft de ontslagaanzegging wel degelijk gedaan in het bijzijn van anderen met een dringende reden - zoals wettelijk verplicht - als grond, in dit geval diefstal.

De vordering

3.1

[eiser] vordert - zo blijkt uit de ter zitting gegeven toelichting - doorbetaling van loon ad € 1.734,43 bruto per maand vanaf 11 augustus 2015 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag en een bedrag van € 750,- ter zake buitengerechtelijke incassokosten.

3.2.

[eiser] betwist dat zij op 11 augustus 2015 op staande voet is ontslagen. Zij heeft zich op 11 augustus 2015 op advies van haar huisarts ziek gemeld wegens spanningsklachten, welke ziekmelding door [gedaagde] niet werd geaccepteerd. [gedaagde] heeft niet gezegd dat [eiser] op staande voet ontslagen was. Zij heeft [eiser] alleen aangesproken op een kasverschil van € 30,-. [eiser] heeft vervolgens, zo stelt zij, de auto leeggehaald en de sleutels ingeleverd omdat zij de auto tijdens ziekte niet mocht gebruiken.

3.3.

Voorts stelt [eiser] dat zich geen dringende reden voor ontslag heeft voorgedaan en - indien deze zich wel zou hebben voorgedaan - dat deze haar niet onverwijld is meegedeeld. De brief van de gemachtigde van [gedaagde] vermeldt geen reden en vervolgens is zonder nadere toelichting aangegeven dat het om diefstal zou gaan. Eerst in het kader van de onderhavige procedure begrijpt [eiser] dat het om diefstal van een regenton zou gaan. Voor deze regenton heeft ze echter betaald.

Het verweer

4. [gedaagde] stelt dat zij [eiser] terecht op staande voet heeft ontslagen. Zij voert daartoe aan dat [eiser] zich op 10 augustus 2015 een houten regenton heeft toegeëigend, zonder hiervoor te betalen. [gedaagde] heeft, nadat ze had gezien dat de regenton samen met een bankstel door [eiser] op een aanhanger was geplaatst, [eiser] gevraagd of zij voor de regenton had betaald, welke vraag door [eiser] bevestigend werd beantwoord. Vervolgens heeft [gedaagde] bij de collega's navraag gedaan bij wie [eiser] de regenton had afgerekend, waaruit bleek dat [eiser] de regenton niet had afgerekend, aldus [gedaagde] . [gedaagde] heeft [eiser] op 11 augustus 2015 gevraagd bij wie ze de regenton had afgerekend, maar kreeg daarop geen duidelijk antwoord. [gedaagde] heeft [eiser] vervolgens op staande voet ontslagen. Pas daarna gaf [eiser] aan dat ze zich ziek wilde melden. Volgens [gedaagde] was het ook duidelijk voor [eiser] dat ze werd ontslagen. [eiser] heeft daarop ook de auto leeg gehaald en de sleutels ingeleverd. De gemachtigde van [gedaagde] heeft het gegeven ontslag op staande voet op 13 augustus 2015 aan [eiser] bevestigd en op 17 augustus heeft de gemachtigde van [gedaagde] op verzoek van de gemachtigde van [eiser] nogmaals opgaaf gedaan van de reden van het ontslag.

De beoordeling

5.1.

De kantonrechter is van oordeel dat met de aard van de vordering de spoedeisendheid is gegeven.

5.2.

Vanwege het ontbreken van ontslagbescherming gelden voor een ontslag op staande voet strenge formele en inhoudelijke eisen. De inhoudelijke eisen hebben betrekking op de aard van de dringende reden en op de objectieve en subjectieve dringendheid van de reden. Bij aanwezigheid van een dringende reden moet worden opgezegd overeenkomstig de in artikel 7:677 lid 1 BW genoemde formele voorschriften. Dit artikel bepaalt dat ieder der partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij. Het vereiste dat de dringende reden onverwijld wordt medegedeeld strekt ertoe te waarborgen dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk is welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. Die mededeling behoeft niet steeds met zoveel woorden te worden gedaan en kan ook in een of meer gedragingen besloten liggen. Ook dan blijft echter vereist dat daaruit voor de wederpartij aanstonds duidelijk is welke, door de ander als dringend aangemerkte, reden door deze aan de beëindiging van de dienstbetrekking ten grondslag wordt gelegd, althans dat daaromtrent bij de wederpartij, gelet op de omstandigheden van het geval, in redelijkheid geen enkele twijfel kan bestaan. (Hoge Raad 223 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939). Indien door de mededeling dit doel wordt bereikt, voldoet zij aan de eisen der wet. De mededeling moet de werknemer in staat stellen zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen. De medegedeelde reden fixeert in beginsel de ontslagreden.

5.3.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] in het kader van de onderhavige procedure onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij [eiser] op 11 augustus 2015 op staande voet heeft ontslagen onder gelijktijdige mededeling van de reden van dat ontslag. Blijkens de verklaring van [gedaagde] ter zitting heeft zij tegen [eiser] gezegd dat de regenton niet was afgerekend en dat ze met [eiser] stopte. Nu [eiser] zulks echter heeft betwist en [gedaagde] geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die haar stelling onderbouwen dat zij [eiser] op staande voet heeft ontslagen in verband met de diefstal van een regenton, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onvoldoende aannemelijk geworden dat [gedaagde] [eiser] op 11 augustus 2015 op staande voet ontslagen heeft, onder mededeling van de reden voor dat ontslag, althans dat zulks voor [eiser] voldoende kenbaar was en dat daaromtrent bij [eiser] geen enkele twijfel kon bestaan.

5.4.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft het ontslag op staande voet bij e-mail bericht van 13 augustus 2015 aan [eiser] bevestigd. Weliswaar was daarmee voor [eiser] duidelijk dat ze op staande voet was ontslagen, doch voormeld e-mailbericht bevat geen enkele opgaaf van een reden voor het ontslag. De gemachtigde van [gedaagde] heeft eerst desgevraagd aan de gemachtigde van [eiser] meegedeeld dat diefstal de ontslaggrond zou zijn maar ook die mededeling biedt niet de voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet vereiste duidelijkheid omtrent de reden voor het ontslag. De gemachtigde van [gedaagde] heeft daarmee in zijn e-mailbericht van 13 augustus 2015 noch in zijn e-mailbericht van 17 augustus 2015 duidelijk gemaakt dat het zou gaan om diefstal van een regenton.

5.5.

Eerst in het kader van de onderhavige procedure heeft [gedaagde] door middel van haar op voorhand toegestuurde conclusie van antwoord aangegeven dat het om diefstal van een regenton zou gaan. [gedaagde] heeft dit ter zitting nader toegelicht. Naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee niet voldaan aan de formele vereisten die aan een ontslag op staande voet worden gesteld, te weten een gelijktijdige mededeling van de reden van het gegeven ontslag. Of [eiser] zich daadwerkelijk aan diefstal van een regenton schuldig heeft gemaakt, zoals door [gedaagde] gesteld en door [eiser] betwist, behoeft in het kader van het onderhavige kort geding geen bespreking.

5.6.

Voorts overweegt de kantonrechter dat voor zover in de door [gedaagde] op voorhand toegestuurde conclusie van antwoord melding wordt gemaakt van een aantal verwijten die het ontslag op staande voet zouden rechtvaardigen, deze verwijten bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet beschouwing dienen te blijven, nu met de in het e-mailbericht van de gemachtigde van [gedaagde] van 17 augustus 2015 gegeven ontslagrond 'diefstal' de ontslagreden is gefixeerd.

5.7.

Uit het vorengaande volgt dat er voorlopig vanuit wordt gegaan dat het ontslag op staande voet in de bodemprocedure geen stand houdt en dat loonvordering van [eiser] zal worden toegewezen.

5.8.

De door [eiser] gevorderde vakantiebijslag acht de kantonrechter niet toewijsbaar, nu deze nog niet opeisbaar is. Blijkens de door [eiser] overgelegde arbeidsovereenkomst wordt de opgebouwde vakantiebijslag niet maandelijks uitbetaald, maar in de maand juni.

5.9.

[eiser] heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en ter zake daarvan een bedrag gevorderd. [eiser] heeft die kosten niet gespecificeerd terwijl evenmin is gebleken dat de gestelde verrichtingen meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De kantonrechter zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

5.10.

[gedaagde] zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:

- explootkosten € 94,19

- griffierecht € 78,00

- salaris gemachtigde € 600,00

totaal € 772,19,

waarvan te voldoen aan de rechtbank Noord-Nederland € 70,64 ter zake (75% van de) explootkosten.

Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 1.734,43 bruto per maand vanaf 11 augustus 2015 tot het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 772,19, waarvan te voldoen aan de rechtbank Noord-Nederland € 70,64 ter zake (75% van de) explootkosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 471