Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4593

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
AWB 15/2610
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek bed, bad en brood ten onrechte niet als WMO 2015 verzoek behandeld. Onjuiste wettelijke grondslag. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2015/227 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2610

uitspraak van de meervoudige kamer van 1 oktober 2015 in de zaak tussen:

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden, verweerder

(gemachtigden: mr. M.J. Schoneveld en J.J.B. Hoogma).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om “een dak boven zijn hoofd, een veilige slaapplaats, eten en drinken” te verstrekken, afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 3 februari 2015 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, in afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van verweerders gemeente van 18 mei 2015, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, voorzien van gronden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Partijen hebben zich daar laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het volgende.

1.1.

Eiser heeft de Algerijnse nationaliteit, verblijft ongeveer negentien jaar in Nederland, heeft geen rechtmatig verblijf en is ongewenst verklaard.

1.2.

Bij brief van 30 oktober 2014 deelt de gemachtigde van eiser verweerder onder meer het volgende mee:

“Cliënt leeft op dit moment op straat en heeft dringend behoefte aan ‘bedbadbrood’: een dak boven zijn hoofd, een veilige slaapplaats, eten en drinken.

(…)

De medische situatie van cliënt is ernstig. In de PI in Vught heeft cliënt een hartaanval gehad (bijlage 2). Cliënt lijdt aan ernstige en chronische depressie en is suïcidaal (bijlage 3). Cliënt is vanuit de PI niet in vreemdelingenbewaring gezet omdat cliënt niet uitzetbaar is. Cliënt stond in augustus dus op straat. Cliënt is toen naar Leeuwarden gegaan, waar hij eerder werd opgevangen bij het Leger des

Heils. Deze opvang is niet meer beschikbaar, omdat de gemeente hier geen middelen meer aan besteedt. Cliënt komt wel in de dagopvang van het Leger des Heils, hij krijgt daar ook medicijnen. Cliënt is eind september flauw gevallen vanwege gebrek aan voedsel. Cliënt heeft begin oktober een zelfmoordpoging gedaan. Cliënt verkeert in een situatie waarin hij hulp zeer dringend nodig heeft. Zijn fundamentele mensenrechten worden geschonden. Het wordt nu steeds kouder en cliënt komt zo nog meer in nood.

(…)

Dit is de situatie waarin cliënt zich bevindt: zijn lichamelijke integriteit staat op het spel. De verantwoordelijkheid rust op de overheid om cliënt te helpen: cliënt leeft op straat en er is niemand anders die cliënt helpt.”

In deze brief verzoekt de gemachtigde van eiser daarop het volgende:

“Ik verzoek u cliënt te helpen. Zijn situatie is zeer ernstig en cliënt verkeert in een acute noodsituatie. Ik verzoek u de aanvraag om hulp te toetsen aan de individuele situatie van cliënt in het licht van artikel 3 en 8 EVRM.”

2. Verweerder heeft in het primaire besluit de “spoedaanvraag om hulp” afgewezen, omdat eiser zich kan melden bij een Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) om door de Staat te worden opgevangen. Volgens verweerder maakt deze mogelijkheid de opvang door de gemeente Leeuwarden niet noodzakelijk.

2.1.

In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit in stand gelaten. Daarbij heeft verweerder herhaald dat eiser zich kan melden bij een VBL of zich kan wenden tot de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat, indien mocht blijken dat eiser om medische redenen meer nodig heeft dan een sobere bed-, bad- en brood-opvang, wellicht verblijf in een psychiatrische inrichting gerealiseerd kan worden. Ten slotte heeft verweerder meegedeeld dat op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling formeel niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en dat eiser om die reden geen recht heeft op een dergelijke voorziening.

3. Eiser voert in beroep - onder meer en voor zover hier van belang - aan dat opvang in een VBL geen optie is, omdat hij niet uitzetbaar is. Voorts wijst eiser op de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 17 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4179, en die van de rechtbank Amsterdam van 8 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2651, waaruit volgens eiser blijkt dat ook meerderjarige vreemdelingen zonder geldige verblijfsstatus een onvoorwaardelijk recht hebben op toegang tot onderdak, voedsel en kleding om te voorkomen dat deze personen hun basale levensbehoeften worden onthouden. Ten slotte stelt eiser dat het niet bieden van opvang in strijd is met artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Europees Sociaal Handvest (ESH) en de geldende jurisprudentie.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift - onder meer en voor zover hier van belang - naar voren gebracht dat voor opvang op basis van de Wmo enkel ruimte bestaat in geval er geen andere voorziening voorhanden is. Daarmee is de Wmo een vangnetvoorziening, aldus verweerder.

5. Op 1 januari 2015 is de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) in werking getreden en is de Wmo ingetrokken. Ingevolge het overgangsrecht, geregeld in artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015, blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo 2015 van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo.

5.1.

De Wmo 2015 is voor een deel al in werking getreden op 19 juli 2014. Dit geldt onder meer voor de bepalingen inzake procedures rond het onderzoek naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, zoals opgenomen in paragraaf 3 van de Wmo 2015. Dit betekent dat het onderzoek in het kader van de maatwerkvoorziening voor 1 januari 2015 kan plaatsvinden, maar dat dit uitsluitend betrekking kan hebben op voorzieningen waarvan de ingangsdatum op of na 1 januari 2015 ligt.

5.2.

In dit geval dateert de aanvraag van na 19 juli 2014 en zijn het primaire besluit en het bestreden besluit na 1 januari 2015 genomen, zodat de rechtbank met toepassing van de Wmo 2015 zal beslissen.

6. Artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 bepaalt dat een ingezetene van Nederland in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, bestaande uit opvang, te verstrekken door het college van de gemeente tot welke hij zich wendt. Ingevolge artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt het college er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Ingevolge artikel 1.2.2 komt een vreemdeling slechts voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening in aanmerking indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Blijkens het tweede lid, kan hiervan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden afgeweken.

6.1.

Ingevolge artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder a en b, van de Wmo 2015 onderzoekt het college onder meer de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt, alsmede de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang.

7. De rechtbank is allereerst van oordeel dat het verzoek van eiser, zoals verwoord in de brief van zijn gemachtigde van 30 oktober 2014, gezien moet worden als een melding en een verzoek om een maatwerkvoorziening als bedoeld in paragraaf 3 van de Wmo 2015. Daarvoor acht de rechtbank de inhoud van de in rechtsoverweging 1.2 geciteerde passages uit deze brief doorslaggevend. De rechtbank betrekt hierbij dat de uitvoering van de Wmo 2015 - en dus ook de opvang van daklozen in dat kader - in beginsel een taak van de lokale overheid is. Dit geldt derhalve ook voor verweerders gemeente.

7.1.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder, gelet op de inhoud van het primaire besluit en het bestreden besluit, het verzoek van 30 oktober 2014 niet heeft behandeld als een verzoek om op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening toe te kennen. Ter zitting is dit namens verweerder desgevraagd bevestigd. De gemachtigden van verweerder hebben in dit verband uiteengezet dat de Wmo 2015 een vangnetregeling is en dat er in de ogen van verweerder sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa).

7.2.

De rechtbank stelt voorts vast dat de Wmo 2015 - anders dan de Wmo - het begrip ‘voorliggende voorziening’ niet kent. Daar waar in artikel 2 van de Wmo was geregeld dat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning kon worden gemaakt, voor zover er een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestond, is een dergelijke bepaling niet opgenomen in de Wmo 2015.

7.3.

Hiermee geconfronteerd hebben de gemachtigden van verweerder ter zitting opgemerkt dat dit weliswaar zo is, maar dat impliciet in de Wmo 2015 moet worden gelezen dat geen recht op een maatwerkvoorziening bestaat, indien er een andere (Rijks)voorziening voorhanden is.

7.4.

De rechtbank volgt dit standpunt niet. Nog daargelaten de vraag of het begrip ‘voorliggende voorziening’ - impliciet - in de Wmo 2015 kan worden gelezen, is het aan verweerder om een aanvraag om een voorziening te beoordelen en deze toe- of af te wijzen onder toepassing van de Wmo 2015. De enkele stelling dat de Wmo 2015 niet van toepassing is, betekent dat verweerder het besluit in dit opzicht niet van een deugdelijke wettelijke grondslag heeft voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het verzoek van 30 oktober 2014 dan ook ten onrechte niet geduid als een verzoek om hem een maatwerkvoorziening toe te kennen. Verweerder had de melding van 30 oktober 2014 moeten onderzoeken volgens het traject dat in paragraaf 3 van de Wmo 2015 is beschreven. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten.

7.5.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit, in het licht van het voorgaande lijkt dit ten overvloede, nog heeft geoordeeld dat op grond van de Wmo 2015 een niet rechtmatig in ons land verblijvende vreemdeling formeel niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. De rechtbank overweegt dat verweerders standpunt miskent dat volgens vaste jurisprudentie van de CRvB artikel 8 van het EVRM kan meebrengen dat een vreemdeling die in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van de Wmo 2015, toch in aanmerking kan komen voor opvang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 april 2010 ECLI:NL:CRVB:2010:BM0956). Mede gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder niet mogen volstaan met een verwijzing naar voornoemde wetsbepaling. Het besluit is onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

8. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, omdat de gebreken van dien aard zijn dat de rechtbank op basis van het besluit en het verhandelde ter zitting niet tot een vorm van finale geschilbeslechting kan komen.

9. Nu het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 30 juni 2015;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van 3 februari 2015 neemt, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45,-- vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, welke kosten zijn vastgesteld op € 980,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mrs. K. Wentholt en H.R. Bracht, rechters, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2015.

De griffier, De voorzitter,

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.