Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4497

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
LEE 14-3975
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen strijd met artikel 3.23, eerste lid, van de POV. Gelet ook op het standpunt van GS is verweerder bij berekening van de bedrijfsomvang terecht uitgegaan van de Nge normering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

Locatie Groningen

zaaknummer: LEE 14/3975

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juni 2015 in de zaak tussen

Natuur en Milieufederatie, gevestigd te Assen, eiseres

(gemachtigde: ir. J. van den Berg)

en

het college van burgemeester en wethouders van Aa en Hunze, verweerder

(gemachtigde: L.H. Lunshof).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Maatschap Martens, te Nieuwediep.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2014 heeft verweerder aan maatschap Martens (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de bouw van twee pluimveestallen, het aanpassen van de bestaande stal, het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van gronden en gebouwen en het wijzigen van de inrichting.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Belanghebbende (vergunninghouder) heeft zich laten vertegenwoordigen door [derde belanghebbenden] , samen met hun [adviseur]

Overwegingen

1. Vergunninghouder exploiteert een vleeskuiken- annex akkerbouwbedrijf aan de [adres] In de bestaande pluimveestal kunnen ongeveer 30.000 dieren worden gehouden. Daarnaast heeft vergunninghouder ongeveer 160 hectare cultuurgrond. Vergunninghouder wil de intensieve tak van zijn bedrijf uitbreiden tot 112.000 vleeskuikens door twee nieuwe pluimveestallen te bouwen en het aanpassen van de bestaande stal. Op 23 november 2012 heeft vergunninghouder een aanvraag voor omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de bouw van twee pluimveestallen, het aanpassen van de bestaande stal, het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van gronden en gebouwen en het wijzigen van de inrichting.

2. Bij besluit van 11 juni 2014 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend.

De omgevingsvergunning wordt verleend ten behoeve van de activiteiten bouwen van een bouwwerk, gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan en het veranderen van een inrichting.

3. Eiseres komt in beroep tegen deze vergunning. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het project in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Volgens eiseres leidt de beoogde uitbreiding tot een omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf met een intensieve neventak naar een intensieve pluimveehouderij met een akkerbouwneventak. Dit blijkt uit de Standaardopbrengst (SO)-berekening van de toekomstige bedrijfsomvang. Deze omschakeling is in strijd met artikel 3.23, eerste lid, van de Provinciale Omgevingsverordening (POV). Volgens eiseres moet bij het bepalen van de bedrijfsomvang worden uitgegaan van de meest actuele en landelijke normen van het Landbouw Economische Instituut (LEI) en niet, zoals verweerder heeft gedaan, van de verouderde Nederlandse Grootte eenheden (Nge)-normering.

4. Volgens verweerder blijft de intensieve veehouderij in de nieuwe situatie een neventak bij het akkerbouwbedrijf, omdat de pluimveehouderij uitgedrukt in Nge maximaal 44 procent van de (economische) bedrijfsomvang zal bedragen. Van een omschakeling van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve pluimveehouderij is derhalve geen sprake, zodat geen sprake is van strijd met de POV, aldus verweerder.

5. Ten aanzien van de bevoegdheid om het onderhavige beroepschrift in te dienen, verwijst de rechtbank naar het overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de kamer van koophandel en de volmacht. Op basis van deze stukken is de rechtbank genoegzaam gebleken dat het beroepschrift bevoegdelijk is ingediend. Er is daarom geen beletsel om tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan.

6. Ten aanzien van deze inhoudelijke beoordeling, houdt partijen uitsluitend verdeeld of de omgevingsvergunning is verleend in strijd met de POV.

7. In artikel 3.23, eerste lid, van de POV is bepaald dat een ruimtelijk plan niet voorziet in nieuwvestiging van intensieve veehouderijen, en evenmin in het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij.

Hieruit volgt dat een grondgebonden agrarisch bedrijf de hoofdtak dient te blijven en een intensieve pluimveehouderij een neventak.

Op grond van artikel 3.1, onder y, van de POV wordt onder neventak verstaan: aan de agrarische hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van die hoofdactiviteit behoren.

8. De rechtbank stelt vast dat in de POV niet is vastgelegd hoe berekend moet worden wanneer er sprake is van intensieve veehouderij of een grondgebonden bedrijf met een intensieve neventak.

9. Verweerder heeft de bedrijfsomvang berekend met behulp van de zogenaamde Nge-normering. In haar brief van 26 maart 2014 heeft Gedeputeerde Staten van Drenthe (GS) aangegeven dat verweerder in dit geval op deze wijze de bedrijfsomvang van vergunninghouder mocht bepalen. GS heeft hierbij aangegeven dat het niet wenselijk is om voor eenzelfde casus twee verschillende normstellingen te hanteren.

10. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van het omschakelen van een grondgebonden agrarisch bedrijf naar een intensieve veehouderij er een vergelijking moet worden gemaakt tussen de bedrijfsomvang in de bestaande situatie en in de nieuwe situatie. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat bij de berekening of sprake is van een intensieve hoofdtak of neventak in de bestaande en in nieuwe situatie van dezelfde normstelling moet worden uitgegaan. Verweerder heeft bij die berekeningen gekozen voor toepassing van de Nge‑normering. Daaruit volgt dat zowel in de bestaande, als in de nieuwe situatie sprake is van een intensieve neventak bij het akkerbouwbedrijf. Mede gelet op het standpunt van GS, zoals weergegeven in r.o. 9, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet van de Nge-normering heeft mogen uitgaan. Daarbij komt dat indien bij de berekening wordt uitgegaan van de SO-normering, zoals eiseres beoogt, al in de bestaande situatie sprake is van een intensieve pluimveehouderij als hoofdtak, zodat ook in dat geval geen sprake is van een omschakeling zoals bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, van de POV.

11. Dit betekent dat er geen sprake is van strijd met de POV, zodat verweerder om deze reden de omgevingsvergunning niet mocht weigeren.

12. Het beroep is mitsdien ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter en mrs. H.J. Bastin en

S.B. Smit-Colenbrander, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. Veenstra, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2015.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan de belanghebbende binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: