Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4492

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
18.730395-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een inzittende werd gedood (artikel 6 WVW 1994) en rijden onder invloed van alcohol tot een taakstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een rijontzegging van twee jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 55, geldigheid: 2015-09-24
Wegenverkeerswet 1994 6,8,175,176,179, geldigheid: 2015-09-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730395-14

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juli 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 juni 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bakx, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 oktober 2014, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Opsterland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Volvo, [kenteken] ), daarmede rijdende over de [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door - terwijl verdachte verkeerde onder invloed van het gebruik van alcohol - zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, genoemd motorrijtuig te besturen en/of daarmee in de rechterberm van de [weg] te gaan rijden, waarbij genoemd motorrijtuig is geslipt, althans verdachte de controle over het motorrijtuig heeft verloren en/of waardoor een botsing/aanrijding met een (in de rechterberm staande) boom heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] , inzittende van genoemd motorrijtuig, werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 26 oktober 2014, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Opsterland, als bestuurder van een voertuig (personenauto, merk: Volvo), daarmee rijdende op de [weg] , in de rechterberm van de [weg] is gaan rijden, waarbij genoemd motorrijtuig is geslipt, althans verdachte de controle over het motorrijtuig heeft verloren en/of waardoor een botsing/aanrijding met een (in de rechterberm staande) boom heeft plaatsgevonden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 26 oktober 2014, te [pleegplaats] , althans in de gemeente Opsterland, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, 1,41 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem/haar voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Onder 1. primair is ten laste gelegd de strafverzwarende omstandigheid van artikel 175, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Daarbij zijn alleen het eerste en tweede lid van artikel 8 van de WVW 1994 genoemd, terwijl in artikel 175, derde lid, van de WVW 1994 ook artikel 8, derde lid, van de WVW 1994 wordt genoemd en onder 2. ten laste is gelegd de overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de WVW 1994. Hieruit leidt de rechtbank af dat het niet noemen van artikel 8, derde lid, van de WVW 1994 in het onder 1. primair ten laste gelegde, een kennelijke misslag betreft.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde;

- oplegging van een taakstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis;

- oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren;

- oplegging van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs al ingehouden is geweest.

Beoordeling van het bewijs

Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 25 juni 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb op 26 oktober 2014 als beginnend bestuurder een auto bestuurd, nadat ik bier had gedronken. Er is toen een ongeval gebeurd. Toen ik daarna weer bij bewustzijn kwam, zat ik achter het stuur en zag ik [slachtoffer] naast mij zitten.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL02CD 2014128751-1, gesloten op 3 december 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2014128751-14, d.d. 30 oktober 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisant [verbalisant 1] :

Op zondag 26 oktober 2014 kregen wij de melding te gaan naar een ernstige aanrijding op de [weg] te [pleegplaats] . Omstreeks 04:55 uur kwamen wij ter plaatse. Ik ben in gesprek gegaan met de persoon, welke volgens de brandweer ook in de genoemde auto had gezeten. Deze persoon verklaarde aan mij dat hij [verdachte] heette. Ik rook dat [verdachte] alcoholhoudende drank had genuttigd. Ik zag dat er een persoon naast de auto lag. Dit bleek later [slachtoffer] te zijn. Hij was inmiddels al overleden. De brandweermannen verklaarden dat [slachtoffer] voorin de auto zat op de bijrijdersstoel.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL0100-2014128751-2, d.d. 16 december 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen:

Op zondag 26 oktober 2014 te 04:38 uur kregen wij kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [weg] , [pleegplaats] , binnen de gemeente Opsterland. Uit het onderzoek bleek dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig bij dat ongeval betrokken was. Ik, [verbalisant 1] , heb op zondag 26 oktober 2014 te 05:09 uur van deze bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Bestuurder is Beginnende bestuurder. De verdachte gaf mij, [verbalisant 1] , op te zijn genaamd: [verdachte] . De verdachte verleende toestemming voor een bloedonderzoek. Op zondag 26 oktober 2014 te 07:26 uur, heeft de [arts] de verdachte door middel van een venapunctie bloed afgenomen. Ik, [verbalisant 2] , heb het bloedmonster gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde analysesticker met het nummer [nummer] . Ik, [verbalisant 2] , heb mij ervan vergewist, dat het bloedmonster verzonden is naar het Nederlands Forensisch Instituut.

2.3

een fotokopie van de voor- en achterzijde van het rijbewijs van [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, dat het rijbewijs voor categorie B geldt vanaf 13.10.11.

2.4

een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2014.10.30.092, d.d. 4 november 2014 opgemaakt door K.S. Kruseman, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Op 29 oktober 2014 werd op het NFI ontvangen een bloedblok. Het buisje bestemd voor analyse was voorzien van het SIN [nummer] . Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, 1,41 milligram alcohol per milliliter bloed.

3. een ambtsedig proces-verbaal verkeersongevalsanalyse, nummer 26.10.14.0530.2229, d.d. 7 januari 2015 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verbalisanten, dan wel één van hen:

Op zondag 26 oktober 2014, omstreeks 5:30 uur, hebben wij ter plaatse een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het verkeersongeval. Bij dat ongeval was betrokken een Volvo 66, voorzien van het kenteken [kenteken] . Dit betrof een personenauto (verder Volvo genoemd). Het ongeval had eerder die ochtend, omstreeks 04:38 uur, plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [weg] , gelegen buiten de bebouwde kom onder [pleegplaats] in de gemeente Opsterland. De bestuurder van de Volvo had met zijn voertuig over genoemde weg gereden in de richting van de provinciale weg de N381 ( [pleegplaats] ). In een bocht naar links was de Volvo in de rechter berm terecht gekomen. Vervolgens was de Volvo in de bosschages terecht gekomen en tegen een boom gebotst.

Conclusie: Het ongeval is te wijten geweest aan bestuurdersafhankelijke factoren van de bestuurder van de Volvo. Hij kwam met zijn voertuig in bedoelde bocht naar links in de rechterberm terecht, waarna hij de controle over zijn voertuig heeft verloren. Het betrokken voertuig verkeerde, voor zover kon worden vastgesteld, rijtechnisch in voldoende staat van onderhoud en vertoonde geen gebreken of afwijkingen welke van invloed waren of konden zijn geweest op het ontstaan van het ongeval.

4. een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, betreffende [slachtoffer] , d.d. 26 oktober 2014 opgemaakt door [arts] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Ondergetekende verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd. Ondergetekende verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Onderzoeksbevindingen: Alle letsels zijn vooral aan de rechterzijde lichaamshelft gelokaliseerd. Op rechter arm, knie, borstkas en gezicht schaafverwondingen. Op aangezicht enkele scheurverwonding op re kaak en rechteroor. Fractuur rechterkaak. Re sleutelbeen fractuur. Snijwond in de hals rechts tgv de gordel. Conclusie: niet natuurlijk overleden tgv acceleratie/deceleratie trauma.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair ten laste gelegde, omdat geen sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994). Daartoe is aangevoerd dat de enkele vaststelling van alcoholgebruik doorgaans onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van aanmerkelijke schuld. In dit geval zijn er ook geen andere omstandigheden vastgesteld die maken dat daarvan toch sprake is. Doordat uit het dossier weinig volgt over de toedracht van het ongeval kan niet worden vastgesteld dat verdachte te weinig voorzorgsmaatregelen heeft genomen, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Het is vaste rechtspraak dat het bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de WVW 1994 aankomt op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit de bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat verdachte de auto heeft bestuurd, terwijl het alcoholgehalte van zijn bloed 1,4 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg. Dit terwijl voor verdachte als beginnend bestuurder gold dat zijn bloedalcoholgehalte maximaal 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed mocht zijn. Daarnaast blijkt uit de bovenstaande bewijsmiddelen dat verdachte met de auto in de rechterberm terecht is gekomen en de controle over zijn voertuig heeft verloren en dat de conclusie van de verkeersongevalsanalyse luidt dat het ongeval te wijten is geweest aan bestuurdersafhankelijke factoren van de bestuurder van de auto.

Hoewel het gebruik van alcoholhoudende drank voorafgaand aan het besturen van een motorrijtuig op zich doorgaans onvoldoende is voor het oordeel dat sprake is van schuld in de zin van art. 6 WVW 1994, is dit wel een omstandigheid die kan bijdragen aan dat oordeel.

De combinatie van de omstandigheid dat verdachte de auto heeft bestuurd met een bloedalcoholgehalte dat zeven maal zo hoog was als het toegestane gehalte met de omstandigheden dat verdachte van de weg is geraakt en de controle over de auto heeft verloren, terwijl niet is gebleken dat dit is veroorzaakt door buiten de bestuurder van de auto gelegen factoren, brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte schuld heeft aan het dodelijke verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 van de WVW 1994.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is - ook in onderdelen - slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 26 oktober 2014 te [pleegplaats] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (Volvo, [kenteken] ), daarmede rijdende over de [weg] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door - terwijl verdachte verkeerde onder invloed van het gebruik van alcohol - aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, genoemd motorrijtuig te besturen en daarmee in de rechterberm van de [weg] te gaan rijden, waarbij verdachte de controle over het motorrijtuig heeft verloren en waardoor een botsing met een in de rechterberm staande boom heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [slachtoffer] , inzittende van genoemd motorrijtuig, werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 26 oktober 2014 te [pleegplaats] , als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, 1,41 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, derde lid, van deze wet en overtreding van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft onder invloed van alcoholhoudende drank de controle over de door hem bestuurde auto verloren en is tegen een boom gebotst. Daarbij is de naast hem gezeten passagier [slachtoffer] om het leven gekomen. Verdachtes bloedalcoholgehalte was zeven maal zo hoog als het voor hem als beginnend bestuurder maximaal toegestane gehalte.

Uit de ter terechtzitting namens de ouders en door de zus van het slachtoffer voorgedragen slachtofferverklaringen is gebleken dat het verlies van hun zoon en broer de nabestaanden onbeschrijflijk veel verdriet en onherstelbaar leed heeft bezorgd.

Hoewel de door de rechtbank gehanteerde landelijke oriëntatiepunten in een geval als dit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie jaren als uitgangspunt geven, acht de rechtbank een dergelijke straf hier niet op zijn plaats. Daarbij neemt zij in aanmerking dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor verkeersovertredingen noch voor andere strafbare feiten. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens het reclasseringsrapport en zijn houding ter terechtzitting zelf ook zwaar te lijden heeft onder zijn schuld aan het ongeval en het overlijden van de passagier, die een vriend van hem was. Daarom zal de rechtbank verdachte veroordelen tot de maximale taakstraf van 240 uren. Daarnaast zal de rechtbank hem, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, een rijontzegging voor de duur van twee jaren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde voorts een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de tijd van twee jaren.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2015. Mr. Jansen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

De Wit

locatie Leeuwarden,

Van Emst