Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4460

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
30-09-2015
Zaaknummer
4402011 / VV EXPL 15-95
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

WWZ. Ketenregeling art. 7:668a lid 2 oud BW. Toepasselijkheid arrest Van Tuinen/Wolters (JAR 2012/150).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 668a
Wet werk en zekerheid
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/285
AR 2015/1813
JIN 2015/195 met annotatie van S. Palm
AR-Updates.nl 2015-0939
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 4402011 / VV EXPL 15-95

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 29 september 2015

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. H.J.A. van Dijk, werkzaam bij FNV te Groningen,

tegen

de besloten vennootschap

TAXIWERQ CHAUFFEURSBEMIDDELINGSBUREAU B.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P. Hoogerwerf, advocaat te Hoogeveen.

Partijen zullen hierna " [eiser] " en "Taxiwerq CBB" worden genoemd.

Procesverloop

1.1

[eiser] heeft Taxiwerq CBB in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare terechtzitting van 15 september 2015.

1.2.

[eiser] heeft toen gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. Taxiwerq CBB veroordeelt tot loondoorbetaling aan [eiser] vanaf 6 juli 2015 tot aan de dag waarop rechtsgeldig een einde komt aan het dienstverband van partijen, waarbij het loon wordt gesteld op het gemiddelde aantal uren dat [eiser] werkzaam is geweest in de 12 maanden voorafgaand aan juli 2015;

II. Taxiwerq CBB veroordeelt om [eiser] , binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, toe te laten tot de bedongen werkzaamheden van chauffeur schoolvervoer, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 150,00 per dag verschuldigd aan [eiser] voor elke dag of deel daarvan dat Taxiwerq CBB na betekening van het in dezen te wijzen vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen;

III. Taxiwerq CBB veroordeelt in de kosten van het geding.

1.3.

Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten (nader) toegelicht, waarbij de gemachtigde van Taxiwerq CBB gebruik heeft gemaakt van pleitnotities. Tegelijkertijd is ter zitting behandeld het door [eiser] ingediende voorwaardelijke verzoek tot toekenning van een transitievergoeding (bekend staand bij de rechtbank onder nummer 4410939 AR VERZ 15-11).

1.4.

Het vonnis is op heden bepaald.

Motivering

De feiten

2. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.1.

[eiser] is per 1 januari 1999 in dienst getreden bij één van de ondernemingen van de Oenema Groep. Per 1 maart 2006 is hij in dienst getreden bij J.H. Oenema Transport B.V. (hierna te noemen: Oenema Transport), zulks in de functie van administrateur. In elk geval vanaf 2011 heeft [eiser] uitsluitend nog chauffeurswerkzaamheden voor Oenema Transport verricht, meer in het bijzonder schoolvervoer.

2.2.

Oenema Transport is per 2 oktober 2014 in staat van faillissement verklaard.

2.3.

[eiser] is met ingang van 15 november 2014 in dienst getreden van Taxiwerq Administratieve Diensten B.V. (hierna te noemen: Taxiwerq AD), op basis van een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht voor bepaalde tijd, tot en met 31 mei 2015, zulks in de functie van taxichauffeur. Krachtens deze arbeidsovereenkomst verrichtte [eiser] werkzaamheden als taxichauffeur (schoolvervoer) na daartoe opgeroepen te zijn. Feitelijk verrichtte [eiser] deze werkzaamheden ten behoeve van Taxi Witteveen Lemmer als zogeheten standplaatshouder. In deze arbeidsovereenkomst is de CAO Taxi van toepassing verklaard.

2.4.

Aansluitend op de arbeidsovereenkomst met Taxiwerq AD is [eiser] met ingang van 1 juni 2015 in dienst getreden van Taxiwerq CBB, op basis van een uitzendovereenkomst fase 2 bepaalde tijd, tot en met 5 juli 2015, zulks (eveneens) in de functie van taxichauffeur. In deze arbeidsovereenkomst is de NBBU-CAO van toepassing verklaard, met inschaling en beloning conform de CAO Taxi. Als werkplek is in de arbeidsovereenkomst genoemd Taxi Witteveen Lemmer.

2.5.

In voornoemde NBBU-CAO is onder meer bepaald:

ARTIKEL 17

OPVOLGEND WERKGEVERSCHAP

1. Er is sprake van opvolgende werkgeverschap als de uitzendkracht dezelfde of soortgelijke werkzaamheden verricht op dezelfde werkplek, maar krachtens een arbeidsovereenkomst met een andere werkgever. De rechtspositie van de uitzendkracht bij opvolgend werkgeverschap wordt bepaald volgens artikel 18.

(…)

ARTIKEL 18

RECHTSPOSITIE BEPALEN BIJ OPVOLGEND WERKGEVERSCHAP

1. Indien de uitzendkracht voor een opvolgend werkgever uitzendwerk gaat verrichten volgens artikel 17, dient voor de aanvang van de uitzendovereenkomst door deze opvolgend werkgever een keuze te worden gemaakt tussen toepasselijkheid van het periode- en ketensysteem en het fasensysteem volgens deze cao.

(…)

3. Heeft de opvolgend werkgever de keuze, zoals in lid 1 bedoeld, gemaakt, dan zet de uitzendkracht zijn rechten, met inachtneming van de bepalingen van het fasensysteem of het periode- en ketensysteem, opgebouwd op dezelfde werkplek en in dezelfde of soortgelijke werkzaamheden, bij de opvolgend werkgever voort.

(…)

5. Als de uitzendonderneming opvolgend werkgever is, geldt in afwijking van het bepaalde in artikel 7:668a lid 2 BW het volgende: bij het bepalen van de rechtspositie van de uitzendkracht wordt geen rekening gehouden met het arbeidsverleden van de uitzendkracht bij de vorige werkgever als de uitzendkracht werkzaam was op basis van een uitzend-/arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en deze overeenkomst is geëindigd door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding* door de kantonrechter, dan wel door beëindiging van rechtswege als gevolg van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Een opzegging door de curator in de zin van artikel 40 Faillissementswet wordt niet als een rechtsgeldige opzegging als bedoeld in dit lid aangemerkt.

(…)

2.6.

Taxiwerq heeft [eiser] bij brief van 3 juni 2015 onder meer bericht:

"Middels deze brief bevestigen wij dat je per 6 juli 2015 bij ons uit dienst bent. (…)".

2.7.

Bij brief van 14 juni 2015 heeft [eiser] aan Taxiwerq laten weten dat hij zich op het standpunt stelt een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te hebben krachtens opvolgend werkgeverschap. Daartoe stelt [eiser] in deze brief:

"(…) A. Contract is voor onbepaalde tijd

Taxi Witteveen heeft het school vervoer van Oenema overgenomen. Voor mij geldt dit als "Opvolgend werkgeverschap". Ik reed nl. voor Oenema al jaren de zelfde route, dezelfde kinderen en dus ook in dezelfde gemeente. Mijn werkzaamheden zijn daarbij niet onderbroken geweest. Ik heb vrijdags 14 november mijn bus bij Oenema neergezet en een andere bus bij taxi Witteveen opgehaald om op maandag 17 november weer mijn normale schoolroute te kunnen doen. Dit is tot heden nog zo. Door deze situatie is het volgens de WWZ een opvolgend werkgeverschap en zou mijn contract met Taxiwerq vanaf november 2014 voor onbepaalde tijd moeten zijn. (…)".

2.8.

FNV heeft bij brief van 30 juni 2015 namens [eiser] aan Taxiwerq CBB kenbaar gemaakt dat aanspraak wordt gemaakt op wedertewerkstelling en doorbetaling van loon.

2.9.

Taxiwerq heeft FNV bij brief van 2 juli 2015 medegedeeld:

"(…) Voor de goede orde: 6 november 2014 heeft uw cliënt zich ingeschreven als werkzoekende bij TAXIWERQ, 7 november heeft er een sollicitatiegesprek plaatsgevonden met TAXIWERQ. Hierna hebben wij uw cliënt voorgedragen bij Taxi Witteveen waarna cliënt is gedetacheerd bij Witteveen, met ingangsdatum 15 november 2014.

Daarnaast blijkt uit uw schrijven dat de heer [eiser] per 1 januari 1999 in dienst is bij Oenema en cliënt zijn contract voor onbepaalde tijd door tussenkomst van de curator is opgezegd.

Uw suggestie dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap is onjuist:

1. Er is weliswaar sprake van dezelfde werkzaamheden, er is geen sprake van hetzelfde taxibedrijf (andere vestiging, ander voertuig etc.). Witteveen is bovendien niet de rechtsopvolger van Oenema. Witteveen heeft slechts een deel van het vervoer overgenomen. Van een doorstart of iets dergelijks is nimmer sprake geweest;

2. Van het zogenaamde "bandencriterium" is geen sprake daar TAXIWERQ geen kennis heeft gehad van het functioneren van uw cliënt. (…)".

2.10.

Vanaf 6 juli 2015 heeft [eiser] geen werkzaamheden voor Taxiwerq CBB meer verricht.

Het standpunt van [eiser]

3.1.

legt - samengevat - het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

3.2.

Er is thans sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd bij Taxiwerq CBB.

3.2.1.

Primair voert [eiser] hiertoe aan dat Taxiwerq CBB op grond van de artikelen 17 en 18 NBBU-CAO als opvolgend werkgever van [eiser] dient te worden aangemerkt. Het faillissement van Oenema Transport laat onverlet dat [eiser] daarna dezelfde werkzaamheden, op dezelfde werkplek, is blijven verrichten, maar dan in dienst van Taxiwerq AD en Taxiwerq CBB. Zodoende dienen de arbeidsovereenkomsten met Oenema te worden meegenomen in de keten aan contracten die nadien bij de Taxiwerq-ondernemingen tot stand is gekomen. Deze keten is langer dan toegestaan om nog tot een einde van rechtswege te komen, zodat er volgens [eiser] geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft bij (thans) Taxiwerq CBB.

3.2.2.

Subsidiair voert [eiser] hiertoe aan dat er op grond van artikel 7:668a oud BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan met Taxiwerq CBB als opvolgend werkgever ten aanzien van de verrichte werkzaamheden. Met betrekking tot dit wetsartikel heeft de Hoge Raad in het arrest Van Tuinen/Wolters (HR 11 mei 2012, JAR 2012/150) een onjuiste, want te enge, interpretatie gegeven voor het aannemen van opvolgend werkgeverschap, het zgn. 'bandencriterium'. De wetgever heeft daarvan in het kader van de WWZ afstand genomen door dit 'bandencriterium' uitdrukkelijk niet in de nieuwe wettekst op te nemen. Daarmee had het 'bandencriterium' bij artikel 7:668a oud BW nimmer mogen worden toegepast. Dit wetsartikel dient volgens de interpretatie van de wetgever te worden uitgelegd, aldus [eiser] .

3.3.

Nu er sprake is van een dienstverband voor onbepaalde tijd bij Taxiwerq CBB, is laatstgenoemde jegens [eiser] gehouden tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling.

Het standpunt van Taxiwerq CBB

4.1.

Taxiwerq CBB betwist de vorderingen van [eiser] , waartoe zij - samengevat en voor zover van belang - het volgende aanvoert.

4.2.

[eiser] is met ingang van 15 november 2014 in dienst getreden bij Taxiwerq AD. Dat is een andere juridische entiteit dan Taxiwerq CBB. De arbeidsovereenkomst met Taxiwerq CBB is overeengekomen voor bepaalde tijd en kon derhalve rechtsgeldig door Taxiwerq CBB worden beëindigd.

4.3.

Bij brief van 3 juni 2015 heeft Taxiwerq aan [eiser] bevestigd dat hij per 6 juli 2015 uit dienst zou gaan. Deze (in de visie van Taxiwerq) opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft daarmee plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van de WWZ per 1 juli 2015. Daarop is het oude recht van toepassing, waaronder het 'bandencriterium' dat door de Hoge Raad in het arrest Van Tuinen/Wolters is gegeven voor de toepassing van artikel 7:668a oud BW. In het onderhavige geval is er geen sprake van opvolgend werkgeverschap tussen Oenema Transport en Taxiwerq, omdat niet aan het 'bandencriterium' is voldaan. [eiser] heeft gewoon bij Taxiwerq gesolliciteerd na het faillissement van Oenema en is vervolgens aangenomen als taxichauffeur. Taxiwerq was vooraf niet bekend met de kennis en capaciteiten van [eiser] .

4.4.

[eiser] is met Taxiwerq CBB een overeenkomst aangegaan waarbij hij als taxichauffeur werkzaamheden verrichtte. [eiser] vordert thans echter wedertewerkstelling in de functie van chauffeur schoolvervoer. Die vordering kan niet worden toegewezen. Hooguit kan [eiser] vorderen dat hij als taxichauffeur weer te werk zal worden gesteld.

De beoordeling van het geschil

5.1.

Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van de door [eiser] ingestelde vorderingen, strekkende tot loondoorbetaling en wedertewerkstelling.

5.2.

Voor toewijzing van de vorderingen van [eiser] is alleen dan plaats, indien in dit kort geding in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen [eiser] en Taxiwerq CBB.

5.3.

[eiser] heeft primair onder verwijzing naar de artikelen 17 en 18 NBBU-CAO bepleit dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen hem en Taxiwerq CBB, als opvolgend werkgever van Oenema Transport. Naar het oordeel van de kantonrechter faalt deze grondslag van het gevorderde. Daartoe overweegt hij als volgt. Voor de vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap, dient allereerst te worden gekeken naar de indiensttreding van [eiser] bij Taxiwerq AD. In de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Taxiwerq AD is de CAO Taxi van toepassing verklaard en niet (ook) de NBBU-CAO. De artikelen 17 en 18 NBBU-CAO hebben naar voorlopig oordeel dan ook geen betekenis voor het dienstverband bij Taxiwerq AD. Derhalve kan Taxiwerk AD niet krachtens deze CAO-artikelen als opvolgend werkgever van [eiser] (na diens dienstverband bij Oenema Transport) worden aangemerkt. Dat in de uitzendovereenkomst tussen [eiser] en Taxiwerq CBB vervolgens wel de toepasselijkheid van de NBBU-CAO is overeengekomen, maakt dat niet anders. Deze arbeidsovereenkomst is in de keten immers niet gevolgd op die tussen Oenema Transport en [eiser] , maar zit een schakel verderop in de keten, ná die tussen Taxiwerq AD en [eiser] .

5.4.

Subsidiair heeft [eiser] ter onderbouwing van de gestelde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen hem en Taxiwerq verwezen naar artikel 7:668a oud BW.

5.4.1.

De kantonrechter stelt vast dat de uitzendovereenkomst tussen Taxiwerq CBB en [eiser] is geëindigd ná de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 7:668a BW dat in het kader van de WWZ per 1 juli 2015 is ingevoerd, en wel per 5 juli 2015.

Krachtens artikel XXIIIe lid 2 van het overgangsrecht WWZ (Stb. 2014, 216) is op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd het recht van toepassing dat gold ten tijde van het sluiten van deze tijdelijke arbeidsovereenkomst, in dit geval - waarin de laatste overeenkomst vóór 1 juli 2015 is afgesloten - dus artikel 7:668a oud BW. Ook partijen gaan daar overigens van uit.

5.4.2.

In artikel 7:668a oud BW is - voor zover van belang - het volgende bepaald:

1. Vanaf de dag dat tussen dezelfde partijen:

a. arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;

b. meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.

2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werkgever en verschillende werknemers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.

(…)

5.4.3.

Krachtens het eerste lid van artikel 7:668a BW wordt voor conversie van een reeks arbeidsovereenkomsten tussen juridisch dezelfde partijen uitsluitend rekening gehouden met arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Hierbij tellen arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd niet mee (Kamerstukken I, 1997/98, 25 263, nr. 132d, p. 10). Echter, in het onderhavige geval is een situatie van (mogelijk) opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW aan de orde. Bij conversie bij opvolgende werkgevers tellen óók arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd mee (Kamerstukken II, 1996/97, 25 263, nr. 6, p. 40). Dus moet in dit geval ook aandacht worden geschonken aan de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die [eiser] bij Oenema Transport had, om te bepalen of er al dan niet sprake is van opvolgend werkgeverschap.

5.4.4.

De Hoge Raad heeft in het reeds genoemde arrest Van Tuinen/Wolters overwogen dat voor de beantwoording van de vraag of van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:668a lid 2 BW sprake is, bepalend is enerzijds of de opvolgende arbeidsovereenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en anderzijds of tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever. In de Parlementaire Geschiedenis wordt daarbij als standaardvoorbeeld genoemd de werknemer die zowel als uitzendkracht als op basis van een arbeidsovereenkomst (nagenoeg) dezelfde werkzaamheden verricht voor hetzelfde bedrijf. Ook kan worden gedacht aan een werknemer die in dienst van verschillende juridische eenheden van dezelfde organisatie (nagenoeg) hetzelfde werk doet (Kamerstukken 1996/97, 25 263, nr. 3, p. 26 en nr. 6, p. 11). In het arrest Boekenvoordeel/Isik (HR 14 juli 2006, JAR 2006,190) heeft de Hoge Raad overwogen dat artikel 7:668a lid 2 BW ook geldt in geval van faillissement en dus ook van betekenis is bij doorstart van een failliete onderneming of bij overname van een onderdeel uit een failliete boedel door een derde.

5.4.5.

[eiser] heeft er terecht op gewezen dat het hiervoor door de Hoge Raad genoemde 'bandencriterium' in de nieuwe wettekst van artikel 7:668a BW door de wetgever expliciet is uitgesloten. In de nieuwe wettekst staat immers opgenomen: Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers die, ongeacht of inzicht bestaat in de hoedanigheid en geschiktheid van de werknemer, ten aanzien van de verrichtte arbeid redelijkerwijze geacht mogen worden elkaars opvolger te zijn.

Deze nieuwe wettekst geldt echter met ingang van 1 juli 2015, terwijl op onderhavige arbeidsovereenkomst het oude recht nog van toepassing is. Ook de door de Hoge Raad in het arrest Van Tuinen/Wolters gegeven overweging over het 'bandencriterium' onder het oude recht dient (daarmee) nog te worden toegepast. Daaraan doet naar het oordeel van de kantonrechter voormelde wijziging in de nieuwe wettekst niet af.

5.4.6.

Aldus dient aan de hand van de door de Hoge Raad in het arrest Van Tuinen/Wolters gegeven maatstaf te worden getoetst of voldaan is aan de criteria van opvolgend werkgeverschap van artikel 7:668a oud BW.

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat de arbeidsovereenkomsten van [eiser] bij Taxiwerq AD en Taxiwerq CBB, waarbij de werkzaamheden als gezegd feitelijk ten behoeve van Taxi Witteveen werden verricht, dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eisten als de arbeidsovereenkomst van [eiser] bij Oenema Transport, als chauffeur (schoolvervoer). Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of tussen de nieuwe werkgever (Taxiwerq) en de vorige werkgever (Oenema Transport) zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van haar ervaringen met [eiser] verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.

5.4.7.

Het antwoord op deze vraag dient naar voorlopig oordeel ontkennend te luiden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn er voorshands onvoldoende feiten en omstandigheden gebleken, die erop wijzen dat tussen Taxiwerq en Oenema Transport zodanige banden (hebben) bestaan, dat het door Oenema Transport op grond van haar ervaring met [eiser] verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid aan Taxiwerq moet worden toegerekend. De standpunten van partijen staan wat dat betreft lijnrecht tegenover elkaar. [eiser] stelt dat hij vrijdag 12 november 2014 zijn taxibus bij Oenema Transport heeft ingeleverd, een bus bij Taxi Witteveen heeft opgehaald en vervolgens vanaf maandag 15 november 2014 met die bus in dienst van Taxiwerq is gaan rijden, op dezelfde route als voorheen bij Oenema Transport. Ook zou de heer [medewerker] van Taxiwerq CBB daarvóór bij Oenema Transport hebben gewerkt, aldus [eiser] . Taxiwerq CBB heeft daartegenover gesteld dat [eiser] zich op 6 november 2014 bij haar heeft geregistreerd, dat er op 7 november 2014 een sollicitatiegesprek heeft plaatsgevonden en dat [eiser] vervolgens op 15 november 2014 met zijn werkzaamheden in dienst van Taxiwerq is aangevangen. Voorts is er geen sprake geweest van een doorstart waarbij Taxiwerq was betrokken en is over het functioneren van [eiser] geen contact geweest tussen Oenema Transport en Taxiwerq. Taxiwerq heeft ook geen inzicht gehad in het personeelsdossier van [eiser] bij Oenema Transport, aldus Taxiwerq.

Om vast te kunnen stellen of aan het 'bandencriterium' is voldaan, is tegen deze achtergrond naar het oordeel van de kantonrechter nader feitenonderzoek noodzakelijk, waarvoor deze kort geding-procedure zich niet leent. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat de enkele omstandigheid dat [eiser] na indiensttreding bij Taxiwerq (mogelijk) dezelfde doelgroep is blijven bedienen als chauffeur als voorheen in dienst van Oenema Transport, onvoldoende is om opvolgend werkgeverschap in de zin van artikel 7:668a lid 2 oud BW aan te kunnen nemen (r.o. 3.4. in fine van het arrest Van Tuinen/Wolters).

5.4.8.

Bij deze stand van zaken kan vooralsnog niet worden geconcludeerd dat er sprake is van opvolgend werkgeverschap leidende tot conversie in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 7:668a oud lid 2 BW.

5.5.

Gelet op het vorenstaande is voorshands niet aannemelijk geworden dat sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen partijen en wordt er vanuit gegaan dat de arbeidsverhouding per 6 juli 2015 (van rechtswege) is geëindigd. In dat licht bezien moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

5.6.

[eiser] dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld, aan de zijde van Taxiwerq vastgesteld op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

BESLISSING

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

1. wijst de vorderingen van [eiser] af;

2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Taxiwerq CBB vastgesteld op € 600,00.

Aldus gewezen door mr. C.J.R. de Locht, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 september 2015 in tegenwoordigheid van mr. M. Postma als griffier.

744/MP