Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4410

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
C17/139222/KG RK 15-5
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking wegens het niet inwilligen van aangeboden getuigenbewijs.

Verzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

LOCATIE LEEUWARDEN

WRAKINGSKAMER

Procedurenummer: C/17/139222/KG RK 15/5

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Uitspraak op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, inzake het op 5 januari 2015 door:

[A] en [B] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen [C c.s.] ,

gemachtigde: de heer [D] ,

ingediende verzoek tot wraking van mr. T.K. Hoogslag, kantonrechter bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

1 Procesverloop

1.1.

[C c.s.] heeft bij faxbericht van 5 januari 2015 mr. T.K. Hoogslag gewraakt in de zaak met zaak-/rolnummer 2802197/ CV EXPL 14-1763.

1.2.

Mr. Hoogslag heeft bij brief van 6 januari 2015 te kennen gegeven niet in de wraking te berusten.

1.3.

De behandeling van het wrakingsverzoek tegen mr. Hoogslag heeft plaatsgevonden op 28 januari 2015 ter zitting van een meervoudige wrakingskamer van deze rechtbank, bestaande uit mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. J.C.G. Leijten en mr. P.G. Wijtsma, rechters.

Voor [C c.s.] is de heer [A] verschenen, bijgestaan door de heer [D] .

2 Rechtsoverwegingen

2.1.

[C c.s.] is gedaagde in conventie, eiseres in reconventie in de civiele procedure tegen [E] (hierna te noemen [E] ), handelend onder de naam Bungalowpark Schatzenburg. De zaak is bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bekend onder zaak-/rolnummer 2802197/ CV EXPL 14-1763. De zaak staat voor vonnis.

2.2.

[C c.s.] legt - samengevat - het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag.

[C c.s.] stelt dat hij in voormelde procedure nadrukkelijk getuigenbewijs heeft aangeboden, maar dat de rechter dat verzoek (nog) niet heeft ingewilligd. Gelet op andere lopende en afgedane zaken tegen [E] verwacht [C c.s.] dat ook in zijn zaak geen getuigen zullen worden gehoord door de rechter. [C c.s.] heeft daarbij verwezen naar een zestal nader aangeduide procedures alsmede naar een tweetal kort geding vonnissen. [C c.s.] wenst duidelijkheid over de vraag of er getuigen zullen worden gehoord vòòrdat er vonnis wordt gewezen. Naar aanleiding van de reactie van mr. Hoogslag geeft [C c.s.] aan dat het niet gaat om het horen van partijen in het kader van een pleidooi of een comparitie, maar om het horen van getuigen.

2.3.

Mr. Hoogslag heeft aangegeven niet in het wrakingsverzoek te berusten. Hij wijst er op dat in het algemeen heeft te gelden dat een partij tegen een onwelgevallig vonnis hoger beroep kan aantekenen om zo te trachten een eerder gegeven oordeel te laten vernietigen. Van de door [C c.s.] onder nummer 3 van het rekest aangehaalde zaken, staan er thans twee voor pleidooi. Dit zal ten overstaan van hem worden gehouden. De derde zaak staat voor dagbepaling comparitie. Er is nog niet bekend ten overstaan van welke rechter deze comparitie gehouden zal worden. In de zaak [E] vs [F] is in eerste aanleg door een collega-rechter, mr. J.E. Biesma, vonnis gewezen. Uitsluitend het vonnis in de zaak [E] vs [G] is door hem gewezen. Niet is gesteld of gebleken dat in deze uitspraak reeds een voorschot is genomen op de nog in de onderhavige kwestie te geven beslissing. Het door hem in deze zaak gegeven oordeel levert geen feiten of omstandigheden op waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Het loutere feit van het eerder beoordelen van een min of meer vergelijkbare kwestie door een zelfde rechter is onvoldoende voor een dergelijke conclusie. Mr. Hoogslag wijst er voorts op dat in meerdere zaken de vorderingen van [E] geheel of gedeeltelijk zijn afgewezen.

2.4.

De wrakingskamer overweegt dat voor de beoordeling van wrakingsverzoeken de toepasselijke norm is gegeven in artikel 36 Rv en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens daaromtrent ontwikkelde criteria.

2.5.

Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ten aanzien van onpartijdigheid wordt in de jurisprudentie onderscheid gemaakt tussen subjectieve en objectieve aspecten van onpartijdigheid. Bij de subjectieve aspecten gaat het om de persoonlijke instelling van de rechter. Hier geldt als criterium dat een rechter moet worden vermoed uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende persoonlijk dan wel aangaande een standpunt in een zaak, een vooringenomenheid koestert. De vrees voor subjectieve partijdigheid van de rechter moet bovendien objectief gerechtvaardigd zijn.

2.6.

De wrakingskamer oordeelt als volgt.

Ingevolge artikel 150 Rv geldt als hoofdregel dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van de feiten of rechten draagt. De zaak van [E] tegen [C c.s.] staat voor vonnis. In dat vonnis zal de rechter een oordeel geven over de gestelde feiten en rechten alsmede over de vraag of (een van) partijen bewijs opgedragen zal worden van door haar gestelde feiten of rechten. Indien deze partij dat bewijs wenst te leveren door het doen horen van getuigen, dan zal een getuigenverhoor (kunnen) plaatsvinden. Of er getuigen gehoord (kunnen) gaan worden, hangt derhalve af van de beoordeling van het geschil door de rechter. Deze beoordeling wordt gedaan in het vonnis. Hetgeen [C c.s.] wenst is slechts mogelijk door het indienen van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Het feit dat mr. Hoogslag nog geen beslissing heeft genomen op het aangeboden getuigenbewijs, brengt derhalve niet met zich dat er sprake is van de (schijn) van partijdigheid. Dat uit de door [C c.s.] aangehaalde uitspraken iets anders zou volgen, is niet gebleken. Enerzijds omdat in deze zaken nog geen vonnis is gewezen, anderzijds omdat, voorzover mr. Hoogslag in een van deze zaken wel vonnis heeft gewezen, hieruit niet volgt dat een gedaan bewijsaanbod in de onderhavige zaak op voorhand van de hand zal worden gewezen. Dat zulks anders zou zijn, heeft [C c.s.] niet aannemelijk gemaakt. Daar waar [C c.s.] nog heeft verwezen naar het kort geding vonnis in de zaak van [H] tegen [E] , overweegt de wrakingskamer dat deze vordering is afgewezen wegens het ontbreken van een voldoende spoedeisend belang. De wrakingskamer merkt daarbij voorts op dat de kort geding procedure zich naar zijn aard ook niet leent voor bewijslevering.

2.7.

Nu naar het oordeel van de wrakingskamer op geen enkele wijze sprake is van enigerlei (schijn van) partijdigheid van mr. Hoogslag, zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.

Beslissing

3.1.

wijst het verzoek van [C c.s.] af;

3.2.

bepaalt dat de procedure in de zaak met zaak-/rolnummer

2802197/ CV EXPL 14-1763 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

3.3.

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan partijen.

Deze uitspraak is vastgesteld en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 11 februari 2015 door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. J.C.G. Leijten en mr. P.G. Wijtsma, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier.