Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4409

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-08-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
C18/157998/PR RK 15-367
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking omdat een lid van het bestuur een nevenfunctie heeft bij de wederpartij.

Verzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

meervoudige wrakingskamer

Zaaknummer/rolnummer: C/18/157998/PR RK 15/367


Beslissing van de meervoudige wrakingskamer van 19 augustus 2015

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van

[A], te [woonplaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom)

1 Procesverloop

1.1.

Bij brief van 6 juli 2015 heeft verzoekster het verzoek tot wraking ingediend van

mr. F. Sijens als rechter in de bestuursrechtelijke procedures met registratienummers

AWB 15/2237 AW en AWB 15/2274 AW.

1.2.

Mr. F. Sijens heeft niet berust in het wrakingsverzoek.

1.3.

Hierop is een wrakingskamer geformeerd, die het verzoek op 9 juli 2015 zou behandelen. In verband met verhindering van mr. W.J.F Nijenhuis, gemachtigde van de derde belanghebbende partij, de Stichting Esdal College, is de behandeling verdaagd. Daarna is een nieuwe wrakingskamer geformeerd bestaande uit mr. M. Griffioen,

mr. R. Tj. Terpstra en mr. H.J. Bastin. Mede in verband met verhindering van mr. Sijens is de datum van behandeling vastgesteld op 13 augustus 2015.

1.4.

Op 13 augustus 2015 is het verzoek tot wraking door de wrakingskamer ter zitting behandeld. Verzoekster en haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Mr. Sijens is verschenen. Namens de derde belanghebbende zijn verschenen [B] en [C].

2 De beoordeling

2.1.

Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:16, eerste lid, van de Awb dient het verzoek om wraking te worden gedaan, zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Verzoekster, althans haar gemachtigde, heeft in de gang van zaken op de zitting van 3 juli 2015 aanleiding gezien zich te verdiepen in de nevenfuncties van de rechters en de bestuursleden van de rechtbank Noord-Nederland en is zodoende eerst na de zitting op de hoogte geraakt van de nevenfunctie van een lid van het gerechtsbestuur bij het Esdal College. Het verzoek om wraking is enkele dagen na de zitting van 3 juli 2015 ingediend. De rechtbank is van oordeel dat verzoekster hiermee heeft voldaan aan het vereiste van artikel 8:16, eerste lid van de Awb.

2.3.

Verzoekster heeft aangevoerd dat de zaak in strijd met aanbeveling 2 van de "Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak" van de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak is behandeld. Een lid van het gerechtsbestuur van de rechtbank Noord-Nederland is lid van de Raad van Toezicht van het Esdal College, verwerende partij in de hoofdzaken. Volgens verzoekster is mr. Sijens hierdoor niet onpartijdig en onafhankelijk.

2.4.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Op dat uitgangspunt kan een uitzondering worden gemaakt wanneer zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter tegenover een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

2.5.

Aanbeveling 2 van de leidraad luidt als volgt:

“De rechter zorgt er voor geen zaak te behandelen waarbij als procespartij iemand uit zijn persoonlijke of zakelijke kennissenkring betrokken is."

De rechtbank overweegt allereerst dat aanbeveling 2 strikt genomen niet van toepassing is op de voorliggende situatie. Er is immers geen sprake van dat een bestuurder van het Esdal College tot de kennissenkring van mr. Sijens behoort en ook overigens is er geen sprake van een directe relatie tussen mr. Sijens met het Esdal College. De relatie is slechts indirect, namelijk via het niet-rechterlijk lid van het gerechtsbestuur de heer [D], die op zijn beurt lid is van de Raad van Toezicht van het Esdal College (en derhalve geen bestuurder is van het Esdal College). [D] staat daarmee naar het oordeel van de wrakingskamer op dusdanige afstand, dat niet van de in Aanbeveling 2 bedoelde relatie kan worden gesproken.

De omstandigheid dat er sprake is van een indirecte relatie tussen mr. Sijens en het Esdal College vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding om te concluderen dat er sprake is van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter. De rechtbank acht hierbij redengevend dat [D], als lid van de Raad van Toezicht, op een afstand staat van de dagelijkse praktijk in het Esdal College, waarvoor de directeur/bestuurder van dat College verantwoordelijk is. Tevens is van belang dat bestuursleden van het gerechtsbestuur op grond van de wet op de Rechterlijke Organisatie geen zeggenschap hebben over de zaaksverdeling (welke rechter krijgt welke zaak), en de inhoudelijke behandeling van een zaak door de verantwoordelijke rechter.

2.6.

Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat tijdens de behandeling ter zitting op 3 juli 2015 verschillende incidenten hebben plaatsgevonden, waaruit verzoekster heeft geconcludeerd dat de rechtelijke onpartijdigheid schade lijdt. Verzoekster wijst hierbij op de werkwijze ter zitting zoals het feit dat de rechter vragen beantwoord wilde zien voordat de gemachtigde zijn pleitnota mocht voordragen. Verder vormen de omstandigheden dat de rechter een reprimande uitdeelde aan haar gemachtigde, dat de rechter heeft gewezen op mogelijke consequenties voor verzoekster tussen haar en haar werkgever als gevolg van deze procedures, dat de rechter opmerkingen heeft gemaakt over het ontbreken van besluiten en de houding van de rechter ter terechtzitting redenen voor verzoekster om te twijfelen aan de onpartijdigheid.

Ten aanzien van de werkwijze ter zitting merkt de rechtbank op dat het past binnen de (nieuwe) wijze van zaaksbehandeling in het bestuursrecht om partijen in beginsel niet te laten pleiten ter zitting, maar om de zaak te bespreken aan de hand van vragen van de rechter. Verder is van belang dat verzoekster haar pleitnota in een later stadium geheel heeft kunnen voordragen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de opmerking van de rechter, waarbij hij informeerde of verzoekster op de hoogte was van het feit dat het voeren van een procedure tegen haar eigen werkgever van invloed kon zijn op de verhoudingen tussen haar en haar werkgever, ook in dit licht moet worden bezien. Binnen de nieuwe zaakbehandeling wordt veelal breder gekeken dan enkel naar de rechtsvraag die is voorgelegd. Van de schijn van partijdigheid of vooringenomenheid op dit punt is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

De vragen van de rechter betreffende het besluitbegrip zijn inhoudelijke vragen die de bestuursrechter moet stellen om het geschil juridisch te kunnen duiden. Voorts heeft de rechter opmerkingen gemaakt over de gang van zaken betreffende het verzenden van nadere stukken naar de rechtbank en de wijze van vaststelling van een zittingsdatum. De wrakingskamer is van oordeel dat een behandelend rechter dergelijke opmerkingen moet kunnen maken. Dat deze opmerkingen door verzoekster en haar gemachtigde als een reprimande zijn opgevat en zij zich ter zitting daardoor enigszins ongemakkelijk en mogelijk overvallen hebben gevoeld doet daaraan niet af. Eén en ander vormt naar het oordeel van de rechtbank gelet op de in rechtsoverweging 2.4. weergegeven maatstaf onvoldoende aanleiding om schijn van partijdigheid of vooringenomenheid aan te nemen.

2.7.

Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de rechterlijke onpartijdigheid schade zouden kunnen doen lijden, moet de conclusie zijn dat het onderhavige verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

3
3. De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank Noord-Nederland:

3.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. Sijens af,

3.2.

bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking,

3.3.

beveelt de onmiddellijke mededeling van deze beslissing aan verzoekster,
mr. F. Sijens en de directeur/bestuurder van de Stichting Esdal College.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Griffioen, voorzitter, en mrs. R. Tj. Terpstra en

H.J. Bastin, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Veenstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2015.

griffier voorzitter

(de griffier is buiten staat deze beschikking te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.