Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4404

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
C18/156281/PR RK 15-244
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek is ingediend 9 dagen na de zitting.

Verzoek is te laat ingediend.

Verzoekster is niet-ontvankelijk in haar verzoek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige wrakingskamer

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/156281 / PR RK 15-244

Beschikking van 5 juni 2015

op het verzoek van

[A] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

verschenen in persoon.

1 De procedure

1.1.

Bij brief van 1 mei 2015 heeft verzoekster het verzoek tot wraking ingediend van
mr. M.J. Oostveen als behandelend kinderrechter van het door verzoekster ingediende verzoek om vervallenverklaring aanwijzing ex artikel 1:259 BW (registratienummer C/18/155736/JE RK 15-21).

Mr. Oostveen heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.

1.2.

Hierop is een wrakingskamer geformeerd, bestaande uit mr. E.M. Visser,
mr. D.W.J. Vinkes en mr. A.W. Wassink.

Op 3 juni 2015 is het verzoek ter zitting behandeld door de wrakingskamer.

1.3.

Ter zitting heeft verzoekster het wrakingsverzoek toegelicht.
Mr. Oostveen heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht en is niet ter zitting verschenen.
[B] , vader van de minderjarige kinderen van verzoekster en hem, is als belanghebbende ter zitting verschenen. [B] heeft aangegeven zich niet te herkennen in het beeld dat verzoekster van de zitting van 21 april 2015 heeft geschetst.

2 Beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak, samengevat weergegeven met het oog op een doelmatige bespreking, om het volgende. Verzoekster heeft verzocht om vervallenverklaring van een door de Gecertificeerde Instelling (GI) gegeven aanwijzing.

Verzoekster is naar aanleiding van de mondelinge behandeling van dit verzoek die plaatsvond op 21 april 2015, van mening dat de rechter niet onpartijdig was en zij heeft daarom verzocht deze rechter te wraken.
Dat wrakingsverzoek heeft verzoekster gedaan bij op 1 mei 2015 gedateerde brief die door de rechtbank op dezelfde datum is ontvangen.

2.2.

Gelet op het tijdsverloop tussen het moment waarop verzoekster naar haar zeggen heeft ervaren dat de rechter volgens haar partijdig is (de zitting van 21 april 2015) en het moment waarop het wrakingsverzoek is gedaan (1 mei 2015), staat in de eerste plaats ter beoordeling of verzoekster in haar wrakingsverzoek kan worden ontvangen.

2.3.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, Rv wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Dit laatstbedoelde artikellid borgt daarmee dat het ernstige gebrek dat aan de behandeling van een zaak kleeft wanneer de onpartijdigheid van een rechter in twijfel wordt getrokken, direct kenbaar wordt gemaakt.

2.4.

In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66) staat dienaangaande dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat dan pas feiten of omstandigheden blijken waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. De rechtbank leest de toelichting aldus dat de mogelijkheid om na afloop van de behandeling een wrakingsverzoek in te dienen niet geboden hoeft te worden indien terstond tijdens de zitting zich dergelijke feiten of omstandigheden voordoen.
De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 april 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AW1287, waarin de Raad van State heeft geoordeeld dat indien de feiten en omstandigheden die aan het wrakingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich ten laatste tijdens de zitting hebben voorgedaan, dit betekent dat indien het verzoek enige tijd na de zitting wordt gedaan, niet is voldaan aan het vereiste van een tijdige indiening.

2.5.

Het wrakingsverzoek berust op de in de brief van 1 mei 2015 aangedragen gronden.

Omtrent het tijdstip van indiening heeft verzoekster ter zitting desgevraagd aangegeven dat zij enige tijd nodig had om te bezien of er voldoende aanleiding was voor een verzoek tot wraking.

2.6.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de gestelde feiten en omstandigheden waarop verzoekster haar wrakingsverzoek heeft gebaseerd zich alle tijdens de zitting van 21 april 2015, alwaar zij werd bijgestaan door een advocaat, hebben voorgedaan en dat eerst op 1 mei 2015 door verzoekster een wrakingsverzoek is ingediend. Daarmee is het verzoek niet gedaan zodra die feiten en omstandigheden bekend zijn geworden. Bijzondere feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel nopen, zijn door verzoekster niet gesteld en zijn ook overigens niet gebleken.

Dat verzoekster zich na de zitting enige tijd wilde bezinnen alvorens een wrakingsverzoek in te dienen, brengt – mede gelet op de tijdsspanne van negen dagen tussen de zitting en de indiening van het wrakingsverzoek – geen ander oordeel met zich.

2.7.

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat verzoekster in haar verzoek tot wraking niet kan worden ontvangen. Aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot wraking komt de rechtbank daarom niet toe.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek;
3.2. bepaalt dat de hoofdzaak (met registratienummer C/18/155736/JE RK 15-21) wordt voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking, bevond;
3.3. beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, mr. Oostveen, [B] , Jeugdzorg Noord en de Hoofdofficier van Justitie.


Deze beslissing is gegeven door mr. E.M. Visser, mr. A.W. Wassink en mr. D.W.J. Vinkes en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2015.

js