Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4347

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
22-09-2015
Zaaknummer
C/19/111016 / KG ZA 15-136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang is niet aannemelijk gemaakt, dus volgt afwijzing in conventie (explosiegevaar doet zich niet voor, evenmin als de andere geschetste omstandigheden).

In reconventie; toepasselijke criterium niet aannemelijk geworden (voor opheffing beslag) of stukken ontbreken voor verdere beoordeling. Verwijzing naar bodemprocedure volstaat niet als onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/111016 / KG ZA 15-136

Vonnis in kort geding van 15 september 2015

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. J.J. Gevers te Assen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GROENGAS 'T HAANTJE B.V.,

gevestigd te Coevorden,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eisers] (mnl.,ev.) en Groengas genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 juli 2015 met 10 producties,

  • -

    de mondelinge behandeling van 25 augustus 2015,

  • -

    de pleitnota van [eisers] ,

  • -

    de pleitnota van Groengas,

  • -

    de eis in (voorwaardelijke) reconventie,

  • -

    de aanhouding ten behoeve van minnelijk overleg tussen partijen,

  • -

    de overigens in het geding gebrachte bescheiden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De voorzieningenrechter kan bij de beoordeling van dit geschil uitgaan van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2.

Bij notariële akte van 18 september 2008 heeft [eisers] als grondeigenaar ten behoeve van de besloten vennootschap Biovergisting 't Haantje B.V., gevestigd te 't Haantje (hierna: Biovergisting), een recht van opstal gevestigd, inhoudende - verkort weergegeven - de bevoegdheid voor Biovergisting om een biomassavergistingsinstallatie met toebehoren te plaatsen en te exploiteren op [eisers] in eigendom toebehorende grond.

2.3.

De notariële akte van 18 september 2008 kent, voor zover hier van belang, de navolgende bepalingen:

"Artikel 2

Duur van het recht van opstal .

Het recht van opstal is ingegaan op heden - deze datum hierna te noemen: "de ingangsdatum" - en is aangegaan voor een tijdvak van vijfentwintig (25) jaren en eindigt op achttien september tweeduizend drie en dertig, behoudens eventuele beëindiging op de hierna in artikel 9 dan wel de overige in de wet genoemd gronden.

(…)

Bij het eindigen van het recht van opstal kan de eigenaar de installatie overnemen tegen een bedrag van één euro (€ 1,00). Indien de eigenaar van het recht tot koop geen gebruik maakt, dan zal opstaller verplicht zijn om de installatie op haar kosten te ontmantelen.

Artikel 3

Retributie. Herziening retributie. Betalingen

De retributie bedraagt vijf en twintig duizend euro (€ 25.000,00) exclusief omzetbelasting per jaar, bij vooruitbetaling maandelijks te voldoen, telkens een bedrag van twee duizend drie en tachtig euro en drie en dertig eurocent (€ 2.083,33) exclusief omzetbelasting, op de eerste van iedere maand.

Artikel 7

Gebruik

1. Opstaller zal de grond en de opstallen uitsluitend gebruiken als biomassavergisting. Op grond van deze bestemming behoort tot het opstalrecht het recht gebruik te maken van de milieuvergunning zoals deze op tien juli tweeduizend zes is verleend door de gemeente Coevorden onder kenmerk 2006/18MSI en van de bouwvergunning zoals deze op achttien december tweeduizend zes is verleend door de gemeente Coevorden onder nummer 20060587.

Artikel 11

Vergoedingsrecht bij einde recht van opstal

(…)

2. Eigenaar heeft een retentierecht op hetgeen opstaller mocht hebben afgebroken, totdat hem hetgeen hij uit hoofde van het recht van opstal heeft te vorderen is voldaan.

Artikel 12

Niet-nakoming

1. Bij niet nakoming van enige verplichting, voortvloeiende uit het recht van opstal, verbeurt opstaller, dan wel eigenaar, na ingebrekestelling en na verloop van de daarin gestelde termijn, ten behoeve van eigenaar respectievelijk opstaller een onmiddellijk opeisbare boete van zestigduizend euro

(€ 60.000,00)."

2.4.

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 30 juli 2013 is

Biovergisting in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de heer mr. M.M.J.

Severiens tot curator.

De curator heeft voornoemd recht van opstal verkocht en op 3 oktober 2013 - voetstoots -

aan Groengas geleverd.

2.5.

Bij brief van 3 december 2013 heeft de toenmalige raadsman van [eisers]

Groengas verzocht c.q. gesommeerd de biomassavergistingsinstallatie met toebehoren

binnen veertien dagen na dagtekening van die brief in gebruik te nemen en te houden,

zodanig dat sprake is van een normale exploitatie. Tevens wordt Groengas verzocht c.q.

gesommeerd de retributie over de maanden oktober en november 2013 te betalen. Groengas

is daarbij uitdrukkelijk gewezen op de boete zoals opgenomen in artikel 12 van de notariële

akte van 18 september 2008.

2.6.

Bij brief van 22 juli 2014, aan [eisers] betekend bij deurwaardersexploit van

dezelfde datum, heeft de toenmalige raadsman van Groengas namens haar het zakelijk recht

van opstal opgezegd met inachtneming van een wettelijke opzegtermijn van één jaar,

derhalve tegen 23 juli 2015. Als reden van de opzegging wordt onder meer genoemd, naast

het niet (meer) kunnen voldoen aan de door de gemeente Coevorden gestelde voorwaarden

als gevolg van een splitsing van de biomassavergistingsinstallatie met toebehoren met het

bedrijf van [eisers] , een of meerdere toerekenbare tekortkomingen van [eisers] , er

daaruit bestaande dat hij vanaf 2012 geen mais en vanaf 2013 geen mest meer heeft

geleverd, hetgeen in strijd is met de omgevingsvergunning. De gemeente Coevorden zou

bovendien handhavend (willen) optreden op aangeven van [eisers] zelf. [eisers]

wordt gesommeerd om binnen een week na dagtekening van de brief de niet-nakoming op te

heffen, bij gebreke waarvan hem de boete van artikel 12 van de notariële akte van

18 september 2008 in het vooruitzicht wordt gesteld.

2.7.

Bij brief van 12 juni 2015 heeft de toenmalige raadsman van [eisers] aan

Groengas bericht dat [eisers] uit hoofde van achterstallige retributies nog een bedrag

van € 32.357,46 toekomt, alsmede de contractuele boete van € 60.000,00 om reden dat de

biomassavergistingsinstallatie voor andere doeleinden zou zijn aangewend dan

overeengekomen. Ter verzekering van zijn rechten en om reden dat Groengas met ingang

van 15 juni 2015 tot ontmanteling en afvoer van de biomassavergistingsinstallatie met

toebehoren wenst over te gaan, wordt zijdens [eisers] aangegeven dat hij het (onder

meer) in artikel 2 van de notariële akte van 18 september 2008 neergelegde retentierecht

uit wil oefenen.

2.8.

Bij brief van 14 juni 2015 heeft de raadsman van Groengas aan [eisers]

bericht dat de installatie op 15 juni 2015 voor een deel zal worden ontmanteld, alsmede dat

hem geen beroep op enig retentierecht toekomt. Voorgesteld wordt om over en weer

zekerheid te stellen via bankgaranties. [eisers] heeft op 15 en 16 juni 2015 belet dat er

zake van de (gedeeltelijk ontmantelde) biomassavergistingsinstallatie met toebehoren

afgevoerd konden worden.

2.9.

Op 16 juni 2015 heeft [eisers] de notariële akte van 18 september 2008 laten

betekenen aan Groengas, met daarbij bevel om binnen twee dagen te voldoen een bedrag

aan achterstallige retributie voor het recht van opstal, per 1 juni 2015 berekend op

€ 32.357,46, alsmede de contractuele boete van € 60.000,00. Op 19 juni 2015 heeft [eisers]

het recht van opstal in executoriaal beslag laten nemen, alsmede de reeds ontmantelde

roerende zaken, afkomstig van de biomassavergistingsinstallatie. De aangekondigde

executieverkoop op 22 juli 2015 heeft geen doorgang gehad.

2.10.

Bij brief van 15 juli 2015 heeft de toenmalige raadsman van [eisers]

Groengas gesommeerd de installaties uiterlijk op 23 juli 2015 te ontmantelen, zijnde de dag

waarop het recht van opstal volgens opzegging eindigt. Op diezelfde dag heeft Groengas

[eisers] gedagvaard tegen de rolzitting van deze rechtbank van woensdag 12 augustus

2015, waarbij zij onder andere een bedrag aan schadevergoeding van [eisers] vordert

van € 3.500.000,00.

2.11.

Uit een emailbericht van 17 juli 2015 van Groengas, heeft (de toenmalige

raadsman van) [eisers] geconcludeerd dat Groengas geen gehoor zal geven aan de in

de brief van 15 juli 2015 vervatte sommatie, waarna hij onderhavige procedure heeft

geëntameerd.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut en op alle dagen en uren:

1. Groengas zal bevelen de biomassvergistingsinstallatie met toebehoren voor eigen rekening en risico verder te ontmantelen en na volledige ontmanteling het desbetreffende terrein zodanig te ontruimen en achter te laten dat deze (zoveel mogelijk) in de toestand komt te verkeren van vóór 18 september 2008 - te weten: akkerland, een en ander aan te vangen binnen een termijn van 2 werkdagen te rekenen vanaf de datum van de betekening van dit vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, alsmede een en ander te voltooien binnen een termijn van 35 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van de betekening van dit vonnis, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor elke werkdag dat Groengas niet voldoet aan de bevelen, tot een maximum van € 350.000,00;

2. Groengas zal veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder begrepen het verschuldigde griffierecht en het tot aan deze uitspraak begrote bedrag aan salaris van de advocaat, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans van de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

3. Groengas zal veroordelen in de na de uitspraak vallende kosten (nakosten), voor wat betreft het salaris van de advocaat (nasalaris) forfaitair berekend op € 131,00 zonder betekening en verhoogd met € 68,00 in geval van betekening, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de datum van het vonnis, althans van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eisers] - tegen de achtergrond van de vaststaande feiten - het volgende ten grondslag.

Groengas is op basis van artikel 2 van de akte vestiging recht van opstal van 18 september 2008 gehouden bij het einde van het recht van opstal de biomassavergistingsinstallatie met toebehoren op haar kosten te ontmantelen. Nu sprake is van een (door [eisers] geaccepteerde) opzegging door Groengas tegen 23 juli 2015, dient Groengas dan ook tot ontmanteling over te gaan en dient deze per 23 juli 2015 een feit te zijn. Het spoedeisend belang van [eisers] bij zijn vorderingen bestaat er uit dat de eigendom van de gedeeltelijk ontmantelde biomassavergistingsinstallatie met toebehoren ex artikel 5:105 lid 1 BW op 23 juli 2015 van rechtswege overgaat op [eisers] , behoudens voor die roerende zaken waarop [eisers] een retentierecht uitoefent. [eisers] wordt aldus enerzijds per die datum verantwoordelijk en aansprakelijk voor de gedeeltelijk ontmantelde biomassavergistingsinstallatie met toebehoren, terwijl hij bij de instandhouding ervan geen enkel belang heeft; reden ook waarom [eisers] geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 2 van de notariële akte van 18 september 2008 genoemde bevoegdheid de opstallen voor een bedrag van € 1,00 over te nemen. [eisers] wordt aldus voor onbepaalde tijd en ten onrechte opgezadeld met zeer aanzienlijke aansprakelijkheidsrisico's, waaronder brand- en stormgevaren, maar - belangrijker nog - het risico zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk aangesproken te worden voor de nog altijd in de opstallen aanwezige vergistingsstoffen. Dat levert een potentieel explosiegevaar op, zolang er geen enkel beheer en/of onderhoud wordt gepleegd aan de opstallen c.q. de vergistingstanks. Eveneens bestaat het niet denkbeeldige risico van stankoverlast in de directe omgeving. Al met al loopt [eisers] dan ook grote risico's, gedurende iedere dag dat de gedeeltelijk ontmantelde biomassavergistingsinstallatie met toebehoren nog langer in stand blijft. [eisers] ziet zich daarnaast geconfronteerd met hoge beheerskosten c.q. het vastrecht van de water- en gasleidingen die van en naar de opstallen lopen. Deze kosten, ruim € 1.100,00 per maand, lopen snel op.

3.3.

Groengas voert de volgende verweren. [eisers] heeft de feitelijke exploitatie van de biomassavergistingsinstallatie van meet af aan onmogelijk gemaakt, zodat Groengas zich uiteindelijk genoodzaakt heeft gezien het recht van opstal mede om die reden op te zeggen. [eisers] heeft er ook de hand in gehad dat de gemeente Coevorden handhavend is gaan optreden. Hierover loopt inmiddels een bestuursrechtelijke procedure bij de rechtbank Noord-Nederland. Groengas heeft bij (de toenmalige gemachtigde van) [eisers] een tijdstip voor de ontmanteling voorgesteld, te weten 15 juni 2015. Daarop is geen reactie gekomen. Evenmin heeft [eisers] zich toen op enig retentierecht beroepen. Op die datum, toen het werk in volle gang was, heeft [eisers] ook dat feitelijk onmogelijk gemaakt, onder andere door het uiten van bedreigingen aan medewerkers die door Groengas waren ingeschakeld. Daags daarop, dat is 16 juni 2015, zijn er diverse beslagen gelegd. [eisers] maakt misbruik van (proces-)recht; enerzijds namelijk heeft hij de ontmanteling en afvoer geblokkeerd, terwijl hij in het kader van deze procedure - zonder (spoedeisend) belang - verwacht dat Groengas wederom kosten maakt door bedrijven in te schakelen voor de verdere ontmanteling. [eisers] zou op die wijze gelegenheid krijgen om na de ontmanteling nader beslag te leggen en tot verkoop over gaan, hetgeen eens te meer onrechtmatig is.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover aangewezen, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

Groengas vordert na eiswijziging dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Alle door [eisers] gelegde (executoriale en conservatoire) beslagen op zaken behorend bij de biomassavergistingsinstallatie op zal heffen, althans [eisers] zal gelasten de gelegde beslagen op te heffen, op straffe van een dwangsom met een maximum van € 350.000,00, te verbeuren met € 10.000,00 per dag voor elke dag dat na een termijn van 2 dagen na dit vonnis, [eisers] niet aan dit vonnis voldoet;

II. [eisers] zal gelasten de door Groengas uit te voeren ontmantelingswerkzaamheden en afvoer van de biomassavergistingsinstallatie en de bijbehorende onderdelen inclusief de gasmotoren) ongehinderd te laten plaatsvinden, en [eisers] zal verbieden de werkzaamheden, op welke wijze dan ook, te frustreren, derden toe zal laten op de terreinen, de hekken af te sluiten op straffe van een dwangsom van € 50.000,00 voor elke overtreding van het verbod met een maximum van € 500.000,00;

III. [eisers] zal veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2.

Aan haar vordering legt Groengas het volgende ten grondslag. De diverse beslagen zijn gelegd voor een achterstand in de retributie en een contractuele boete die verbeurd zou zijn. De hoogte van de door [eisers] gestelde achterstand in de retributie - een bedrag groot € 32.357,46 - wordt uitdrukkelijk door Groengas betwist. Volgens Groengas kan dit hooguit een bedrag van € 15.000,00 zijn, te weten de penningen over de periode januari 2015 tot en met 23 juli 2015. Met betrekking tot het bedrag van € 15.000,00 dient te gelden dat onder Groengas beslag is gelegd op alle penningen die zij aan [eisers] verschuldigd zou zijn. Het beslag is overbetekend aan [eisers] en het is feitelijk onmogelijk, ja zelfs strafbaar, voor Groengas om een dergelijk bedrag van € 15.000,00 te betalen. Daar komt bij dat Groengas [eisers] in rechte heeft betrokken, waarbij zij een vordering van

€ 3.500.000,00 vordert. Groengas heeft haar schade in die procedure beperkt tot dat bedrag, hoewel haar schade meer dan € 5.000.000,00 beloopt. In die procedure beroept Groengas zich op verrekening van de retributiepenningen c.q. neemt zij het standpunt in dat zij vanwege de toerekenbare tekortkoming(-en) van [eisers] geen retributiepenningen verschuldigd is. Voor wat betreft de contractuele boete, waarop de gelegde beslagen eveneens zien, heeft Groengas aangevoerd dat hiervoor ingevolge artikel 12 van de notariele akte van 18 september 2008 een ingebrekestelling vereist is. Deze is er niet. De akte van 18 september 2008 bevat evenmin de verplichting voor Groengas om de biomassavergistingsinstallatie in gebruik te nemen of te houden. Mede om die reden is de boete derhalve niet verschuldigd. Groengas heeft een spoedeisend belang bij de vrijgave van de diverse zaken, alsmede een spoedeisend belang bij ongehinderde ontmanteling en afvoer. Een deel van de zaken is namelijk al eerder verkocht aan Auto Wessel te Losser en ontbinding van die koopovereenkomst dreigt als Groengas niet kan leveren. Tegenover de schade die Groengas bijgevolg zou lijden, staat geen enkel te respecteren belang van [eisers]

4.3.

[eisers] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover aangewezen, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat hij ingevolge artikel 254 Rv in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, bevoegd is deze te geven. Hoewel de voorzieningenrechter zich ervan bewust is dat aan het vereiste van spoedeisendheid in de ene procedure soms minder en in de andere procedure soms meer gewicht wordt toegekend, is zij wel degelijk relevant en van belang, niet alleen dat een dergelijk spoedeisend belang wordt gesteld, maar meer bijzonder ook dat zij (voldoende) aannemelijk gemaakt dient te worden. De voorzieningenrechter is vatbaar voor het argument van Groengas dat [eisers] aan dat laatste niet, althans onvoldoende heeft voldaan. Ter toelichting daarop moge het volgende dienen.

5.2.

[eisers] heeft op 21 juli jl. onderhavig kort geding aangevraagd, met daarbij het verzoek om een zittingsdatum op zo kort mogelijke termijn. Namens de voorzieningenrechter is [eisers] vervolgens gevraagd om een nadere toelichting van dat laatste. Bij faxbericht van dezelfde datum heeft [eisers] gewezen op de omstandigheid dat hij vanaf 23 juli 2015 verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de (gedeeltelijk) ontmantelde biomassavergistingsinstallatie met toebehoren, terwijl hij daar geen belang bij heeft. Meer in het bijzonder heeft [eisers] er op gewezen dat hij met zeer aanzienlijke aansprakelijkheidsrisico's wordt geconfronteerd, niet alleen ten aanzien van brand- en stormgevaren, maar met name het risico dat hij zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk kan worden aangesproken vanwege de nog aanwezige vergistingsstoffen. Die stoffen zouden bovendien een potentieel (explosie-)gevaar opleveren en tot stankoverlast kunnen leiden, aldus nog steeds het faxbericht van de toenmalige raadsman van [eisers] Een en ander staat ook opgenomen in de dagvaarding in exact, dan wel nagenoeg dezelfde bewoordingen, zoals hiervoor bij 3.2. staat weergegeven. Bij faxbericht van 24 juli 2015 heeft de toenmalige raadsman van [eisers] aangegeven dat het eerder genoemde potentieel explosiegevaar zich (toch) niet voordoet, waarna de aanvankelijk geplande zittingsdatum is verplaatst.

5.3.

Met Groengas is de voorzieningenrechter van oordeel dat hierdoor in ieder geval een gedeelte van de motivering van het spoedeisend belang is komen te vervallen. Daar komt bij dat [eisers] naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook de andere door hem genoemde risico's niet voldoende feitelijk heeft onderbouwd, zodat niet kan worden aangenomen dat daar op dit moment enige spoedeisendheid aan de zijde van [eisers] in is gelegen. Tot slot dient niet onvermeld te blijven dat Groengas, althans haar raadsman, ter gelegenheid van de mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld dat Groengas de beheerskosten nog steeds voor haar rekening neemt, evenals de kosten voor water en elektriciteit. Daarmee is het door [eisers] gestelde spoedeisend belang over de gehele linie niet aannemelijk geworden. [eisers] heeft niet aanvullend gesteld noch is het de voorzieningenrechter anderszins gebleken waarom hij desalniettemin een spoedeisend belang heeft bij het gevorderde, zodat dit reeds tot afwijzing moet leiden.

5.4.

[eisers] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Groengas worden begroot op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.429,00

6. De beoordeling in (voorwaardelijke) reconventie

6.1.

De voorzieningenrechter overweegt dat het er schijn van heeft dat Groengas ter gelegenheid van de mondelinge behandeling haar eis in reconventie heeft willen wijzigen van een voorwaardelijke in een onvoorwaardelijke vordering. Duidelijk is Groengas evenwel niet op dit punt, nu de het gestelde onder randnummer 33. van haar pleitnota er evenzeer op lijkt te wijzen dat zij beide opties uitdrukkelijk openhoudt. De voorzieningenrechter overweegt dat de voorwaardelijke reconventie reeds strandt op de uitkomst in de conventie. Immers, de vorderingen zijn ingesteld, voor het geval de vordering van [eisers] (onder 1.) mocht worden toegewezen en dat is niet het geval. Ook de onvoorwaardelijke reconventie dient een zelfde lot te volgen, overigens nog los van de zijdens [eisers] nog aangevoerde bezwaren tegen de eiswijziging. Voor wat betreft de vordering onder I. wordt als volgt overwogen.

6.2.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade. De voorzieningenrechter overweegt dat Groengas heeft nagelaten kopieën van het conservatoire beslag c.q. de conservatoire beslagen in het geding te brengen, maar 'slechts' stukken die zien op executoriaal beslag. In zoverre kan de voorzieningenrechter niet verifiëren of en zo ja waarvoor conservatoir beslag is gelegd. Dit moet reeds tot afwijzing van de gevorderde opheffing van de conservatoire beslagen leiden.

6.3.

Waar het gaat om de opheffing van een executoriaal beslag overweegt de voorzieningenrechter dat hij slechts een beperkte taak heeft. Hij zal slechts in de executie mogen ingrijpen, indien de executant zich door de executie schuldig maakt aan misbruik van bevoegdheid. Daarvan kan slechts sprake zijn, indien de te executeren titel klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien tenuitvoerlegging op grond van na de titel voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Vastgesteld moet worden dat Groengas dienaangaande niets concreet heeft gesteld, hetgeen reeds tot afwijzing van de gevorderde opheffing van de executoriale beslagen moet leiden. Daar kan niet voldoende aan afdoen dat Groengas nog heeft gewezen op de discrepantie die er volgens haar bestaat tussen haar vordering en de vordering van [eisers] Daarover kan de voorzieningenrechter betrekkelijk kort zijn.

6.4.

Hoewel [eisers] niet met zoveel woorden heeft bestreden dat de achterstand in de retributie volgens Groengas - hooguit - nog € 15.000,00 zou kunnen zijn, leent deze procedure zich niet goed voor de vraag of er daarnaast ook nog een boete door Groengas verschuldigd is. Dit zal vermoedelijk in de door Groengas geëntameerde bodemprocedure of in een separate procedure aan de orde moeten komen. Het voorgaande heeft ook te gelden voor de vordering die Groengas op [eisers] stelt te hebben en welke ongeveer

€ 5.000.000,00 zou bedragen; ook dat dient in een eventuele bodemprocedure aan de orde te komen. Het strekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter (veel) te ver om een dergelijke vordering reeds aan te nemen op basis van een uitgebrachte dagvaarding, ondanks de omstandigheid dat de vordering daarin is beperkt tot € 3.500.000,00. Omtrent de waarde van de beslagobjecten is de voorzieningenrechter in het geheel niet gebleken. Op grond van het voorgaande dient de vordering onder I. dan ook in zijn geheel afgewezen te worden. De vordering onder II. dient - nu de beslagen immers gehandhaafd blijven - eveneens afgewezen te worden. Groengas zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

7 De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

7.1.

wijst de vorderingen af,

7.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van Groengas tot op heden begroot op € 1.429,00,

7.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

7.4.

wijst de vorderingen af,

7.5.

veroordeelt Groengas in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 408,00,

7.6.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2015.1

1 type: coll: