Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4329

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-09-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
4297720
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Incasso, wanprestatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 4297720 \ CV EXPL 15-7602

vonnis van de kantonrechter ex art. 254 lid 4 Rv d.d. 9 september 2015

inzake

[A] , handelend onder de naam [B] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gemachtigde: mr. L.C.L. Bults,

tegen

1. de besloten vennootschap

[C] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

vertegenwoordigd door haar bestuurder: [D]

en

2. [D],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

procederende in persoon.

Partijen zullen hierna [A] en [C] en [D] worden genoemd.

Procesverloop

1.1.

[A] heeft [C] en [D] in kort geding gedagvaard. Door [E] is in opdracht van [D] een brief met negen bijlagen als verweer bij de rechtbank ingediend. (De gemachtigde van) [A] heeft geen afschrift van voormeld verweer ontvangen.

1.2.

De zaak is op 25 augustus 2015 ter zitting behandeld, ter gelegenheid waarvan partijen voorafgaand aan de zitting producties in het geding hebben gebracht, te weten producties tien tot en met veertien aan de zijde van [A] en bijlagen twee tot en met zes aan de zijde van [C] en [D] . Namens eiser waren bij de mondelinge behandeling aanwezig [A] en mr. Bults, namens gedaagden waren aanwezig [D] en [F] (hierna te noemen: [F] ), uitvoerend producent bij [C] . Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij [C] en [D] gebruik hebben gemaakt van pleitnotities en een document van 14 mei 2014 hebben overgelegd, inhoudende een voorschotnota aan [A] van € 3.500,00. De griffier heeft van hetgeen ter zitting is verhandeld aantekeningen gemaakt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2.1.

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

2.2.

[A] drijft gedurende circa dertig jaar een eenmanszaak zonder personeel die zich bezighoudt met het verzorgen van de catering voor theater- en filmproductiebedrijven.

2.3.

[C] is opgericht ten behoeve van de productie van de Nederlandse film " [filmnaam] " (hierna: [filmnaam] ) die in januari 2015 in première is gegaan. [D] is filmproducent en muziekmanager.

2.4.

In 2010 heeft [A] in opdracht van [D] de catering verzorgd tijdens de opnames van de film " [filmnaam] ", welke verzorging probleemloos is verlopen, gefactureerd en betaald. Tussen [A] en [C] is omstreeks begin 2014 een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen, uit hoofde waarvan [A] de catering zou verzorgen voor de crew en cast tijdens de opnames van [filmnaam] (hierna: de overeenkomst). Een week voor aanvang van de draaiperiode zijn partijen overeengekomen een tweede cateraar bij de opdracht te betrekken, omdat de capaciteit van [A] niet toereikend was voor het aantal te cateren personen en deze ook niet op korte termijn kon worden uitgebreid en hebben partijen een budget afgesproken van € 7,50 per persoon per dag.

2.5.

[A] heeft [C] na afloop van de cateringopdracht drie facturen ter zake de catering gestuurd. Twee van de drie facturen zijn na aanmaning en sommaties tot op heden onbetaald gebleven, te weten de factuur van 24 juli 2014 met het factuurnummer 1418.1729 ad € 11.185,66 en de factuur van 28 juli 2014 met het factuurnummer 1419.2730 ad € 2.612,47 (hierna: de facturen).

2.6.

[A] heeft bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank op 18 juni 2015 verlof gevraagd en gekregen voor het ten laste van [C] en [D] leggen van conservatoir beslag onder ING Bank N.V., Coöperatieve Rabobank Leeuwarden-Noordwest Friesland U.A., Coöperatieve Rabobank Drachten Friesland Oost U.A. en ABN AMRO Bank N.V. Voormelde beslagleggingen hebben tot de datum van het kort geding geen doel getroffen.

De vordering

3.1

[A] vordert hoofdelijke veroordeling van [C] en [D] , zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag aan hoofdsom van

€ 14.744,09, alsmede de wettelijke handelsrente over de onbetaald gebleven facturen vanaf de dag van opeisbaarheid ervan tot de datum van voldoening van de hoofdsom, per 30 juni 2015 bedragende € 945,96. Tevens vordert [A] buitengerechtelijke kosten ad

€ 912,98, beslagkosten en proceskosten.

3.2.

[A] baseert zijn vordering ten aanzien van [C] op toerekenbare tekortkoming in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst, althans onrechtmatig handelen van [C] wegens het ondanks aanmaningen en ingebrekestellingen niet betalen van de opeisbare facturen. Ten aanzien van [D] legt [A] bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag aan zijn vordering. Daartoe heeft [A] gesteld dat [D] op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk is nu hij als bestuurder heeft toegelaten althans bewerkstelligd dat [C] de facturen onbetaald laat. De schade die [A] door het onrechtmatig handelen van [D] lijdt is gelijk aan de onbetaald gelaten facturen en de rente en incassokosten. Voorts vreest [A] dat [C] onder leiding van [D] geen verhaal zal bieden omdat het vermogen van de vennootschap, zoals te doen gebruikelijk in de filmbranche, zal worden vereffend en de vennootschap zal worden ontbonden of een slapend bestaan zal leiden nu de film ten behoeve waarvan de vennootschap is opgericht, gereed is.

3.3.

Reagerend op het verweer van [C] en [D] heeft [A] nog gesteld dat partijen een aanneemsom voor de catering zijn overeengekomen zonder nacalculatie. Nimmer is afgesproken dat inkoopbonnen door [A] bij [C] en [D] zouden worden ingeleverd, noch dat inzage in de administratie van [A] zou worden gegeven. Voorts heeft [A] betwist dat de kwaliteit van de door hem geleverde catering onvoldoende zou zijn.

Het verweer

4.1.

[C] en [D] voeren verweer tot afwijzing van de vorderingen van [A] . Zij hebben daartoe - samengevat - het volgende gesteld. De onderhavige kwestie leent zich niet voor een incasso kort geding, nu het om betwiste facturen gaat. (De gemachtigde van) [A] heeft bewust de betwisting van de zijde van [C] en [D] weggelaten bij de door hem ingediende processtukken. Van bestuurdersaansprakelijkheid kan geen sprake zijn. Immers, bestuurdersaansprakelijkheid is slechts aan de orde in het geval van onbetwiste facturen die willens en wetens niet worden betaald, hetgeen in de onderhavige kwestie geenszins het geval is. De kwaliteit van de door [A] geleverde catering was, getuige de vele klachten, ver onder de maat. De verhouding tussen de kwaliteit en het inkoopbudget waarop [C] voorschotten heeft uitgekeerd is dusdanig dat [C] en [D] een afrekening ervan willen zien. Bovendien is afgesproken tussen partijen dat [A] zijn inkoopbonnen zou overleggen, hetgeen blijkt uit de overgelegde e-mailwisseling.

4.2.

[C] en [D] hebben in reconventie gevorderd dat [A] wordt geboden de inkoopbonnen ter zake te overleggen en hebben hun eis ter zitting vermeerderd in die zin dat tevens de door [A] verkregen beslagleggingen worden opgeheven. Voorts hebben [C] en [D] gesteld dat [F] en [D] twee dagen aan de onderhavige kwestie hebben besteed waardoor zij schade hebben geleden, ter zake waarvan zij een eventuele kostenveroordeling aan de rechtbank overlaten.

De beoordeling

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze vorderingen hierna gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

Vooropgesteld wordt dat [D] als bestuurder van [C] ter zitting heeft verklaard desnoods in privé garant te willen staan voor de betaling van de facturen van de onderhavige vordering indien deze toewijsbaar zouden blijken te zijn. Naar aanleiding van voormelde verklaring heeft [A] gesteld de vorderingen tegen [D] in privé alsmede de beslagen onder [C] en [D] in te trekken. De kantonrechter begrijpt hieruit dat [A] zijn vordering ter zake bestuurdersaansprakelijkheid wenst in te trekken. Voorts stelt de kantonrechter, gelet op voormelde verklaringen van partijen, vast dat de vordering in reconventie voor zover deze ziet op het opheffen van de beslagen kan worden toegewezen.

5.3.

Voorts is van belang dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal - vooruitlopend op de uitkomsten van een bodemprocedure - niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening. Als volgt wordt overwogen.

5.4.

De kantonrechter is van oordeel dat voldoende spoedeisend belang aanwezig is, nu dit ook niet als zodanig wordt betwist door [C] en [D] . In dat verband acht de kantonrechter tevens van belang de stelling van [A] dat weliswaar geen sprake is van een acute financiële nood maar dat de onderhavige kwestie een dermate grote financiële belasting voor [A] vormt - zowel ten aanzien van zijn bedrijfsvoering als privé - dat de zaak zo snel mogelijk afgerond dient te worden, waarbij bovendien gevreesd wordt voor de verhaalsmogelijkheid op [C] . Dat ter zitting is komen vast te staan dat deze vrees, gelet op de verklaring van [D] (r.o. 5.2.), niet langer gegrond is maakt dit oordeel niet anders. Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een restitutierisico aan de zijde van [A] .

5.5.

Uitgaande van voornoemde situatie waarin er sprake is van een spoedeisend belang zonder restitutierisico is de vordering van [A] in kort geding slechts toewijsbaar indien in hoge mate aannemelijk is dat zijn vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Evenzo geldt voor de vordering in reconventie betreffende overlegging van de inkoopbonnen van [C] en [D] dat toewijzing ervan in een bodemprocedure in hoge mate aannemelijk moet zijn. Als volgt wordt overwogen.

5.6.

[C] en [D] hebben de verschuldigdheid van de facturen betwist met de stelling dat de kwaliteit van de door [A] geleverde zaken onvoldoende was en dat is afgesproken dat nacalculatie zou plaatsvinden en dat [A] zijn inkoopbonnen ter zake aan [C] en [D] zou overleggen. [C] en [D] hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat is afgesproken dat [A] achteraf verantwoording zou afleggen over zijn inkoopuitgaven, hetgeen door [A] wordt betwist, e-mailcorrespondentie tussen partijen overgelegd. De kantonrechter acht onvoldoende aannemelijk gemaakt door [C] en [D] dat sprake is geweest van een afspraak over nacalculatie en dat [A] zijn inkoopbonnen zou overleggen dan wel anderszins inzage zou geven in zijn administratie. Weliswaar blijkt uit de email-correspondentie dat [C] en [D] aan [A] hebben meegedeeld dat zij inzage in de uitgaven van [D] ter zake wensen, maar niet gebleken is - mede gelet op de uitdrukkelijke betwisting ervan - dat [A] hiermee heeft ingestemd.

5.7.

Het voorgaande neemt niet weg dat het desondanks niet onredelijk hoeft te zijn dat [C] en [D] om een onderbouwing vragen van de door [A] geleverde producten indien zij gerede twijfel hebben of de geleverde zaak beantwoordt aan de overeenkomst en indien hiertegen geen gerechtvaardigde bezwaren aan de zijde van [A] bestaan.

5.8.

[C] en [D] hebben gemotiveerd en met verklaringen onderbouwd aangevoerd dat en op welke wijze het door [A] geleverde product niet voldeed aan hetgeen op grond van de overeenkomst verwacht mocht worden. Hoewel [A] dit verweer heeft weerlegd kan dit, naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter, niet zonder nadere feitenverzameling en eventuele bewijsvoering terzijde worden geschoven. Daarbij geldt ook dat [D] heeft aangegeven dat, gelet op de kleine wereld waarin [A] en [D] opereren, een principiële en zorgvuldige afweging van alle aspecten van deze zaak van groot belang is.

Nu toewijzing van de geldvordering niet op voorhand aannemelijk is en er een aantal principiële aspecten nader uitgewerkt dient te worden, waartoe een kort geding niet de aangewezen route is, dienen de vorderingen afgewezen te worden.

5.9.

Evenzo zal de vordering in reconventie van [C] en [D] tot overlegging van de inkoopbonnen door [A] worden afgewezen, nu onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat partijen een dergelijke afspraak hebben gemaakt en voorts in de onderhavige procedure niet kan worden vastgesteld of de kwaliteit van de door [A] geleverde zaken onvoldoende was zodat [C] en [D] in redelijkheid inzage in de bonnen mogen krijgen.

5.10.

[C] en [D] hebben een niet nader bepaald bedrag aan schade gevorderd. [C] en [D] hebben de volgens hen geleden schade niet nader onderbouwd. De enkele stelling dat zowel [D] als [F] twee dagen van hun werk missen door de onderhavige procedure met daarbij vermelding van hun tarieven c.q. omzetten acht de kantonrechter in dit verband onvoldoende. Deze schade zal dan ook worden afgewezen.

5.11.

Ingevolge het bepaalde in artikel 238 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kunnen onder de kosten in zaken waarin een in persoon procederende partij in het gelijk wordt gesteld, worden opgenomen een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke reis- en verblijfkosten, alsmede een door de rechter te bepalen bedrag voor noodzakelijke verletkosten van die partij. Nu [A] in conventie als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij wordt aangemerkt dient hij in de proceskosten van [C] en [D] te worden veroordeeld. Nu [C] en [D] in persoon hebben geprocedeerd worden de kosten in conventie naar billijkheid vastgesteld op € 150,00 wegens verletkosten.

5.12.

De proceskosten in reconventie zullen worden gecompenseerd nu partijen elk (deels) in het ongelijk zijn gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

Rechtdoende in kort geding

in conventie

wijst de vorderingen van [A] af;

veroordeelt [A] in de proceskosten aan de zijde van [C] en [D] vastgesteld op € 150,00;

in reconventie

heft, voor zover deze er nog liggen, de beslagen op ten laste van [C] en [D] onder ING Bank N.V., Coöperatieve Rabobank Leeuwarden-Noordwest Friesland U.A., Coöperatieve Rabobank Drachten Friesland Oost U.A. en ABN AMRO Bank N.V.;

compenseert de proceskosten;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 september 2015 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 426.