Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4317

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
14-09-2015
Zaaknummer
4276995 AR VERZ 15-2
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kort geding, concurrentiebeding bij arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd; belangenafweging, zwaarwegend bedrijfs- en dienstbelang; overgangsrecht WWZ

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0885
GZR-Updates.nl 2015-0415
AR 2015/1682
Prg. 2015/271
JAR 2015/249
TvPP 2015, afl. 5, p. 149
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak\rolnummer: 4276995 AR VERZ 15-2

Vonnis van de kantonrechter van 8 september 2015

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

hierna [A] te noemen,

gemachtigde mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen (Oude Boteringestraat 75, 9712 GG),

tegen

de besloten vennootschap Doevenkamp B.V., handelend onder de naam ADhD Noord,

gevestigd te [vestigingsplaats] , [adres] ,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

hierna ADhD Noord te noemen,

gemachtigde mr. N. Entzinger, advocaat te Groningen (postbus 723, 9700 AS).

PROCESGANG

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 7 juli 2015, heeft [A] verzocht:

A. bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 224 Rv:

te bepalen dat de werking van het concurrentiebeding en relatiebeding uit de arbeidsovereenkomst voor de duur van 31 december 2013 tot en met 30 juni 2014, voor zover bij wege van voorlopig oordeel wordt vastgesteld dat deze bedingen tussen partijen gelding hebben, worden geschorst, dan wel de werking ervan zodanig wordt beperkt en de daarin opgenomen boetes zodanig worden gematigd als de kantonrechter in goede justitie juist acht, zulks totdat in de bodemprocedure onherroepelijk daarover is beslist;

bij wege van eindbeschikking:

primair:

het tussen partijen van kracht zijnde concurrentiebeding en relatiebeding geheel te vernietigen dan wel zodanig partieel te vernietigen en de daarin opgenomen boetes zodanig matigt als het de kantonrechter in goede justitie juist voorkomt;

subsidiair en voor het geval de kantonrechter het primair verzochte niet zal toewijzen:

aan [A] een vergoeding ex artikel 7:753 lid 4 BW toe te kennen van € 15.863,04 althans enig ander door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

ADhD Noord te veroordelen in de kosten van de voorlopige voorziening en de bodemprocedure.

ADhD Noord heeft in reconventie gevorderd:

  1. [A] te gebieden het tussen partijen overeengekomen concurrentie-/relatiebeding na te komen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag(deel) dat [A] daarmee in gebreke blijft, ingaande vanaf 2 dagen na betekening van dit vonnis;

  2. [A] te gebieden binnen 2 dagen na dagtekening van dit vonnis zijn onderneming KTC Base te staken en gestaakt te houden;

  3. [A] te veroordelen tot het betalen aan ADhD Noord van een voorschot op de verbeurde boetes ten bedrage van € 26.250,00 althans een zodanig bedrag als de kantonrechter in goede justitie meent te moeten vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis;

  4. [A] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2015. Partijen (ADhD Noord vertegenwoordigd door [B] ) en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, mede aan de hand van de door de gemachtigde van [A] opgestelde pleitaantekeningen.

Ter zitting heeft [A] verzocht zijn verzoekschrift te behandelen als ware het een dagvaarding in kort geding en heeft hij zijn vordering beperkt tot hetgeen hij in het verzoekschrift onder A. heeft verzocht.

Het verzoekschrift is vervolgens – met instemming van ADhD Noord – door de kantonrechter op de voet van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Strafvordering behandeld als ware het een dagvaarding in kort geding.

Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.

Nadat partijen er niet in waren geslaagd een minnelijke schikking te bereiken is de behandeling gesloten en uitspraak bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

in conventie en in reconventie

1 De feiten

1.1

Het volgende staat tussen partijen vast en acht de kantonrechter van belang.

1.2

ADhD Noord exploiteert een particuliere zorginstelling. Een belangrijk onderdeel van haar dienstverlening is het beschermd wonen binnen een 24-uurs zorg. Zij heeft een kantoor in Emmen en dependances in Nieuw-Buinen en Stadskanaal. De locatie in Stadskanaal biedt gefaseerde 24-uurs zorg voor jongeren tot 23 jaar. De locatie Nieuw-Buinen biedt beschermd wonen binnen een kleinschalige locatie.

1.3

[A] is per 1 juli 2012 bij ADhD Noord in dienst getreden als begeleider in de 24-uurs zorg voor 32-38 uur per week op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van 6 maanden. Dit dienstverband is aansluitend verlengd voor de duur van een jaar en vervolgens opnieuw verlengd voor de duur van 6 maanden. Per 1 juli 2014 heeft ADhD Noord besloten de arbeidsovereenkomst met [A] niet te verlengen.

1.4

In de aan de arbeidsrelatie ten grondslag liggende arbeidsovereenkomsten, die alle door [A] van een handtekening zijn voorzien, is in artikel 8 onder het kopje concurrentiebeding / relatiebeding het volgende bepaald:

  1. Het is werknemer verboden om gedurende de arbeidsovereenkomst en 2 jaren na beëindiging van de arbeidsovereenkomst direct of op enigerlei wijze indirect, binnen een straal van 100 kilometer, hetzij voor, door of met anderen een onderneming te drijven of op enigerlei wijze werkzaam, behulpzaam of betrokken te zijn, hetzij financieel of anderszins belang te hebben bij een bestaande of nog te stichten onderneming met identieke bedrijfsactiviteiten als van werkgever waarmee deze arbeidsovereenkomst is gesloten of door een in welke rechtsvorm dan ook tot het bedrijf van werkgever behorende onderneming (voorzover althans het laatstgenoemde ondernemingen betreft, werknemer daarbij tijdelijk of blijvend tewerk is gesteld of daarmee door zijn werkkring in aanraking is gekomen).

  2. Eveneens is het werknemer verboden gedurende bovengenoemd periode in een dergelijk bedrijf werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet.

  3. Het is werknemer verboden, zonder schriftelijke toestemming van de werkgever, gedurende de arbeidsovereenkomst en binnen een tijdvak van 2 jaren na beëindiging van de dienstbetrekking, zijn diensten aan te bieden aan één van de cliënten van werkgever, op welke wijze dan ook, of deze cliënten anderszins te benaderen of voor één van de cliënten van werkgever arbeid te verrichten, in welke vorm ook, betaald of onbetaald, direct of indirect.

  4. Overtreding van het hierboven gestelde wordt bestraft met een boete van € 1.000,00 (zegge: duizend euro) en een boete van € 100,00 (zegge: honderd euro) voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. De boete komt ten goede aan de werkgever.

  5. Werkgever is gerechtigd in plaats van de in dit artikel genoemde boete volledige schadevergoding te vorderen.

  6. Werknemer is door de enkele overtreding of niet nakoming van het bovenstaande van rechtswege in gebreke.

1.5

Uit het door [A] overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt dat [A] aldaar met ingang van 1 november 2014 een eenmanszaak heeft ingeschreven onder de naam KTC Base in [vestigingsplaats] .

1.6

Vanaf 5 januari 2015 heeft [A] in Stadskanaal en Nieuw-Buinen diensten aangeboden aan ex-cliënten van ADhD Noord.

1.7

Bij brief van 18 juni 2015 heeft ADhD Noord [A] aangesproken op overtreding van het in de destijds tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomsten opgenomen concurrentie- en relatiebeding.

2 Het geschil

In essentie twisten partijen over het antwoord op de vraag of [A] het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden en of hij (nog) aan dat beding kan worden gehouden.

3 De beoordeling

3.1

De kantonrechter zal hierna op het verzoekschrift beslissen als ware het een dagvaarding in kort geding en daarbij de eis in reconventie eveneens aanmerken als ware die bij wijze van voorlopige voorziening ingediend.

De eis van [A] zal daarbij, overeenkomstig de ter zitting uitgesproken mondelinge wijziging (-vermindering), worden beperkt tot het sub A gevorderde en krachtens artikel XXIIc (overgangsrecht WWZ) worden behandeld op basis van het artikel 7:653 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde vóór 1 juli 2015.

3.2

Naar het oordeel van de kantonrechter hebben partijen voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang hebben bij de over en weer gevraagde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

3.3

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing nu al gerechtvaardigd is. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

3.4

ADhD Noord heeft onweersproken gesteld dat [A] ook de laatste tussen hen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst van een handtekening heeft voorzien, onder overlegging van een afschrift van die arbeidsovereenkomst. Daarmee is niet (langer) in geschil dat partijen een concurrentie- en relatiebeding zijn overeengekomen dat geldig is tot twee jaar na het eindigen van hun arbeidsrelatie.

3.5

Daarom staat centraal de vraag of dit tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding in een bodemzaak met een grote mate van waarschijnlijkheid (gedeeltelijk) zal worden vernietigd, zodat reeds nu een schorsing van dit beding gerechtvaardigd is.

3.6

Als uitgangspunt heeft te gelden dat een werknemer in beginsel een (grondwettelijk vastgelegd) recht heeft op vrije arbeidskeuze en de wijze waarop hij in zijn levensonderhoud voorziet. Ingeval van een tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding, waarin dit recht bij het einde van de arbeidsovereenkomst wordt beperkt, kan de rechter krachtens artikel 7: 653 lid 2 BW (oud) dit beding op verzoek van de werknemer (gedeeltelijk) vernietigen wanneer, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever, de werknemer daardoor onbillijk wordt benadeeld. Bij de daartoe af te wegen wederzijdse belangen zal aan de zijde van de werkgever sprake moeten zijn van een bescherming tegen oneerlijke concurrentie. Het moet dan gaan om specifieke kennis van de onderneming (prijzen, werkmethode, klantenkring) die de werknemer exclusief tijdens zijn dienstverband heeft opgedaan en waarmee hij -in dit geval- zichzelf een ongerechtvaardigde voorsprong in concurrerend handelen bezorgt.

3.7.

Vooropgesteld zij dat [A] zich bovenal op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van "identieke bedrijfsactiviteiten", zoals in het concurrentiebeding is omschreven. Naar het oordeel van de kantonrechter is dit inderdaad in het kader van deze procedure onvoldoende komen vast te staan.

De onderneming van [A] richt zich, blijkend uit de omschrijving in het handelsregister en nadere toelichting ter zitting, op een andere doelgroep (jongeren van 17 tot en met 23 jaar) dan ADhD Noord , die zich -blijkens haar naamgeving- richt op (jong) volwassenen met een ADhD-stoornis. Ook biedt ADhD Noord psychologische en psychotherapeutische begeleiding aan deze doelgroep in een setting van beschermd wonen binnen een 24-uurs zorg, terwijl [A] zich beperkt tot het geven van een kamertraining aan jongeren die al zelfstandig wonen. Van een "identieke" bedrijfsactiviteit blijkt daaruit niet; hooguit van een "aansluitende" bedrijfsactiviteit in die zin dat [A] hulp biedt aan de (nagenoeg) "uitbehandelde" cliënten van ADhD Noord en dan nog slechts de jongeren (17-23) in die doelgroep.

Van een overtreding van het concurrentiebeding is de kantonrechter daarmee, voorshands oordelend, onvoldoende gebleken. Dit -voorlopig- oordeel omvat ook het relatiebeding.

3.8.

Veronderstellenderwijs evenwel dat de bedrijfsactiviteiten elkaar (deels) overlappen, overweegt de kantonrechter dat ADhD Noord onvoldoende heeft onderbouwd en aannemelijk gemaakt welk zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang zij met het vastleggen en het handhaven van dit concurrentiebeding wenst te beschermen. Gesteld noch gebleken is dat [A] belangrijke en exclusieve bedrijfsinformatie, die hij alleen maar tijdens zijn dienstverband bij ADhD Noord heeft kunnen opdoen, "misbruikt", waarbij de kantonrechter niet onder die specifieke bedrijfsinformatie verstaat de kennis en vaardigheden die [A] , als reguliere werkervaring, tijdens het dienstverband (zelf) heeft opgedaan.

Dit zou wel, zij het in beperkte mate, kunnen gelden voor de kennis van de klantenkring van ADhD Noord, maar een dergelijk te beschermen belang neemt af naarmate de tijd verstrijkt. Dit geldt eens te meer nu - blijkens een eigen productie van ADhD Noord- in de omgeving van Stadkanaal "maar liefst" door 221 hulpverleners dezelfde hulp en begeleiding wordt aangeboden als [A] biedt.

Dat van ADhD Noord verlangd mag worden dat zij haar te beschermen zwaarwegend bedrijfs- of dienstbelang onderbouwt en aannemelijk maakt, vloeit voort uit die per 1 juli 2015 in het gewijzigde artikel 7:653 BW gestelde eis waar het gaat om een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Het moge zo zijn dat blijkens het overgangsrecht op deze zaak het "oude" recht nog van toepassing is, dit laat onverlet dat de inmiddels gewijzigde maatschappelijke opvatting, die ten grondslag ligt aan voormelde wetswijziging, naar het oordeel van de kantonrechter bij de sub 3.6. genoemde belangenafweging mag worden betrokken.

Dit leidt tot de slotsom dat de kantonrechter het voldoende waarschijnlijk acht dat de bodemrechter het concurrentie- en relatiebeding in vergaande mate, te weten in duur, zal beperken.

3.9.

Alles afwegende acht de kantonrechter, nog los van de vraag of [A] het door partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding heeft geschonden, het zeer waarschijnlijk dat de bodemrechter, aan wie het onderhavige geschil wordt voorgelegd, zal oordelen dat [A] na 1 januari 2015 niet meer aan dat beding kan worden gehouden.

3.10.

De kantonrechter zal daarom bij wijze van voorlopige voorziening de werking van het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding met ingang van 1 januari 2015 schorsen en de vordering in conventie in zoverre toewijzen.

3.11.

De vordering in reconventie komt daarmee alleen voor toewijzing in aanmerking indien en voor zover [A] het concurrentie- en relatiebeding vóór 1 januari 2015 heeft geschonden. Volgens ADhD Noord is dit het geval omdat [A] zijn eenmanszaak per 1 november 2014 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De kantonrechter volgt ADhD Noord daarin vooralsnog niet. Daargelaten de vraag of sprake is van identieke bedrijfsactiviteiten (zie hiervoor) acht de kantonrechter de enkele inschrijving bij de Kamer van Koophandel onvoldoende om te kunnen spreken van een schending van vorenbedoeld beding en gesteld noch gebleken is dat [A] voor 1 januari 2015 daadwerkelijk met zijn activiteiten is gestart. De vorderingen in reconventie zullen daarom worden afgewezen.

3.12.

De kantonrechter acht, mede gelet op de wijze waarop de onderhavige procedure is aangebracht, termen aanwezig om de proceskosten te compenseren, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4 BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

in conventie

4.1.

schorst het tussen partijen overeengekomen concurrentie- en relatiebeding met ingang van 1 januari 2015;

4.2.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

4.4.

wijst de vorderingen af;

in conventie en in reconventie

4.5.

compenseert de proceskosten, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Oostdijk, kantonrechter, en op 8 september 2015 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: wj