Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4220

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
17-09-2015
Zaaknummer
K L 3552655 / CV EXPL 14-12647 (E)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

mondelinge huurovereenkomst, opzegging duurovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: 3552655 / CV EXPL 14-12647

Vonnis van 8 september 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. T.E. Heslinga te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRIESLAND SCHROOT B.V.,

gevestigd te Wolvega,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P.H. Redeker te Leeuwarden.

Partijen zullen hierna [A] en Friesland Schroot genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

  • -

    de akte uitlaten producties zijdens [A] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] exploiteert een onderneming die onder andere gespecialiseerd is in het vervaardigen van producten van beton voor de bouw. Het bedrijf is gevestigd te [vestigingsplaats] , aan het water. Friesland Schroot is een schrootverwerkingsbedrijf.

2.2.

Op enig moment, in of rond het jaar 2010, zijn [A] (in de persoon van haar bestuurder [B] ) en de heer [C] (hierna: [C] ) met elkaar in contact getreden via tussenkomst van een gemeenschappelijke kennis, de heer [D] (hierna: [D] ). [C] zocht kade ruimte voor de overslag van schroot op een schip en [A] had die ruimte beschikbaar.

2.3.

Friesland Schroot heeft van 1 juli 2011 tot 1 januari 2013 gebruik gemaakt van de werf van [A] om schroot over te slaan.

2.4.

De inkoopfacturen die Friesland Schroot aan [A] stuurde voor dit gebruik, daterende van 1 augustus 2011 tot 4 december 2012, vermelden een prijs per kilo van € 0,00250, hetgeen neerkomt op € 2,50 per ton schroot.

2.5.

In totaal is er gedurende de periode dat Friesland Schroot gebruik maakte van de werf van [A] 45.718 ton schroot overgeslagen, waarvoor Friesland Schroot aan [A] een bedrag van € 114.295 heeft betaald.

2.6.

[A] heeft, alvorens Friesland Schroot gebruik kon maken van de werf, investeringen en werkzaamheden gedaan om de werf geschikt te maken voor schrootoverslag. Deze investeringen en werkzaamheden betroffen onder meer het storten van een vloeistofdichte betonvloer, het plaatsen van fundering, baggeren en het aanvragen van vergunningen.

2.7.

Eind 2012 heeft Friesland Schroot telefonisch medegedeeld aan [A] 'dat het niet uit kon' en dat zij stopte met de overslag. Nadien heeft Friesland Schroot geen gebruik meer gemaakt van de werf van [A] .

2.8.

Bij brief van 25 januari 2013 heeft [A] Friesland Schroot, voor zover hier van belang, geschreven:


“Wij hebben getracht met u een afspraak te maken aangaande het volgende.

Mondeling zijn wij een overeenkomst met u aangegaan betreffende het gebruik van de werf voor het overslaan van oud ijzer.

Wij hebben hiervoor een behoorlijke investering gedaan. U heeft de werf gehuurd per 1 juli 2011 voor een periode van minimaal 5 jaar.

Op dit moment gebruikt u de werf niet. Wij hebben begrepen dat u nu het overslaan in Drachten laat doen.

Dat u de werf niet gebruikt maakt niet dat u geen vergoeding verschuldigd bent. De vergoeding blijft van toepassing tot 1 juli 2016.

Wij zullen u binnenkort een nota sturen.”

2.9.

Bij brief van19 februari 2013 heeft Friesland Schroot hierop, voor zover hier van belang, als volgt gereageerd:


“In uw brief d.d. 25 januari jl. stelt u, dat ik uw werf per 1 juli 2011 voor een periode van minimaal vijf jaar gehuurd zouden hebben. Dit verbaast mij zeer en wordt door mij ook stellig ontkend!

Vanaf 1 juli 2011 heeft Friesland Schroot BV inderdaad tijdelijk gebruik gemaakt van uw werf voor het overslaan van schroot. Voor deze overslag is een vergoeding per daadwerkelijk overgeslagen ton schroot afgesproken. Deze overslag is door u ook maandelijks voor de daadwerkelijk overgeslagen tonnage schroot overslag uitgefactureerd. De facturen zijn vervolgens door Friesland Schroot BV voldaan. (…)

Aangezien Friesland Schroot BV vanaf 1 januari jl. geen schrootoverslag bij u heeft laten plaatsvinden, is Friesland Schroot BV hiervoor ook niet langer de vergoeding van € 2,50, exclusief BTW, per overgeslagen ton schroot verschuldigd. De door u verzonden factuur d.d. 25 januari jl. met factuurnummer 120025 is dan ook ten onrechte verstuurd. Friesland Schroot BV zal deze factuur dan ook niet betalen.”

2.10.

[A] heeft zich vervolgens gewend tot zijn gemachtigde. Deze heeft Friesland Schroot bij brieven van 29 maart 2013 en 5 april 2013 verzocht om aan haar verplichtingen te voldoen. De brief van 5 april 2013 vermeldt, voor zover hier van belang:

"Overeengekomen is dat u 5 jaar schroot zou overslaan, minimaal 25.000 ton per jaar. De vergoeding voor [A] is € 2,50 exclusief b.t.w. per ton.

Dit maakt de volgende opstelling:

5 jaar à 250.000 ton per jaar (2083,3 ton per maand) = 125.000 ton

Vanaf 1 juli overgeslagen 45.000 ton

Nog over te slaan 80.000 ton

Het nog over te slaan van 80.000 ton dient plaats te vinden in de periode van 1 januari 2013 tot 1 juli 2016. Dit is een periode van 3 jaar en 6 maanden, derhalve 42 maanden.

Dit betekent dat [A] u tot 1 juli 2016 nog in rekening zal brengen 80.000 ton / 42 maanden = 1.904 ton per maand. Dit betreft een bedrag van € 4.760,-- exclusief omzetbelasting per maand.

Op dit moment bent u daarom gehouden [A] een bedrag van € 14.280,-- exclusief b.t.w., derhalve € 17.278,80 te voldoen.

(…) Wij verwachten daarom dat het bedrag van € 17.278,80 een dezer dagen voldaan zal zijn aan cliënte.

2.11.

Op 12 april 2013 heeft Friesland Schroot bij gemachtigde betwist [A] enig bedrag verschuldigd te zijn.

2.12.

[A] heeft bij voorlopig getuigenverhoor [E] (sr.), [B] (jr.) en [D] doen horen terzake de gemaakte afspraken betreffende het gebruik van de kade.

2.13.

[B] verklaart, voor zover hier van belang, als volgt:

“Nadat de vergunning was afgegeven (…) hebben wij weer een gesprek gehad met [C] . Bij dat gesprek was mijn vader eveneens aanwezig, maar [D] niet. Dat gesprek vond plaats bij ons op het bedrijf. Ik wilde van [C] horen dat hij inderdaad bij ons schroot zou overslaan, en ook voor de langere termijn, omdat wij grote investeringen zouden moeten doen. [C] was het daarmee eens. In het tweede gesprek hebben wij gesproken over de prijs, de hoeveelheden en de duur. De prijs die wij hebben afgesproken was € 2,50 per ton. [C] zou minimaal 1000 ton per 2 weken aanvoeren waarmee hij op ongeveer 25000 ton per jaar uit zou komen. Verder hebben we gesproken over een periode van 5 jaar, die eventueel verlengd zou kunnen worden. [C] is hiermee akkoord gegaan en daarna zijn wij aan de slag gegaan met de werkzaamheden. Van de afspraken hebben wij niets schriftelijk bevestigd. Toen de werkzaamheden klaar waren (…) heb ik [C] gebeld dat hij de schroot kon brengen. Dat heeft hij ook gedaan, alle weken kwam er wel een schip van zo’n 700 ton. Totdat [C] mij belde, een dik jaar later, met de mededeling “ [B] , we stoppen ermee”. Volgens hem kon het niet meer uit."

[E] , vader van [B] - over wie het proces-verbaal abusievelijk vermeldt: "geen familie van" - verklaart voor zover relevant, als volgt:

“Ik ken de heer [C] naar mijn herinnering zo’n 5 a 6 jaar. Ik heb hem voor het eerst gezien toen hij, samen met de heer [D] , bij ons op kantoor was voor een gesprek met mijn zoon. [C] wilde graag schroot bij ons overslaan. Als ik het heb over ons dan bedoel ik het bedrijf van mijn zoons. Ik heb toen zelf niet met [C] gesproken. (…) Later is [C] weer naar ons terrein gekomen, hij was toen alleen. Ik weet niet meer wanneer dat was. Ik herinner mij nog wel dat we met z’n drieën over het terrein zijn gelopen, [C] , mijn zoon [B] en ik. (…) Details over hoeveel er zou worden omgeslagen of andere details hebben we toen niet besproken. Die waren mij wel bekend omdat ik die al eerder van mijn zoon had gehoord. Na het eerste gesprek met [C] heeft mijn zoon mij verteld dat [C] zo'n 20 a 25000 ton per jaar zou kunnen brengen om te bekijken of dat uit zou kunnen, of dat interessant zou zijn voor ons vroeg mijn zoon. Ik heb toen ook van mijn zoon gehoord dat het de bedoeling was dat er in ieder geval zo'n 5 jaar achter elkaar schroot zou worden gestort. Over deze details is naar mijn herinnering in dat tweede gesprek verder niet gesproken, ik kende die details al van wat ik van mijn zoon had gehoord. (…) Toen mijn zoon mij vroeg of de handel via Friesland Schroot interessant zou zijn (in financiële zin) heb ik daar bevestigend op geantwoord. Die bevestiging is mede ingegeven door de duur van de afspraak, bij een kortlopende afspraak zou het niet interessant zijn geweest."

[D] verklaart, voor zover relevant als volgt:

"Ik heb [A] en [C] met elkaar in contact gebracht. Dat was al een hele tijd terug, ik weet niet meer wanneer, ik schat zo'n 1,5 a 2 jaar geleden. [C] wou met ijzer varen, dan konden er grotere hoeveelheden worden weggewerkt en het transport vanaf het water was ook makkelijker. Ik heb hem toen aangeboden dat ik misschien wel iemand wist. Ik heb daarna contact gezocht met [B] jr. om te peilen of hij interesse had en toen dat zo was ben ik een keer met [C] bij [B] jr. langs geweest. Ik weet niet meer wanneer dat was maar het was een hele tijd geleden. Volgens mij zijn we toen in het woonhuis van [B] geweest en hebben we aan de grote tafel gezeten. Ik weet niet meer wat er besproken is. Ik had er wel belang bij dat er een deal tot stand zou komen omdat ik dan mogelijk het schroot zou mogen rijden. Maar de details van wat de heren hebben afgesproken weet ik niet. (…) Ik herinner mij wel dat er gesproken is over aanpassingen aan de haven maar ik weet niet meer of [C] daar ook bij was. Ik kwam diverse malen bij [A] op het bedrijf en ben ook wel over het terrein gelopen nadat het gesprek met [C] had plaats gevonden. Maar ik weet niet meer wat er nu besproken is in dat gesprek met [C] erbij. Ik weet ook niet meer of er iets is besproken over hoeveelheden, prijs of duur van de afspraken. Met de prijs heb ik niets te doen, maar als er over overslag is gesproken zal er vast ook wel over andere zaken zijn gesproken. Uiteindelijk heb ik nauwelijks schroot gereden voor [C] naar [A] ."

3. De vordering

3.1.

[A] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat er sprake is van een huurovereenkomst tussen partijen ter zake het gebruik van de werf voor:

primair: bepaalde tijd, dat wil zeggen de duur van vijf jaren;

subsidiair: onbepaalde tijd;

II. primair:

a. Friesland Schroot veroordeelt tot nakoming van de tussen partijen geldende huurovereenkomst;

b. Friesland Schroot veroordeelt tot betaling aan [A] van de achterstallige huurtermijnen van € 4.719,00 te vermeerderen met de verschuldigde BTW per maand vanaf januari 2013 tot en met de datum van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke (handels) rente te rekenen vanaf de datum van de uiterste betalingstermijn (zijnde de factuurdatum) danwel datum uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

c. Friesland Schroot veroordeelt tot betaling aan [A] van de toekomstige huurtermijnen vanaf datum vonnis tot aan datum einde van de huurovereenkomst;

subsidiair, indien wordt geoordeeld dat de overeenkomst is opgezegd;

a. voor recht verklaart dat de huurovereenkomst ten onrechte door Friesland Schroot is opgezegd, althans op onjuiste gronden, althans onrechtmatig, althans zonder inachtneming van een opzegtermijn;

b. Friesland Schroot veroordeelt tot betaling aan [A] van de achterstallige huurtermijnen van € 4.719,00 te vermeerderen met de verschuldigde BTW per maand vanaf januari 2013 tot en met de datum rechtsgeldige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente te rekenen vanaf de datum van de uiterste betalingstermijn danwel datum uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

c. primair: Friesland Schroot veroordeelt tot betaling aan [A] van een bedrag ter vergoeding van de door haar geleden schade ad € 198.205,00;

subsidiair: Friesland Schroot veroordeelt tot betaling aan [A] van een bedrag ter vergoeding van de door haar geleden schade ad € 113.549,51;

dan wel ten aanzien van het onder II. zowel primair als subsidiair gestelde een beslissing neemt die de kantonrechter in goede justitie juist acht;

met veroordeling van Friesland Schroot in de kosten van het geding, waaronder de nakosten.

3.2.

[A] voert daartoe - samengevat - het volgende aan. [A] heeft een mondelinge huurovereenkomst voor de duur van vijf jaar gesloten met Friesland Schroot. Deze overeenkomst dient Friesland Schroot na te komen, dan wel heeft [A] aanspraak op de resterende huurtermijnen vanaf januari 2013 tot datum einde overeenkomst ten bedrage van € 4.719,00 per maand, in totaal € 198.205,00, te vermeerderen met de BTW en de wettelijke handelsrente. Voor zover er wordt geoordeeld dat geen sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd, is er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met Friesland Schroot tot stand gekomen, die niet rechtsgeldig is opgezegd door Friesland Schroot, omdat geen datum van beëindiging is gemeld en geen opzegtermijn in acht is genomen. De huurovereenkomst loopt dan dus nog door. Voor zover wordt geoordeeld dat deze overeenkomst wel is opgezegd door Friesland Schroot, is de opzegging, door geen rekening te houden met de investeringen die [A] heeft gedaan om de werf gebruiksklaar te maken, onrechtmatig, althans op onjuiste gronden gedaan, althans zonder inachtneming van een opzegtermijn, waardoor [A] schade lijdt ten bedrage van € 113.549,51. Deze schade bestaat uit het bedrag van de gedane investeringen (€ 227.844,51 exclusief BTW) minus de gefactureerde huurpenningen (€ 114.925,00 exclusief BTW).

3.3.

Friesland Schroot voert verweer. Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling

4.1.

Friesland Schroot heeft zich allereerst beroepen op onbevoegdheid van de kantonrechter. Friesland Schroot betwist dat er een huurovereenkomst tot stand is gekomen tussen haar en [A] . Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over wie als verhuurder zou functioneren, wie als huurder zou functioneren, voor welke duur de overeenkomst werd aangegaan, onder welke overige voorwaarden de overeenkomst werd aangegaan en of er sprake is van een minimumvergoeding, ook voor het geval dat er geen overslag meer plaats zou vinden. De vordering van [A] beloopt voorts meer dan € 25.000,00 zodat de kantonrechter onbevoegd is, althans [A] niet ontvankelijk dient te worden verklaard, althans de vordering moet worden afgewezen, aldus Friesland Schroot.

4.2.

De kantonrechter overweegt ter zake als volgt. Voor een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 BW- waarvan, volgens de stellingen van [A] , sprake zou zijn - is krachtens lid 1 van dat artikel vereist dat een verhuurder zich verbindt aan de andere partij, de huurder, om een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en waarbij de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Het schriftelijkheidsvereiste wordt daarbij niet gesteld.

4.3.

In het onderhavige geval staat vast dat Friesland Schroot van juli 2011 tot januari 2013 gebruik heeft gemaakt van de werf van [A] tegen betaling van een vergoeding van € 2,50 per ton overgeslagen schroot. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter voldaan aan het bepaalde in artikel 7:201 lid 1 BW, zodat sprake is van een (mondelinge) huurovereenkomst. Het verweer van Friesland Schroot dat voorafgaand aan het intreden van de huurovereenkomst onduidelijk was welke partijen betrokken waren bij de overeenkomst wordt verworpen, nu gezien het feitelijk gebruik door Friesland Schroot van de werf van [A] vanaf juli 2011 en de betalingen van Friesland Schroot aan [A] ter zake van de voor dat gebruik gestuurde facturen, tussen partijen kennelijk geen onduidelijkheid bestond over welke partijen betrokken waren bij de overeenkomst. Ook was er overeenstemming over de huurprijs (het bedrag dat per ton schroot in rekening zou worden gebracht). Daarmee is aan de essentialia voor het bestaan van een huurovereenkomst voldaan, zodat de kantonrechter ingevolge het in artikel 93 Rv. onder c. bepaalde bevoegd is om van het geschil kennis te nemen.

4.4.

De kantonrechter zal voorts oordelen over de vraag of sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde, of voor onbepaalde tijd. [A] stelt zich primair op het standpunt dat de huurovereenkomst voor een periode van vijf jaar, dus voor bepaalde tijd is aangegaan. Hiertoe voert zij aan dat deze afspraak mondeling tussen partijen tot stand is gekomen, hetgeen zij onderbouwt met de stelling dat zonder zekerheid over een huurovereenkomst voor meerdere jaren, zij niet de (aanzienlijke) investeringen zou hebben gepleegd (van in totaal € 227.844,51 exclusief BTW) die zij nu heeft gepleegd om de werf gebruiksklaar te maken voor Friesland Schroot. Ook verwijst [A] naar hetgeen hiervoor door de getuigen is verklaard. Friesland Schroot heeft betwist dat, voor zover al sprake is van een huurovereenkomst, deze voor een bepaalde tijd zou zijn afgesloten. Friesland Schroot heeft erkend dat [A] wel een voorstel heeft gedaan om een overeenkomst aan te gaan voor de periode van 1 januari 2011 tot 31 december 2013, en heeft dat (ongedateerde en ongetekende) voorstel van [A] ook in het geding gebracht, maar heeft aangevoerd dat zij met dit voorstel niet akkoord is gegaan, zodat op basis van die voorwaarden geen overeenkomst tot stand is gekomen.

4.5.

De kantonrechter overweegt als volgt. Nu [A] zich beroept op de rechtsgevolgen van een huurovereenkomst voor de duur van vijf jaar, welke afspraak door Friesland Schroot wordt betwist, rust op [A] de bewijslast hiervan. Het door [A] aangedragen bewijs bestaat uit een verklaring van [B] , partijgetuige, over hetgeen hij hierover met [C] , in aanwezigheid van zijn vader, tijdens een tweede gesprek heeft besproken, terwijl zijn vader volgens [B] ook bij een eerste gesprek met [C] aanwezig was. Tevens is er een verklaring van [E] , vader van [B] , die verklaart over hetgeen hij, ná een eerste gesprek van zijn zoon met [C] , van zijn zoon heeft vernomen over (onder meer) de duur van de overeenkomst. [E] verklaart dat hij zelf niet bij dat eerste gesprek aanwezig te zijn geweest en dat de vraag naar de duur van de overeenkomst niet aan de orde is geweest in het een tweede gesprek. De verklaringen van [B en E] verschillen daarmee op belangrijke punten, namelijk zowel over de vraag of senior aanwezig was bij het gesprek met [C] waar over de duur van de overeenkomst is gesproken, als over de vraag wanneer [B] die afspraak met [C] heeft gemaakt, nog daargelaten dat de verklaringen zijn afgelegd door (direct) belanghebbenden. De getuige [D] heeft verklaard niets (meer) te weten over afspraken over duur, prijs of hoeveelheden. Het enkele feit dat [A] aanzienlijke investeringen heeft gepleegd om de werf geschikt te maken voor Friesland Schroot zegt mogelijk iets over het verwachtingspatroon van [A] ter zake van de duur van de overeenkomst, maar impliceert niet dat daarmee ook een huurovereenkomst voor bepaalde tijd overeen is gekomen. Daarmee heeft [A] haar stelling dat een huurovereenkomst voor een periode van vijf jaar overeen is gekomen naar het oordeel van de kantonrechter, tegenover de gemotiveerde betwisting van Friesland Schroot, niet met (voldoende) bewijs onderbouwd. De vordering onder I. primair zal derhalve worden afgewezen.

4.6.

Subsidiair vordert [A] onder I. een verklaring voor recht dat er een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Wanneer geen afspraken gemaakt zijn over de duur van de huurovereenkomst, volgt dat de overeenkomst is gesloten voor onbepaalde tijd. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen.

4.7.

Voor de beoordeling van de vordering sub II. dient eerst te worden geoordeeld over de vraag of de huurovereenkomst, zoals [A] stelt, niet (expliciet) door Friesland Schroot is opgezegd zodat deze nog doorloopt, of dat, zoals door Friesland Schroot tot haar verweer aangevoerd, de huurovereenkomst door Friesland Schroot eind 2012, in een telefonisch onderhoud tussen [C] en [B] , is opgezegd.

4.8.

De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 7:228 lid 2 BW bepaalt dat een voor onbepaalde tijd aangegane huur eindigt door opzegging alsmede dat, indien de huur betrekking heeft op een onroerende zaak die woonruimte noch bedrijfsruimte is, de opzegging dient te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Opzegging is een eenzijdige rechtshandeling die door één partij, in dit geval Friesland Schroot, tot stand dient te worden gebracht. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:33 BW jo. artikel 3:37 lid 1 BW vereist een rechtshandeling een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard, waarbij verklaringen, met inbegrip van mededelingen in iedere vorm kunnen geschieden, en zij in een of meer gedragingen besloten kunnen liggen. De rechtshandeling heeft zijn werking vanaf het moment dat zij degene tot wie de verklaring is gericht, in dit geval [A] , heeft bereikt.

4.9.

Vast staat dat eind 2012 een telefoongesprek plaats heeft gevonden tussen partijen, waarbij Friesland Schroot heeft aangegeven de werkzaamheden op de werf van [A] niet rendabel te achten en waarin Friesland Schroot heeft aangegeven te stoppen met de werkzaamheden. [B] heeft terzake verklaard ".. alle weken kwam er wel een schip van zo'n 700 ton. Totdat [C] mij belde, een dik jaar later, met de mededeling: " [B] , we stoppen ermee". Volgens hem kon het niet meer uit." Friesland Schroot heeft vervolgens vanaf 1 januari 2013 de werf niet meer gebruikt. Naar het oordeel van de kantonrechter is deze telefonische mededeling van Friesland Schroot aan [A] , in samenhang met het feitelijk stoppen van het uitvoeren van activiteiten, niet anders te duiden dan als een opzegging van de huurovereenkomst door Friesland Schroot. Een nadere schriftelijke bevestiging was daarvoor niet vereist. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom, zoals door [A] aangevoerd, deze mededeling geen 'daadwerkelijke' opzegging zou zijn. De rechtshandeling is immers vormvrij. De vordering onder II. zal dan ook verder op basis van het aldaar subsidiair gevorderde worden beoordeeld.

4.10.

[A] voert onder II. subsidiair aan dat Friesland Schroot ten onrechte, althans op onjuiste gronden, althans onrechtmatig heeft opgezegd. De kantonrechter overweegt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid, in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, kunnen meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (HR 29 juni 2012 ECLI:NL:HR:2012:BW1280). De kantonrechter vat het beroep van [A] op de onjuiste gronden van opzegging, althans de onrechtmatigheid van de opzegging gelet op het feit dat zij investeringen heeft gedaan om de werf gebruiksklaar te maken voor Friesland Schroot, op als een beroep op een zodanige zwaarwegende reden dat de eisen van redelijkheid en billijkheid aan het einde van de overeenkomst in de weg staan. Dit beroep wordt verworpen. De door [A] gedane investeringen leveren geen grond op voor de veronderstelling dat zij zonder meer op een lange(re) contractsduur mocht rekenen. Indien [A] in verband met de investeringen een lange(re) contractsduur noodzakelijk achtte, had het op haar weg gelegen om daar bij het aangaan van de overeenkomst concrete afspraken over te maken. Getuige de concept overeenkomst die door Friesland Schroot in het geding is gebracht - met daarin onder meer een huurtermijn van vijf jaar - heeft [A] ook getracht hierover afspraken te maken met Friesland Schroot. [A] heeft evenwel niet kunnen aantonen dat zij ook tot daadwerkelijke afspraken over de duur van de overeenkomst is gekomen. De gevolgen van het feit dat [A] , zonder deze concrete afspraken, met Friesland Schroot in zee is gegaan en de betreffende investeringen heeft gepleegd vallen dan onder het bedrijfsrisico van [A] . De opzegging van Friesland Schroot is daarmee niet onrechtmatig, zodat de vordering tot vergoeding van door [A] geleden schade zal worden afgewezen.

4.11.

[A] voert onder II. subsidiair tevens aan dat de huurovereenkomst zonder inachtneming van een opzegtermijn is opgezegd. Omdat de werf een onroerende zaak is, vloeit uit het in artikel 7:228 lid 2 BW bepaalde voort dat Friesland Schroot in geval van opzegging een opzegtermijn van tenminste één maand in acht diende te nemen. Nu de opzegging telefonisch heeft plaatsgevonden eind 2012, zonder dat door Friesland Schroot een datum van opzegging is genoemd, maar waarbij door Friesland Schroot wel direct uitvoering is gegeven aan die opzegging, geldt dat de overeenkomst geacht wordt per de eerstvolgende mogelijkheid te zijn geëindigd, te weten per 1 februari 2013. De kantonrechter zal dan ook de huurtermijn over de periode van 1 januari 2013 en 1 februari 2013 toewijzen. Voor de bepaling van de hoogte van de huurtermijn geldt dat een vergoeding zal worden toegekend op basis van het gemiddeld feitelijk gebruik gedurende de looptijd van de huurovereenkomst, nu niet is komen vast te staan dat er een jaarlijks minimumtonnage is afgesproken en Friesland Schroot niet heeft betwist dat zij gedurende de looptijd van de overeenkomst structureel gebruik heeft gemaakt van de werf. Het gemiddeld feitelijk gebruik is door [A] gesteld op € 4.719,- exclusief BTW per maand en door Friesland Schroot niet betwist, zodat dit bedrag zal worden toegewezen.

4.12.

[A] vordert tevens de wettelijke handelsrente over de opeisbare vorderingen. Friesland Schroot voert aan dat er geen rente gevorderd kan worden omdat er geen uiterlijke betalingstermijn is gesteld zodat [A] Friesland Schroot niet in gebreke heeft gesteld en Friesland Schroot niet in verzuim is. De kantonrechter overweegt dat voor het verschuldigd worden van de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW - welk artikel in casu relevant is nu het hier gaat om een handelsovereenkomst - geen verzuim vereist is. Ingevolge artikel 6:119a lid 2 BW is de wettelijke rente van rechtswege verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen indien geen uiterste termijn van betaling overeen is gekomen. Nu de factuur van 25 januari 2013 door [A] niet in het geding is gebracht, maar uit de brief van Friesland Schroot van 19 februari 2013 (zie r.o. 2.9.) volgt dat de factuur in ieder geval op die dag was ontvangen door Friesland Schroot, zal de wettelijke handelsrente worden toegekend vanaf 30 dagen na 20 februari 2013, te weten 22 maart 2013.

4.13.

De kantonrechter ziet in het gedeeltelijk toewijzen van de vordering aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart voor recht dat er sprake was van een huurovereenkomst tussen partijen ter zake het gebruik van de werf voor onbepaalde tijd;

5.2.

verklaart voor recht dat de huurovereenkomst is opgezegd, waarmee de huurovereenkomst op 1 februari 2013 is geëindigd;

5.3.

veroordeelt Friesland Schroot tot betaling aan [A] van de huurtermijn ten bedrage van € 4.719,- exclusief BTW voor de periode 1 januari 2013 tot 1 februari 2013, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 22 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

verklaart dit vonnis voor wat betreft het onder 5.3. bepaalde uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2015.

615

ml752