Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4196

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-09-2015
Datum publicatie
03-09-2015
Zaaknummer
18.730095-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 3 september 2015 een man veroordeeld voor het zich zodanig gedragen in het verkeer dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan een ander zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan. De rechtbank acht echter niet bewezen dat de man zich roekeloos heeft gedragen en spreekt de man daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730095-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 september 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 augustus 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Joure.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.M. von Bartheld.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 september 2014 in de gemeente De Friese Meren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, -nadat verdachte, terwijl verdachte door een onopvallend politierijtuig (personenauto) werd gevolgd, op of ter hoogte van of nabij de kruising of splitsing van die [straat 1] met de [straat 2] met zijn motorrijtuig op een naast die [straat 1] gelegen fietspad was beland en na enige

tientallen meters op dat fietspad te hebben gereden via een tussenberm de hoofdrijbaan van die [straat 1] is opgereden waarbij en/of waarna verdachte door genoemd politierijtuig werd voorbijgereden- bij de nadering van dat onopvallende politierijtuig, welk rijtuig in dezelfde richting als verdachte reed en dat door verdachte van achteren werd genaderd,

in plaats van tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende snelheid te verminderen en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met dat politierijtuig met het door verdachte bestuurde motorrijtuig aan te rijden en/of te botsen tegen dat politierijtuig, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 14 september 2014 in de gemeente De Friese Meren, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straat 1] , -nadat verdachte, terwijl verdachte door een onopvallende politievoertuig (personenauto) werd gevolgd,

op of ter hoogte van of nabij de kruising of splitsing van die [straat 1] met de [straat 2] met zijn voertuig op een naast die [straat 1] gelegen fietspad was beland en na enige tientallen meters op dat fietspad te hebben gereden via een tussenberm de hoofdrijbaan van die [straat 1] is opgereden waarbij en/of waarna verdachte door genoemd politievoertuig werd voorbijgereden- bij de nadering van dat onopvallende politievoertuig, welk voertuig in dezelfde richting als verdachte reed en dat door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of

voldoende snelheid te verminderen en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met dat politievoertuig met het door verdachte bestuurde voertuig is aangereden en/of gebotst tegen dat politievoertuig, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het primair ten laste gelegde;

- oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden;

- oplegging van een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee jaren.

Beoordeling van het bewijs

Verdachte wordt -kortgezegd- verweten dat hij zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank overweegt het volgende. Uit bestendige rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het voor het vaststellen van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet aankomt op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In zijn algemeenheid valt niet aan te geven of een enkele verkeersovertreding voldoende is voor een bewezenverklaring. Verschillende factoren, zoals de aard en concrete ernst van de overtreding, moeten daarbij worden meegewogen. Verder kan niet uit enkel de ernst van de gevolgen van met gedragsregels strijdig verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij zich op 14 september 2014 in de gemeente De Friese Meren zodanig heeft gedragen dat door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Door de officier van justitie is aangevoerd dat de gedragingen van verdachte dusdanig waren dat sprake is van de zwaarste vorm van schuld, namelijk roekeloosheid.

Door de raadsman is gemotiveerd vrijspraak van roekeloosheid bepleit.

De rechtbank overweegt dat van roekeloosheid sprake is in gevallen waarin sprake is van zeer onvoorzichtig gedrag waarbij welbewust en met ernstige gevolgen onaanvaardbare risico's zijn genomen.

Roekeloosheid vereist daarmee niet enkel een aanmerkelijke onvoorzichtigheid of onoplettendheid maar een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid. Het gaat derhalve binnen de grenzen van schuld om het zwaarste verwijt dat iemand kan worden gemaakt.

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen het volgende vast.

Op 14 september 2014 werd door de politie een alcoholcontrole gehouden. Verdachte stopte met zijn personenauto achter in de rij voor deze controle. Verdachte wilde echter voorkomen dat hij medewerking aan de alcoholcontrole moest verlenen, omdat hij eerder die middag bier had gedronken. Hij zette zijn auto in de achteruit en reed vervolgens vooruit naar links om zijn auto te keren. Een agent gaf hem echter een stopteken en deze agent had inmiddels zijn handen op de motorkap van de auto gezet, maar verdachte keerde desondanks de auto, gaf veel gas en reed met piepende banden weg over [straat 1] in de richting van [plaats 1] . De agent moest aan de kant stappen om niet aangereden te worden. Verdachte reed met hoge snelheid en ter hoogte van de kruising met de [straat 2] wilde verdachte linksaf slaan richting [plaats 2] . Verdachte raakte door zijn snelheid en het te laat insturen uit de bocht. Hierdoor kwam hij met zijn auto in de grasberm waarbij hij een betonblok beschadigde en uiteindelijk op het fietspad terechtkwam. Verdachte vervolgde zijn weg stapvoets over het fietspad en vervolgens reed hij via de berm tussen twee bomen door de rijbaan van [straat 1] weer op. Een onopvallende politieauto haalde verdachte in. Op deze weg geldt een maximum snelheid van 60 kilometer per uur. De politieauto verhoogde echter vervolgens zijn snelheid naar 70 à 80 kilometer per uur om verdachte de gelegenheid te geven te reageren op de opvallende politieauto met zwaailichten die achter hem reed. Verdachte verhoogde echter ook zijn snelheid. Daarom liet de bestuurder van de onopvallende politieauto het gas los en verminderde hierdoor enigszins zijn snelheid. Verdachte botste vervolgens op de onopvallende politieauto, waarna hij een boom raakte en in de grasberm tot stilstand kwam. Volgens verdachte was hij van plan geweest om de auto waarop hij is gebotst in te halen.

Gelet op het geheel van de hiervoor beschreven gedragingen van verdachte, de omstandigheid dat verdachte meerdere verkeersovertredingen heeft gemaakt, alsmede het feit dat hij ten tijde van deze gedragingen onder invloed van alcoholverkeerde, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich zeer onvoorzichtig en zeer onoplettend in het verkeer heeft gedragen, waardoor uiteindelijk het verkeersongeval is veroorzaakt. Verdachte heeft hierbij enorm veel geluk gehad dat, toen mij met zijn auto tussen twee bomen door reed of toen hij de boom raakte waarna hij tot stilstand kwam, hij zelf niet ernstig gewond is geraakt. De rechtbank is echter niet van oordeel dat verdachte welbewust onaanvaardbare risico's heeft genomen die kunnen worden gekwalificeerd als "roekeloosheid". De rechtbank neemt hierbij onder meer in aanmerking dat verdachte op het fietspad stapvoets heeft gereden en pas zijn snelheid heeft verhoogd toen hij weer op de hoofdrijbaan was. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het zich roekeloos gedragen.

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 augustus 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0200-2014101763-8,

d.d. 18 september 2014, inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer] ;

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0200-2014101763-2,

d.d. 14 september 2014, inhoudende de verklaring van [getuige] ;

4. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0200-2014101763-15,

d.d. 8 december 2014, inhoudende de verklaring van verbalisant;

5. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. PL0200-2014101763,

d.d. 7 november 2014, inhoudende de verklaring van verbalisant.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 14 september 2014 in de gemeente De Friese Meren, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, daarmede rijdende over de weg, [straat 1] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zich zeer onvoorzichtig en onoplettend te gedragen, nadat verdachte, terwijl verdachte door een onopvallend politierijtuig, een personenauto, werd gevolgd, ter hoogte van de kruising van die [straat 1] met de [straat 2] met zijn motorrijtuig op een naast die [straat 1] gelegen fietspad was beland en na enige tientallen meters op dat fietspad te hebben gereden via een tussenberm de hoofdrijbaan van die [straat 1] is opgereden waarna verdachte door genoemd politierijtuig werd voorbijgereden, bij de nadering van dat onopvallende politierijtuig, welk voertuig in dezelfde richting als verdachte reed en dat door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van tijdig en voldoende snelheid te verminderen en voldoende afstand te bewaren tot en voldoende rekening te houden met dat politierijtuig met het door verdachte bestuurde motorrijtuig aan te rijden of te botsen tegen dat politierijtuig, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige schulduitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit onder meer blijkt dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden.

Verdachte is - terwijl hij aan de politie wilde ontkomen omdat hij onder invloed van alcohol verkeerde - met zijn personenauto tegen de achterzijde van een onopvallende politieauto gebotst. Ten gevolge hiervan heeft een van de agenten zodanig lichamelijk letsel opgelopen dat hij drie maanden na het ongeval nog steeds nek- en hoofdpijnklachten had waarvoor hij al die tijd onder behandeling van een fysiotherapeut stond en tijdens zijn werk aangepaste werkzaamheden moest verrichten. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij zijn eigen belang boven het belang van de veiligheid van andere verkeersdeelnemers heeft gesteld.

Bij het bepalen van de straf neemt de rechtbank als uitgangspunt het landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS) oriëntatiepunt, voor een grove verkeersfout, onder invloed van alcohol, waarbij lichamelijk letsel is veroorzaakt. Concreet betekent dit dat het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van achttien maanden is.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat voor de omstandigheid dat verdachte ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol verkeerde, hij reeds een strafbeschikking heeft gehad, inhoudende een geldboete van € 600,-- en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden. Nu het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen dit misdrijf separaat te vervolgen zal de rechtbank ten gunste van verdachte hiermee in de strafmaat rekening houden. Volgens de gegevens van voormeld uittreksel heeft verdachte niet eerder de Wegenverkeerswet 1994 overtreden.

Uit de stukken blijkt dat verdachte direct na het ongeval uitlatingen heeft gedaan inhoudende dat hij uit het leven wilde stappen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een depressie heeft gehad, onder meer veroorzaakt door de financiële problemen van zijn ouders in verband met het faillissement van hun bedrijf en dat dit mede de oorzaak van zijn verwijtbare gedrag is geweest. Voorts is er naar aanleiding van het ongeval door het Centraal Bureau voor de Rijvaardigheid (CBR) een onderzoek naar de rijgeschiktheid van verdachte uitgevoerd. Het CBR heeft verdachte ongeschikt geacht en hij moet een recidiefvrije periode van één jaar laten zien om zijn rijbewijs terug te krijgen. In dit kader heeft verdachte de afgelopen drie à vier maanden geen alcohol meer heeft gedronken.

Gelet op voornoemde de persoonlijkheidsproblematiek acht de rechtbank het spijtig dat het openbaar ministerie geen reclasseringsrapportage omtrent de persoon van verdachte heeft laten opmaken. De rechtbank acht het, gelet op deze problematiek, niet aangewezen om verdachte zonder rapportage omtrent zijn persoon een gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank zal verdachte een taakstraf opleggen evenredig aan de gevangenisstraf genoemd in het oriëntatiepunt, te weten 120 uren. Voorts acht de rechtbank, mede gelet op alle gevolgen die het ongeval reeds voor de geldigheid van het rijbewijs van verdachte heeft gehad, een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zeven maanden passend en geboden, in plaats van de gevorderde twee jaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de duur van zeven maanden.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. F. Sieders en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 september 2015.

Mr. F. Sieders en mr. C. Krijger zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Zandstra-Alkema

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

locatie Leeuwarden,