Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4182

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
02-09-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2955
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Speedsoccercentrum. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, nu geen aanleiding bestaat om tot opheffen van de schorsing van de van rechtswege verleende vergunning over te gaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/2955

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

DTEX Holding BV, te Wolvega, verzoekster

(gemachtigde: mr. M.A. Jansen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, verweerder

(gemachtigde: G. van der Veer).

Als derde-belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen: Sportstad Heerenveen BV, te Heerenveen (gemachtigde mr. S. Maakal).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder bekend gemaakt dat een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van rechtswege is verleend.

Sportstad Heerenveen BV heeft daartegen bezwaar gemaakt.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2015. Namens verzoekster is [belanghebbende] verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Jansen als gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens Sportstad Heerenveen BV is mr. S. Maakal verschenen.

Overwegingen

1.1

De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Verzoekster wil op de locatie Venus 27 te Heerenveen een speedsoccercentrum in gebruik nemen. Dit is in strijd met het bestemmingsplan “Correctieve en tweede partiële herziening van het bedrijventerrein De Kavels” (het bestemmingsplan). Daarom heeft verzoekster bij schrijven van 2 juni 2014 verweerder verzocht om wijziging van het bestemmingsplan.

1.3

Bij schrijven van 7 juli 2014 is namens verzoekster een toelichting gegeven op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Bij schrijven van 21 augustus 2014 is namens verzoekster opnieuw een nadere toelichting gegeven op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. In deze brief wijst verzoekster op de dan nog niet geldende regelgeving ten aanzien van de tijdelijke vergunning zoals thans neergelegd in het Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.4

Bij schrijven van 24 november 2014 heeft de gemachtigde van verzoekster aan verweerder kenbaar gemaakt, gelet op de gewijzigde regelgeving, waardoor het via de reguliere procedure mogelijk is een tijdelijke vergunning te verlenen voor het gewenste gebruik, dat is besloten het verzoek tot bestemmingsplanwijziging niet langer te handhaven, maar een vergunning aan te vragen. Die aanvraag is ingediend en kan dan “meer op maat” verleend worden dan een wijziging van het bestemmingsplan, aldus verzoekster.

1.5

Bij besluit van 24 februari 2015 heeft verweerder de aanvraag om een tijdelijke omgevingsvergunning afgewezen.

1.6

Namens verzoekster is daartegen bezwaar gemaakt. In de bezwaarfase is gebleken dat het bestemmingsplan de mogelijkheid geeft om binnenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Daarom stelt verzoekster zich bij schrijven van 20 mei 2015 op het standpunt dat de brief van 7 juli 2014 een verzoek is om een omgevingsvergunning, waarop nog niet is beslist, zodat van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend.

1.7

Namens verzoekster is tegen het niet tijdig bekend maken van de van rechtswege verleende vergunning beroep ingediend. Dat beroep staat bekend onder zaaknummer LEE 15/1961.

1.8

Bij besluit van 23 juni 2015 heeft verweerder de van rechtswege verleende vergunning bekend gemaakt. Verweerder legt aan het besluit ten grondslag dat de brief van 7 juli 2014 moet worden aangemerkt als een aanvraag voor een vergunning voor de activiteit strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c, van de Wabo. Op de besluitvorming ten aanzien van de aanvraag is de reguliere procedure van toepassing. Voor de reguliere procedure geldt een beslistermijn van acht weken. Omdat deze termijn is verstreken en de beslistermijn niet is verlengd, is van rechtswege de vergunning verleend, aldus verweerder.

1.9

Tegen de bekendmaking van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning heeft derde-belanghebbende bezwaar aangetekend.

1.10

Omdat tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning bezwaar is aangetekend is de omgevingsvergunning, gelet op het bepaalde in artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo, niet in werking getreden. De vergunning is opgeschort totdat op het ingediende bezwaarschrift is beslist.

1.11

De omstandigheid dat de van rechtswege verleende omgevingsvergunning niet in werking is getreden, is voor verzoekster aanleiding geweest om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht de schorsing van de inwerkingtreding van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning op te heffen. Dat verzoek ligt thans ter beoordeling van de voorzieningenrechter voor.

2.1

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.1

De voorzieningenrechter ziet zich eerst gesteld voor de vraag of derde-belanghebbende belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb. De voorzieningenrechter beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

3.2

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Een concurrent kan onder omstandigheden als belanghebbende worden aangemerkt bij een besluit waarbij een andere ondernemer tot dezelfde markt wordt toegelaten. In het geval de betreffende ondernemer in hetzelfde marktsegment werkzaam is binnen hetzelfde verzorgingsgebied kan sprake zijn van belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

3.3

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn derde-belanghebbende en verzoekster in hetzelfde marktsegment werkzaam. Hoewel er verschillen zijn aan te wijzen tussen speedsoccer (dat verzoekster wil aanbieden) en zaalvoetbal (zoals door derde-belanghebbende wordt verzorgd) betreft het beide vormen van indoor voetbal. Derde-belanghebbende en verzoekster zijn beide in Heerenveen actief en richten zich grotendeels tot dezelfde klantenkring. Zij vissen in dezelfde vijver. Daarom heeft derde-belanghebbende een rechtstreeks belang als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb en kan derde-belanghebbende bezwaar maken tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Het betoog van verzoekster dat het bezwaarschrift van derde-belanghebbende niet-ontvankelijk is, treft geen doel.

4.1

Ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster stelt de voorzieningenrechter vast dat het spoedeisend belang aanwezig. Duidelijkheid over de inwerkingtreding van de van rechtswege verleende vergunning kan immers bijdragen aan het zo spoedig mogelijk in gebruik nemen van het speedsoccercentrum. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dat niet alleen sprake is van een financieel belang aan de kant van verzoekster, maar ook van een maatschappelijk belang in die zin dat de sporters die -met name in comptetitieverband- gebruik willen maken van de door verzoekster geboden faciliteiten, op korte termijn weten of zij van de door verzoekster aangeboden faciliteiten gebruik kunnen maken.

5.1

Voorts ligt de vraag voor of sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning en daarmee samenhangend de vraag of de onder rechtsoverweging 1.3 genoemde brief van 7 juli 2014 kan worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dienen die vragen positief te worden beantwoord. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter eerst dat de brief gelet op de bewoordingen kan worden aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het afwijken van een het bestemmingsplan. Anders dan door derde-belanghebbende is betoogd volgt uit de brief niet dat sprake is van een toelichting bij de aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter hecht waarde aan de omstandigheid dat ook uit de contacten tussen verzoekster en verweerder duidelijk is wat verzoekster wil, namelijk toestemming om in afwijking van het bestemmingsplan een speedsoccercentrum in gebruik nemen. De voorzieningenrechter betrekt bij zijn oordeel dat verweerder, hoewel niet in eerste instantie, de brief van 7 juli 2014 eveneens als een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft aangemerkt.

5.2

Nu de brief van 7 juli 2014 naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient te worden aangemerkt als een aanvraag voor een vergunning voor de activiteit strijdig gebruik als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid en onder c, van de Wabo is op de besluitvorming de reguliere procedure van toepassing. Voor de reguliere procedure geldt een beslistermijn van acht weken. Omdat deze termijn is verstreken en de beslistermijn niet is verlengd, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht en op juiste gronden bij besluit van 23 juni 2015 bekend heeft gemaakt dat een omgevingsvergunning op grond van de Wabo van rechtswege is verleend.

6.1

Omdat derde-belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de van rechtswege verleende omgevingsgunning, de omgevingsvergunning gelet op het bepaalde in artikel 6.1, vierde lid, van de Wabo niet in werking getreden en verzoekster om die reden een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, met het verzoek de schorsing van de inwerkingtreding op te heffen, ziet de voorzieningenrechter zich thans gesteld voor de vraag of aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Om die vraag te beantwoorden dient de voorzieningenrechter te beoordelen of het tot op zekere hoogte waarschijnlijk is dat de van rechtswege verleende vergunning, al dan niet onder verbetering van gronden, in bezwaar gehandhaafd zal worden.

6.2

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel, anders dan door verzoekster is betoogd, dat het tot op zekere hoogte waarschijnlijk is dat de van rechtswege verleende vergunning in bezwaar gehandhaafd zal worden. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

6.3

Niet is in geschil dat de plannen van verzoeker in strijd zijn met de bepalingen van het bestemmingsplan.

6.4

De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit strijdig gebruik met een

bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 12.2, eerste lid, onder a, 1º van de Wabo en artikel 4, onderdeel F, eerste lid van het bestemmingsplan. Op grond van de bepaling in het bestemmingsplan kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen en toestaan dat bedrijven worden gevestigd, die niet in de van toepassing zijnde bedrijvenlijst van het

bestemmingsplan zijn genoemd, maar naar aard en invloed op de omgeving met de

betreffende bedrijven gelijk te stellen zijn.

6.5

Verweerder heeft aangegeven dat bij de besluitvorming die tot dusverre heeft plaatsgevonden, het standpunt is ingenomen dat vestiging van de functie speedsoccer op het

bedrijventerrein beleidsmatig niet wenselijk wordt geacht. Het is dan ook zeer goed

mogelijk dat de betreffende afwijking niet zal worden verleend.

6.6

Gelet op het standpunt van verweerder dat het zeer goed mogelijk is dat de betreffende afwijking niet zal worden verleend, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het tot op zekere hoogte waarschijnlijk is dat de van rechtswege verleende vergunning in bezwaar gehandhaafd zal worden. De voorzieningenrechter acht daarbij van belang, zoals verweerder ter zitting heeft verklaard, dat het gemeentelijk beleid ten tijde van de vaststelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan gericht was op het realiseren van een grootschalig bedrijventerrein en op de vestiging van overwegend grootschalige bedrijven en transport-logistieke bedrijvigheid. Het door verzoekster gewenste speedsoccercentrum past functioneel gezien niet binnen dit beleidsuitgangspunt.

6.7

De voorzieningenrechter ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om de schorsing van de inwerkingtreding van het van rechtswege verleende vergunning op te heffen wordt afgewezen.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 september 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.