Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:4159

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
C/17/142878 / KG ZA 15-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Jonge internetoplichter, onrechtmatige daad, ouders niet pro se aansprakelijk, geen spoedeisend belang bij gevorderde schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 169
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2015/155 met annotatie van mr. E.V. van der Schee
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/142878 / KG ZA 15-187

Vonnis in kort geding van 2 september 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JVANHMEDIA B.V., tevens h.o.d.n.

RESPONSE CONCEPTS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. O. Hammerstein te Amsterdam,

tegen

1 [A] , en

2. [B],

zowel pro se als in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

[C] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. P.R. Logemann te Harlingen.

Partijen zullen hierna Response en de ouders genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 juli 2015;

  • -

    de mondelinge behandeling van 14 augustus 2015;

  • -

    de pleitnota's van beide partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Response houdt zich onder meer bezig met het genereren en verzamelen van consumentengegevens en het opzetten en begeleiden van commerciële telecommunicatieprojecten.

2.2.

De zoon van de ouders, [C] (hierna: [C] ), is geboren op [geboortedatum] en handelt onder de naam [D] . [C] heeft zich met instemming en medewerking van zijn ouders ingeschreven als eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel wordt vermeld dat deze onderneming zich bezighoudt met de volgende activiteiten: "gegevensverwerking, webhosting en aanverwante activiteiten".

2.3.

Omstreeks oktober 2014 is bij de ouders bekend geworden dat [C] zich met zijn bedrijf [D] met oplichtingspraktijken zou bezighouden. De ouders hebben naar aanleiding daarvan contact met de politie opgenomen en begin januari 2015 is [C] gehoord door de politie.

2.4.

In overleg met de Raad voor de Kinderbescherming hebben de ouders besloten om [C] bij [E] te plaatsen, een behandelcentrum voor jongeren met een meervoudige gedrags- of psychiatrische problematiek. [C] heeft hier enige weken verbleven.

2.5.

Op 4 en 5 februari 2015 - [C] woonde toen alweer thuis - heeft [C] bij Response zogenaamde "leads" besteld voor een bedrag van € 73.530,00 (exclusief BTW) in totaal. Na levering en facturering van voornoemde "leads" voor een bedrag van € 50.476,80 heeft Response de verdere levering stopgezet in verband met het uitblijven van betaling. Bij brief van 16 april 2015 heeft (de advocaat van) Response de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden en de ouders - in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] - verzocht om voornoemd bedrag van € 50.476,80 met BTW aan haar te betalen, omdat Response er inmiddels achter was gekomen dat [C] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst minderjarig was.

2.6.

[C] heeft de leads die hij van Response had gekocht op internet te koop aangeboden op de site [naam internetsite]. [C] heeft met de e-mailadressen die hij van Response heeft verkregen, de personen van wie de adressen afkomstig zijn willen oplichten door zich voor te doen als incassobureau met een gefingeerde vordering op voornoemde personen en met de bedoeling hen een betaling te laten verrichten. Indien de betreffende personen daartegen bezwaar wilden maken moesten zij een telefoonnummer bellen, waarna zij lange tijd in de wacht werden gezet tegen een tarief van ongeveer € 1,00 per minuut.

2.7.

Medio mei 2015 is [C] in voorlopige hechtenis geplaatst. De voorlopige hechtenis is vervolgens onder voorwaarden geschorst en [C] is onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg. [C] is daarbij een verbod op de toegang tot internet opgelegd. [C] wordt strafrechtelijk vervolgd voor verschillende strafbare feiten.

2.8.

De ouders hebben de tussen Response en [C] gesloten overeenkomst door middel van een buitengerechtelijke verklaring vernietigd vanwege de handelingsonbekwaamheid van [C] ten tijde van het sluiten van die overeenkomst.

2.9.

Bij e-mailbericht van 9 juli 2015 heeft de advocaat van de ouders aan een medewerker van de advocaat van Response geschreven, voor zover van belang:

"Ik zie in de concept dagvaarding dat er € 50.000,- wordt gevorderd. Als voorschot stel ik namens cliënt voor dat hij 10% voldoet.

Meer is voor hem op zo'n korte termijn lastig te realiseren. Voor het resterende bedrag heeft hij wat meer tijd nodig zoals in zijn vorige e-mail is aangegeven.

Voorts heeft cliënt aangegeven geen gebruik meer te zullen maken van de leads. De website [naam internetsite] is reeds verwijderd.

Graag verneem ik van u of uw cliënt hiermee akkoord kan gaan."

2.10.

In reactie daarop heeft de medewerker van de advocaat van Response bij

e-mailbericht van 9 juli 2015 aan de advocaat van de ouders geschreven, voor zover van belang:

"(…) Wanneer een bedrag van € 25.000,= wordt betaald en ik een schriftelijke verklaring van [C] en zijn ouders ontvang dat zij een niet voor matiging vatbare boete van € 5.000,= per overtreding zullen betalen wanneer er gebruik wordt gemaakt van de leads, is Response bereid van het kort geding af te zien."

2.11.

Bij e-mailbericht van dezelfde datum heeft de advocaat van de ouders geschreven, voor zover van belang:

"(…) Cliënt kan vandaag € 10.000,- overmaken en anders binnen drie dagen € 25.000,-. De rest van de vordering zou binnen 8 weken volledig kunnen worden voldaan. (…) De verklaring is bijgevoegd. De verklaring is niet door mij opgesteld zoals u wellicht kunt zien maar er staat in wat uw cliënt verzocht."

2.12.

In de betreffende verklaring staat vermeld:

"(…) Ik bevestig u dat de leads van Response Concepts niet meer door mijn zoon, [C] of wie dan ook, niet meer gebruikt zullen worden en aanvaard de boete van € 5.000,- per overtreding.

Met vriendelijke groet,

[A] "

2.13.

Het hiervoor genoemde betalingsaanbod is nadien ingetrokken.

2.14.

De site [naam internetsite] is inmiddels van het internet verwijderd.

3 Het geschil

3.1.

Response vordert samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. de ouders veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met BTW, bij wijze van voorschot op een vergoeding van haar schade;

b. de ouders verbiedt de door Response geleverde "leads" door te verkopen, daarmee te adverteren en/of deze te koop aan te bieden via het internet of anderszins, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom;

c. van het internet te verwijderen en verwijderd te houden de site [naam internetsite] , op straffe van verbeurte van een dwangsom;

d. met veroordeling van de ouders in de proceskosten.

3.2.

De ouders voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan

4.1.

Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of de ouders van [C] pro se en/of in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] aansprakelijk zijn voor de door Response gevorderde schadevergoeding op grond van een (door [C] gepleegde) onrechtmatige daad. Voorts is in geschil of [C] de "leads" van Response nog steeds te koop aanbiedt op het internet en of de ouders in staat zijn de site [naam internetsite] van het internet verwijderd te houden. Ten aanzien van de in dit verband tussen partijen opgekomen geschilpunten overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.2.

Als meest verstrekkende verweer hebben de ouders het door Response gestelde spoedeisend belang bij haar vorderingen in kort geding betwist. Voor wat betreft het gevorderde verbod op verkoop van de "leads" van Response en het verwijderd houden van eerdergenoemde website hebben de ouders ter zitting (alsnog) het spoedeisend belang erkend, naar aanleiding van het door Response ingenomen standpunt dat de vorderingen bedoeld zijn om de schade te beperken. Ten aanzien van het spoedeisend belang bij betaling van een voorschot op de door Response gevorderde schadevergoeding heeft Response zich

- samengevat - op het standpunt gesteld dat de ouders de facturen van Response niet hebben betaald, terwijl Response wel de daartegenover staande diensten heeft geleverd. De ouders betwisten dat het hebben van een financiële vordering op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad per definitie een spoedeisend belang oplevert. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.3.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de voorzieningenrechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening (vgl. HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602 en ECLI:NL:GHARL:2013:7768).

4.4.

Met inachtneming van het voorgaande zal de voorzieningenrechter eerst de aannemelijkheid van de schadevordering beoordelen, aan de hand van de vraag of de ouders van [C] (pro se dan wel in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers) aansprakelijk zijn voor de door Response gevorderde schade. Response stelt daartoe

- samengevat - dat het plaatsen van orders en het aangaan van schulden in de wetenschap dat deze niet kunnen worden voldaan onrechtmatig is. Ook het gebruik maken van de geleverde "leads" om daarmee inkomsten te verwerven via onrechtmatige en strafrechtelijk verwijtbare handelingen is onrechtmatig. Volgens Response is verder gebleken dat de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers niets, althans onvoldoende doen om een einde te maken aan de oplichtingspraktijken van hun zoon. Door het onrechtmatig handelen van [C] heeft Response schade geleden bestaande uit geleverde maar onbetaald gelaten diensten en schade ten gevolge van het onrechtmatig gebruik van de geleverde gegevens. Response begroot het voorschot op de door haar geleden schade op het bedrag van de onbetaald gelaten facturen, namelijk € 50.000,00.

4.5.

De ouders wijzen iedere aansprakelijkheid van de hand en voeren daartoe aan

- samengevat - dat de overeenkomst tussen Response en [C] vernietigbaar is vanwege de handelingsonbekwaamheid van [C] . De ouders verzoeken de voorzieningenrechter in dit verband om de ingeroepen nietigheid te bekrachtigen. Voorts betwisten de ouders dat hen kan worden verweten dat zij de gedragingen van [C] niet hebben belet. In dit verband voeren zij aan dat zij weliswaar wisten dat [C] websites beheerde en daarvoor een geringe vergoeding ontving, maar niet dat hij zich ook met andere zaken bezig hield dan de zaken die normaal zijn voor een vijftienjarige. Volgens de ouders hebben veel kinderen van die leeftijd een website of zijn anderszins actief op het internet. Vanaf het moment dat de ouders signalen ontvingen dat [C] zich zou bezig houden met oplichtingspraktijken hebben zij alles gedaan wat redelijkerwijs van hen als ouders mocht worden verwacht. Er is overleg geweest met politie, de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. Ook hebben zij ervoor gezorgd dat [C] thuis geen toegang meer had tot het internet. De ouders voeren verder aan dat de ingeroepen nietigheid met zich brengt dat de overeenkomst moet worden teruggedraaid alsof deze nooit heeft bestaan. In dit verband voeren de ouders aan dat [C] de "leads" inmiddels heeft teruggestuurd. Ook overigens achten de ouders de gevorderde schade onvoldoende onderbouwd.

4.6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat de overeenkomst tussen Response en [C] niet meer bestaat. Ofwel via de door Response ingeroepen buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst, ofwel via de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van de ouders van [C] wegens zijn handelingsonbekwaamheid ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat zowel de ontbinding als de vernietiging van de overeenkomst ongedaanmakingsverplichtingen voor partijen met zich brengt. Response grondt haar schadevordering echter op een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW zodat de voorzieningenrechter de vraag of de overeenkomst door middel van ontbinding dan wel vernietiging is geëindigd in het midden zal laten. Ten aanzien van de vraag of de handelwijze van [C] een onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW oplevert, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat [C] zich al vanaf oktober 2014 heeft beziggehouden met uiteenlopende oplichtingspraktijken. Zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 2.6 heeft [C] zich via het internet voorgedaan als een incassobureau dat personen benaderde om hen een gefingeerde vordering te laten voldoen. Indien de betreffende personen daartegen bezwaar wilden maken moesten zij een telefoonnummer bellen, waarna zij lange tijd in de wacht werden gezet tegen een tarief van ongeveer € 1,00 per minuut. Ook is niet in geschil dat [C] , zelfs na de inschakeling van de politie en een tijdelijke plaatsing in behandelcentrum [E] , zijn gedragingen niet heeft gestaakt en in februari 2015 voor een bedrag groot € 73.530,00 aan "leads" bij Response heeft besteld, in de wetenschap dat hij dit bedrag niet zou kunnen voldoen. Voorts is onweersproken door Response gesteld dat [C] de door haar geleverde gegevens heeft aangewend voor zijn oplichtingspraktijken.

4.8.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwende, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat [C] inbreuk op een (vermogens)recht van Response heeft gemaakt, in strijd heeft gehandeld met een wettelijke plicht en voorts de jegens Response betamende zorgvuldigheid niet in acht heeft genomen en wel op een zodanige wijze dat deze handelwijze strijd oplevert met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat [C] zelfs na een verhoor door de politie over zijn oplichtingspraktijken een omvangrijke order bij Response heeft geplaatst, in de wetenschap dat hij de gefactureerde "leads" niet zou kunnen betalen en met de bedoeling om de geleverde "leads" op onrechtmatige wijze aan te wenden. Dit levert een onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW, die naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter aan [C] kan worden toegerekend. De omstandigheid dat deze rechtshandeling achteraf bezien wellicht nietig is met als gevolg dat de contractuele verplichtingen over en weer komen te vervallen, doet op zichzelf genomen niet af aan de daaraan voorafgaande en op zichzelf staande onrechtmatigheid van de handelwijze jegens Response en de aansprakelijkheid van [C] voor de dientengevolge door Response geleden schade. Ter zitting is in dit verband onweersproken door Response gesteld dat de betreffende "leads" voor Response niet meer bruikbaar zijn, in verband met de doorverkoop van de "leads" aan derden.

4.9.

Voor het antwoord op de vraag of de ouders ook pro se aansprakelijk zijn voor de schade toegebracht aan Response door een fout van hun toen vijftienjarige zoon, bepaalt artikel 6:169 lid 2 BW dat dit het geval is, tenzij de ouders niet kan worden verweten dat zij de gedraging van [C] niet hebben belet. Van dit laatste is sprake indien de ouders alles hebben gedaan wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen kon worden gevergd om de gedragingen van het kind te verhinderen. Onder meer de leeftijd, de aard en het ontwikkelingsniveau van het kind spelen daarbij een rol en ook de leefomstandigheden van de ouders. Naarmate het kind een groter risico oplevert dienen de ouders binnen de grenzen van het aanvaardbare meer voorzorgsmaatregelen te nemen. Zoals hiervoor al overwogen in rechtsoverweging 4.5. doen de ouders een beroep op voornoemde disculpatiemogelijkheid. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

4.10.

Uit de feiten zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 2.3., 2.4. en 2.7. kan worden afgeleid dat de ouders vanaf het moment dat zij bekend zijn geworden met de oplichtingspraktijken van hun zoon de politie hebben ingeschakeld en voorts de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg. Ook hebben de ouders ter zitting onweersproken tot hun verweer aangevoerd dat zij sinds januari 2014 geen computer meer in huis hebben en dat [C] zijn smartphone heeft moeten inleveren. De voorzieningenrechter is gelet op het vorenstaande van oordeel dat de ouders alle mogelijke voorzorgsmaatregelen hebben getroffen om het onrechtmatig handelen van [C] te beletten. Dat [C] desondanks zijn onrechtmatig handelen heeft voortgezet door een bestelling bij Response te plaatsen (en kennelijk toch kans heeft gezien om, in weerwil van de door de ouders genomen maatregelen, toegang tot het internet te verkrijgen), mag zo zijn, maar gelet op alle getroffen maatregelen hebben de ouders gedaan wat in redelijkheid van hen kon worden gevergd. Dit betekent dat het beroep van de ouders op de disculpatiemogelijkheid van artikel 6:169 lid 2 BW slaagt, zodat de tegen de ouders pro se ingestelde schadevordering dient te worden afgewezen. Voor zover Response nog wenst te betogen dat de ouders de vordering blijkens de correspondentie van hun advocaat hebben erkend, hebben de ouders gemotiveerd betwist dat dit het geval is geweest. De ouders hebben onweersproken tot hun verweer aangevoerd dat [C] onjuiste informatie aan de advocaat van de ouders heeft verstrekt en dat [C] in hun naam valse verklaringen heeft opgesteld. Dat de ouders de vordering pro se hebben erkend is dan ook niet komen vast te staan.

4.11.

Een en ander brengt met zich dat de voorzieningenrechter [C] aansprakelijk acht voor de door Response geleden schade wegens een door [C] gepleegde onrechtmatige daad. Dit betekent dat de ouders van [C] in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] aansprakelijk zijn voor de betaling van deze schade. De aannemelijkheid van de schadevordering is op zichzelf genomen echter niet voldoende voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Zoals hiervoor al overwogen in rechtsoverweging 4.3. dient daarnaast sprake te zijn van een spoedeisend belang bij de vordering tot voldoening van een geldvordering, alvorens de vordering in kort geding kan worden toegewezen. De voorzieningenrechter is in dit verband van oordeel dat ook bij een zeer aannemelijke vordering wel enig spoedeisend belang gesteld moet worden. Door Response zijn echter geen feiten of omstandigheden gesteld, ook niet desgevraagd, waaruit blijkt dat zij een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Om die reden acht de voorzieningenrechter het gevorderde voorschot van € 50.000,00 op de door Response geleden schade niet toewijsbaar.

4.12.

Rest de vraag of het door Response gevorderde verbod om de "leads" door te verkopen, daarmee te adverteren of deze te koop aan te bieden op internet, toewijsbaar is en voorts of het gevorderde gebod om de site [naam internetsite] van het internet verwijderd te houden voor toewijzing in aanmerking komt. Tussen partijen is in dit verband niet in geschil dat de site al van het internet is verwijderd, zodat in zoverre reeds aan het (eerste deel van het) gevorderde onder c. (zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.1.) is voldaan.

4.13.

Response stelt zich op het standpunt dat zij belang heeft bij voornoemd verbod op

- kort gezegd - doorverkoop van de "leads" en het uit de lucht blijven van de website waarop [C] de "leads" te koop heeft aangeboden, om op die manier haar schade te beperken. In dit verband stelt Response dat de aan [C] geleverde "leads" tot op de dag van vandaag worden doorverkocht vanuit Malta. De ouders voeren tot hun verweer aan dat de "leads" al zijn teruggestuurd en dat er onvoldoende duidelijkheid bestaat of [C] degene is die de "leads" vanuit Malta verkoopt. Voorts voeren de ouders aan dat voornoemde vorderingen slechts aan [C] kunnen worden opgelegd, omdat zijzelf geen mogelijkheden hebben om gevolg aan het gevorderde te geven.

4.14.

Gelet op de hiervoor in rechtsoverwegingen 4.7. en 4.8. geschetste handelwijze van [C] is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet valt uit te sluiten dat [C] zich nog steeds bezighoudt met de doorverkoop van de "leads". Response heeft voldoende onderbouwd gesteld dat de adressen die worden doorverkocht, dezelfde adressen zijn die Response aan [C] heeft geleverd. Het voorgaande brengt met zich dat de voorzieningenrechter het gevorderde verbod jegens de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] toewijsbaar acht. De ouders hebben in dit verband ook geen feiten of omstandigheden tot hun verweer aangevoerd waaruit blijkt dat hun belang bij afwijzing van de vordering zwaarder dient te wegen dan het belang van Response bij toewijzing van de vordering. Ook het van het internet verwijderd houden van de website waarop [C] de "leads" aanvankelijk te koop aanbood, te weten de site [naam internetsite], acht de voorzieningenrechter jegens de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] als onvoldoende adequaat weersproken toewijsbaar. De ouders hebben er ter zitting ook op aangedrongen dat die vordering wordt toegewezen, voor zover zij in hun hoedanigheid werden aangesproken. De gevorderde dwangsommen in geval van overtreding van het verbod of in geval van plaatsing van de website op het internet zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald. Dit vormt een voldoende prikkel tot nakoming van het vonnis voor de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] .

4.15.

De ouders hebben gemotiveerd betwist dat zijzelf de mogelijkheid hebben om aan het hiervoor gevorderde gevolg te kunnen geven en hebben tevens aangevoerd dat hun in persoon ook geen verwijt te maken valt van deze handelingen indien deze worden voortgezet. Dit is door Response niet althans onvoldoende weersproken, zodat de voorzieningenrechter voornoemde vorderingen jegens de ouders pro se zal afwijzen.

4.16.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen onder b. en c. (zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.1.) jegens de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] zullen worden toegewezen en dat de overige vorderingen, waaronder de vorderingen jegens de ouders pro se, zullen worden afgewezen.

4.17.

Gelet op het feit dat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] om de door Response geleverde "leads" door te verkopen, daarmee te adverteren en/of deze te koop aan te bieden via het internet of anderszins,

5.2.

veroordeelt de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] om aan Response een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de ouders niet aan de in rechtsoverweging 5.1. uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.3.

gebiedt de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] om de site [naam internetsite] van het internet verwijderd te houden,

5.4.

veroordeelt de ouders in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van [C] om aan Response een dwangsom te betalen van € 2.500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de ouders niet aan de in rechtsoverweging 5.3. uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman en in tegenwoordigheid van mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 september 2015.1

1 type: 698/ah