Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:397

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-01-2015
Datum publicatie
05-02-2015
Zaaknummer
LEE 14/2468
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Rechtbank acht door verweerder meegedeelde beperking van de kennisneming door eiser van een bijlage, waarvan verweerder de inhoud reeds in zijn verweerschrift heeft vermeld, kennelijk ongerechtvaardigd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/263
V-N 2015/18.14.2
FutD 2015-0345
NTFR 2015/1059 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/2468

tussenbeslissing van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2015 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Arnhem, verweerder

(gemachtigde: [A]).

Procesverloop

1.1

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 18 oktober 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd voor het jaar 2011. Gelijktijdig met deze aanslag heeft verweerder aan eiser een beschikking heffingsrente gegeven.

1.2

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 april 2014 de aanslag en beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Eiser heeft op 27 mei 2014 digitaal beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.

1.4

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op zaak betrekking hebbende stukken. Onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verweerder meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van het (in een gesloten envelop) als bijlage 10 bij het verweerschrift gevoegde stuk (bijlage 10).

1.5

De griffier van de rechtbank heeft op 24 november 2014 telefonisch contact opgenomen met [B], collega van [A]. Zij heeft de beroepszaken met de nummers 14/3001 en 14/3003 in behandeling, waarin zij in een soortgelijk geval als het onderhavige ook een mededeling ex artikel 8:29 van de Awb heeft gedaan. De griffier heeft [B] telefonisch uitgelegd dat de mededeling dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de desbetreffende bijlage geen doel dient, aangezien verweerder reeds in zijn verweerschrift de inhoud van de in die bijlage vermelde informatie heeft vermeld. Bovendien geldt, anders dan verweerder kennelijk meent, de beperking van de kennisneming niet per definitie voor alle gegevens van derden. De griffier heeft [B] dan ook verzocht om deze mededeling in te trekken. [B] heeft toegezegd dit te doen, nu het haar duidelijk is geworden dat zij het toepassingsbereik van artikel 8:29 van de Awb onjuist had opgevat. [B] heeft daarnaast toegezegd dat zij [A] namens de griffier zal verzoeken om de bij 1.4 bedoelde mededeling in te trekken.

1.6

Bij brief van 25 november 2014 heeft [A] op grond van artikel 6:21, eerste lid, van de Awb zijn mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van bijlage 10, ingetrokken. Hierbij heeft verweerder bijlage 10 als bijlage bij deze brief gevoegd. De rechtbank heeft een afschrift van deze brief met bijlage 10 doorgezonden naar eiser.

1.7

Bij brief van 1 december 2014 heeft [A] bij de rechtbank een klacht ingediend over de gang van zaken rondom de intrekking van de bij 1.4 bedoelde mededeling.[A] acht het bij 1.5 bedoelde door de griffier gedane telefonische verzoek in strijd met de geldende wetgeving. [A] wijst er hierbij op dat in artikel 8:29, derde lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter beslist of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Doordat [A] het telefonische verzoek van de griffier heeft ingewilligd, heeft hij geen gelegenheid meer gehad om overeenkomstig het bepaalde in artikel 13, zesde lid, van de Procesregeling Bestuursrecht 2013 zijn eigen consequenties te verbinden aan het afwijzen van het verzoek. [A] verzoekt daarom de rechtbank om zijn brief van 25 november 2014 als niet-verzonden te beschouwen en alsnog de officiële procedure te doorlopen.

1.8

Ten behoeve van de hierna te nemen beslissing, heeft de rechtbank kennisgenomen van het gehele procesdossier, zoals dit aan partijen bekend is gemaakt. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van bijlage 10.

Overwegingen

2.1

Ingevolge artikel 8:42 van de Awb zendt het bestuursorgaan binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank en dient het een verweerschrift in.

2.2

Ingevolge artikel 8:29, eerste lid, van de Awb kunnen partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de rechtbank mededelen dat uitsluitend zij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

2.3

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, heeft overwogen heeft als uitgangspunt te gelden dat alle stukken die bij verweerders besluitvorming een rol hebben gespeeld (integraal) aan de wederpartij en aan de rechter dienen te worden overgelegd, voor zover te dien aanzien niet, althans niet met succes, een beroep wordt gedaan op gewichtige redenen die zich tegen zodanige overlegging verzetten.

3.1

Verweerder heeft in zijn begeleidende brief bij het verweerschrift vermeld:

In onderdeel 3.5 van het verweerschrift wordt beroep gedaan op art. 8:29 Awb (geheimhoudingsplicht). Doordat deze stukken niet openbaar mogen worden gemaakt zijn deze in een aparte envelop bijgevoegd. Met vervaldatum wordt bedoeld de einddatum waarop de opdrachtgever, [Y] B.V., niet meer inhoudingsplichtige is voor de loonbelasting.”.

3.2

Onder punt 3.5 in het verweerschrift heeft verweerder vermeld:

Opdrachtgever van belanghebbende ([Y] B.V.) is sinds 1 december 2009 geen inhoudingsplichtige voor de loonbelasting ex. art. 6. Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: “Wet LB 1964”). De gegevens van de opdrachtgever hebben betrekking op een derde. Hierdoor mogen de gegevens in beginsel niet openbaar worden gemaakt in de onderhavige zaak. Ik stuur u derhalve deze stukken in een gesloten envelop en ik verzoek u een beoordeling te maken op grond van 8:29 Awb. (Bijlage 10)”.

4.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder onder verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb heeft meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van bijlage 10. De rechtbank stelt verder vast dat bijlage 10 betrekking heeft op de gegevens van de opdrachtgever van eiser.

4.2

De rechtbank begrijpt verweerder aldus dat hij stelt dat zijn geheimhoudingsplicht ex artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), gelezen in samenhang met artikel 2:5 van de Awb, aan bekendmaking van bijlage 10 aan eiser in de weg staat. De rechtbank verwerpt deze stelling. Hierbij wijst de rechtbank verweerder erop dat onder de in het eerste lid van artikel 67 van de AWR genoemde uitvoering van de belastingwet moet worden begrepen het voeren van bestuursrechtelijke procedures over de juistheid van opgelegde belastingaanslagen en de daarbij behorende beschikkingen. Bekendmaking in dat kader is dus toegestaan, mits die bekendmaking niet verder gaat dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de belastingwet. De rechtbank wijst erop dat van bekendmaking moet worden onderscheiden openbaarmaking, zijnde bekendmaking aan een ieder. De rechtbank wijst verweerder er verder op dat uit het tweede lid, onderdeel a, van artikel 67 van de AWR volgt dat de geheimhoudingsplicht niet geldt indien enig wettelijk voorschrift tot de bekendmaking verplicht. Artikel 8:42 van de Awb is zo’n voorschrift. Naast artikel 8:29 van de Awb heeft de in artikel 67 van de AWR opgenomen geheimhoudingsplicht van verweerder dus geen zelfstandige functie (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 december 2014, nrs. 13/01292 t/m 13/01298, ECLI:NL:GHARL:2014:9540, en Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, nr. 13/00377, ELCI:NL:GHSHE:2014:1944).

4.3

Voor zover verweerder heeft bedoeld te stellen (zie bij 3.1) dat artikel 8:29 van de Awb op zichzelf een geheimhoudingsplicht inhoudt ten aanzien van gegevens die betrekking hebben op derden, faalt ook deze stelling.

4.4

Verweerder kan zich wel met succes op artikel 8:29 van de Awb beroepen indien gewichtige redenen zich tegen overlegging van bijlage 10 aan eiser verzetten. Verweerder heeft echter op geen enkele wijze onderbouwd waarom alleen de rechtbank, en niet eiser, mag kennisnemen van bijlage 10. Hierbij wijst de rechtbank verweerder erop dat de enkele omstandigheid dat bijlage 10 betrekking heeft op gegevens van een derde niet zonder meer meebrengt dat eiser hiervan geen kennis mag nemen.

4.5

Het voorgaande laat onverlet dat, hoewel niet gesteld door verweerder, de bescherming van de privacy van derden wel als een voldoende zwaarwegende reden zou kunnen gelden ter rechtvaardiging van de beperking van de kennisneming van bijlage 10 door eiser. De rechtbank overweegt dat bijlage 10 een computeruitdraai betreft met gegevens over de inhoudingsplicht van [Y] B.V. De rechtbank overweegt verder dat verweerder bijna al deze gegevens onder punt 3.5 van zijn verweerschrift reeds bekend heeft gemaakt. Verweerder heeft daar immers gesteld dat, zoals ook blijkt uit bijlage 10, [Y] B.V. sinds 1 december 2009 geen inhoudingsplichtige voor de loonbelasting is. Verweerder is dus klaarblijkelijk zelf van mening dat deze gegevens wel aan eiser bekend mogen worden gemaakt. De rechtbank acht het dan ook geen doel dienen om de kennisneming van bijlage 10 voor eiser te beperken vanwege de bescherming van de privacy van [Y] B.V. Hierbij overweegt de rechtbank dat niet valt in te zien dat de overige, niet in het verweerschrift, maar wel in bijlage 10 vermelde gegevens, zoals de data die vermeld staan achter “Ingangsdatum”, “Opvoerdatum” en “Wijz.datum”, zodanig privacygevoelig zijn dat deze wel geheim zouden moeten blijven voor eiser.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie van de rechtbank dat de door verweerder meegedeelde beperking van de kennisneming van bijlage 10 kennelijk niet gerechtvaardigd is.

6. De bij 5 bedoelde slotsom brengt mee dat verweerder op grond van artikel 8:42 van de Awb verplicht is om bijlage 10 integraal, ter onbeperkte kennisneming door eiser, in het geding te brengen. Hierbij wijst de rechtbank verweerder erop dat de rechtbank reeds een afschrift van bijlage 10, zoals deze bij verweerders brief van 25 november 2014 is gevoegd, aan eiser heeft gezonden (zie bij 1.6). Echter deze bijlage 10 wijkt af van de bij het verweerschrift (in een gesloten envelop) gevoegde bijlage 10 (zie bij 1.4). Verweerder is dus verplicht om laatstbedoelde bijlage alsnog ter onbeperkte kennisneming door eiser in het geding te brengen.

7. Ten overvloede wijst de rechtbank verweerders gemachtigde erop dat de griffier hem om proceseconomische redenen heeft verzocht om de bij 4.1 bedoelde mededeling in te trekken, nu hij deze mededeling kennelijk ten onrechte heeft gedaan en [B] telefonisch te kennen heeft gegeven dit te begrijpen. Verweerders gemachtigde heeft hierop deze mededeling schriftelijk ingetrokken en bij dat intrekkingsbericht bijlage 10 gevoegd. Vervolgens is verweerders gemachtigde door middel van het indienen van een klacht hierop teruggekomen. Gelet hierop heeft de rechtbank het geraden geacht haar proceseconomische overwegingen te laten varen en alsnog bij deze tussenuitspraak beslist op verweerders mededeling dat uitsluitend de rechtbank kennis mag nemen van bijlage 10.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat de door verweerder meegedeelde beperking van de kennisneming van bijlage 10 niet gerechtvaardigd is;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak schriftelijk mee te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de rechtbank verbindt.

Aldus gegeven op 29 januari 2015 door mr. J.W. Keuning, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.

fn 17