Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3893

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-08-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
18.830140-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Rechtbank spreekt verdachte vrij van een poging tot doodslag en veroordeelt verdachte ter zake een poging tot zware mishandeling tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De rechtbank acht medeplegen niet bewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830140-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 3 augustus 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 juli 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zwarts.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 maart 2014 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met

dat opzet die [slachtoffer] ,

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen en/of

gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of

- ( vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen het hoofd heeft

geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 30 maart 2014 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte

voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

die [slachtoffer] ,

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen en/of

gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of

- ( vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen het hoofd heeft

geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 30 maart 2014 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met

anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon

(te weten [slachtoffer] ),

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) tegen het hoofd heeft geslagen en/of

gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam en/of

- ( vervolgens) (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) tegen het hoofd heeft

geschopt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde en dat het subsidiair ten laste gelegde kan worden bewezen, met dien verstande dat verdachte het slachtoffer tegen het hoofd heeft geschopt. De officier van justitie heeft gesteld dat niet kan worden bewezen dat sprake is van medeplegen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde wegens gebrek aan overtuigend bewijs. Zij heeft daartoe aangevoerd dat eraan moet worden getwijfeld dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de schermutselingen zo gedetailleerd hebben waargenomen als zij hebben verklaard. Deze getuigen bevonden zich immers op het balkon van een flat, schuin tegenover de kroeg waar de schermutselingen plaats vonden, op een afstand van ongeveer 50 meter. Het zicht werd belemmerd door meerdere rijen bomen, het begon te schemeren en de kroeg bevindt zich in een inham. Veel waarschijnlijker is dat aangever is omgevallen door drank- en middelengebruik. Dat verklaart de positie waarin hij gevonden is, op zijn buik met zijn hoofd richting café, en waarom drie getuigen gemeend hebben dat aangever door verdachte geslagen werd. Aangever is naar verdachte toegevallen toen verdachte aangever en [medeverdachte] uit elkaar wilde duwen. De getuigen hebben de vechtpartij tussen [medeverdachte] en aangever gezien en hebben de val van aangever automatisch als het vervolg geïnterpreteerd en gezien wat er niet was: verdachte die aangever sloeg. Verdachte is direct daarna de kroeg weer ingegaan, waarbij hij over aangever heen moest stappen. In het licht van het hele incident is dit geïnterpreteerd als een schop.

Verdachte had geen opzet op het plegen van doodslag of (zware) mishandeling. Zijn bemoeienis was juist gericht op het voorkomen of stoppen daarvan. [medeverdachte] heeft aangever geschopt en geslagen. Van medeplegen is geen sprake.

Mocht de rechtbank vaststellen dat verdachte wel strafrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft, dan kan het meer subsidiair ten laste gelegde, mishandeling, worden bewezen. Verdachte had geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op de dood van aangever of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

De door verdachte op de terechtzitting van 20 juli 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was de man met het bruine shirt.

Een proces-verbaal aangifte d.d. 31 maart 2014, opgenomen op pagina 41 e.v. van dossier nummer PL01KG-2014034503 d.d. 27 mei 2014 van Politie Eenheid Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :

Op zondag 30 maart 2014 werd ik wakker in het ziekenhuis. Ik voelde dat mijn gezicht beschadigd was. Ik had hevige hoofdpijn. Ik had veel pijn aan mijn gezicht.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 30 maart 2014, opgenomen op pagina 43 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] :

Ik ben zojuist getuige geweest van een zware mishandeling. Ik woon aan de [straat] te [plaats] . Vanavond, zondag 30 maart 2014, stond ik op mijn balkon.

Ik zag dat de man met het bruine T-shirt naar buiten kwam stormen. Hij sloeg direct vol op de rechterzijde van het gezicht van de man die binnen wilde komen. Deze man viel direct tegen de grond. De man in het bruine T-shirt gaf het slachtoffer een gigantische schop tegen zijn achterhoofd. Het leek net alsof de man in het bruine T-shirt een penalty nam.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 31 maart 2014, opgenomen op pagina 46 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3] :

Ik ben getuige geweest van een ruzie aan de [straat] in [pleegplaats] bij een café.

De man met het bruine T-shirt gaf de dronken man een vuistslag tegen zijn hoofd. Vervolgens schopte de man met het bruine T-shirt met een krachtige schopbeweging de dronken man tegen zijn hoofd.

Een proces-verbaal verhoor getuige d.d. 31 maart 2014, opgenomen op pagina 52 e.v. van voormeld dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] :

Op 30 maart 2014 zag ik een man uit het café lopen. Deze persoon had een bruin hemd aan. Hij gaf een beste klap tegen het gezicht van de man die het café was uitgezet. Direct daarna gaf de man in het bruine shirt een beste schop tegen zijn hoofd aan terwijl hij nog op de grond lag.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geschopt en geslagen of gestompt. De rechtbank ziet geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] is meteen na het incident door de politie gehoord en de verklaringen van beide getuigen zijn duidelijk en consistent. Niet aannemelijk is geworden dat het zicht van beide getuigen op enigerlei wijze werd belemmerd. Hun verklaringen worden bovendien ondersteund door de verklaring van [getuige 3] die zich vlakbij de plaats van het incident bevond.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat er op twee verschillende momenten geweld tegen aangever is gebruikt en dat verdachte bij het tweede moment is betrokken. Dat daarbij enige vorm van samenwerking is geweest tussen verdachte en [medeverdachte] , acht de rechtbank niet bewezen. Van medeplegen moet verdachte daarom worden vrijgesproken.

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat de handelingen van verdachte geen poging tot doodslag opleveren. Verdachte heeft weliswaar één maal tegen het hoofd van aangever geschopt, maar gelet op het feit dat verdachte sneakers droeg, dat niet kan worden vastgesteld op welke plek van het hoofd aangever precies is geraakt, alsmede gelet op het letsel van aangever (bulten en schaafwonden1), acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte opzet op de dood van aangever had, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, poging doodslag.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste, poging zware mishandeling, wel bewezen. Door met kracht tegen het hoofd, een kwetsbaar lichaamsdeel, te slaan/stompen en met geschoeide voet te schoppen, heeft verdachte wetenschap gehad van de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou bekomen en heeft hij deze kans ook bewust aanvaard.

Bewezenverklaring

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 30 maart 2014 te [pleegplaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] ,

- met kracht tegen het hoofd heeft geslagen of gestompt waardoor die [slachtoffer] ten val kwam

en

- vervolgens, terwijl die [slachtoffer] op de grond lag tegen het hoofd heeft geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair poging tot zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf in de vorm van onbetaalde arbeid van 120 uur.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, voor het geval de rechtbank mishandeling bewezen mocht achten, zich ten aanzien van het aantal uren taakstraf gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Tevens heeft zij gesteld dat een gevangenisstraf een te zware straf is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door het slachtoffer met kracht tegen het hoofd te slaan of te stompen en vervolgens, toen het slachtoffer weerloos op de grond lag, met geschoeide voet tegen het hoofd te schoppen.

Verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de rechtbank rekent verdachte dit feit zwaar aan.

Voor enig vergelijk heeft de rechtbank gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. Als uitgangspunt voor opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van schoppen tegen het hoofd wordt daar een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden gehanteerd. In het onderhavige geval is sprake van een poging.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, laatstelijk op 15 april 2015 een strafbeschikking ontving, maar niet voor een soortgelijk feit.

Verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd en neemt daarmee geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden. Vanwege die ontkenning heeft de reclassering geen advies uitgebracht en heeft zij geen uitspraak kunnen doen over het recidiverisico.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf en een taakstraf in de vorm van onbetaalde arbeid moeten worden opgelegd van na te noemen duur. De rechtbank zal de gevangenisstraf deels voorwaardelijk opleggen, mede om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de ernst van het feit.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 611,58 aan vergoeding van materiële schade en

€ 800,00 aan vergoeding van immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de materiële schade onvoldoende is onderbouwd en dat [slachtoffer] in dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de officier van justitie gesteld dat een bedrag van € 500,00 redelijk en billijk is en dat dit bedrag moet worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [slachtoffer] dient in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de benadeelde partij in het gedeelte van de vordering dat ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat deze schade niet is onderbouwd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw gesteld dat bij een eenvoudige mishandeling hooguit een bedrag van € 250,00 past.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden materiële schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover die ziet op de materiële schade. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat aan [slachtoffer] door het bewezen verklaarde immateriële schade is toegebracht, die de rechtbank in redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 500,00. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. Ten aanzien van het overige gedeelte van de vordering zal de rechtbank [slachtoffer] niet-ontvankelijk in zijn vordering verklaren.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 63 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien

verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.H.A.M. Voncken, voorzitter, mr. F.J. Agema en

mr. T. Tanghe, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2015.

1 constatering verbalisant; proces-verbaal aangifte, pagina 41