Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3801

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
C-18-149489 - FA RK 14-1828
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sprake van een niet wijzigingsbeding "de overeenkomst" op grond van artikel 1:159 lid 1BW. Partijen zijn op 8 mei 2009 een schriftelijke overeenkomst aangegaan die onlosmakelijk deel uitmaakt van de beschikking d.d. 2 juli 2009 van het Gerechtshof Leeuwarden. Voorts is bepaald dat partijen daaraan over en weer gebonden zijn en zich daarnaar zullen moeten gedragen.

De omstandigheden die de man heeft aangevoerd tot wijziging van "de overeenkomst" zijn niet zodanig ingrijpend dat de man niet langer, naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid aan "de overeenkomst" mag worden gehouden. De man is veroordeeld in de kosten van de procedure.

Partijen zijn "de overeenkomst" juist aangegaan om na een langdurige strijd over de partneralimentatie, procedurele rust te creëren en de strijd met "de overeenkomst" definitief te beslechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/149489 / FA RK 14-1828

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 4 augustus 2015

inzake

[verzoeker],

wonende te [plaats] Gn,

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. J.C. Lich, kantoorhoudende te Haren,

tegen

[verweerster],

wonende te [plaats] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed, kantoorhoudende te Groningen.

Procesverloop

1.1. De man heeft op 30 juni 2014 een verzoekschrift ingediend waarin hij heeft verzocht om bij beschikking, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad:

I de vrouw te veroordelen haar financiële gegevens over te leggen inzake haar inkomen met betrekking tot partneralimentatie, alsmede haar inspanningen om haar inkomen te kunnen verwerven;

II de beschikking van het Gerechtshof d.d. 2 juli 2009 te wijzigen en recht doende te bepalen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 27 juni 2014 op nihil wordt gesteld, althans met ingang van een datum en op een bedrag zoals de rechtbank juist acht.

1.2. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, waarbij zij heeft verzocht het verzoek van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen. Tevens heeft zij verzocht de man te veroordelen in de kosten van het geding.

1.3. Op 30 maart 2015 heeft de vrouw (financiële) gegevens overgelegd.

1.4. Op 9, 13 en 14 april 2015 heeft de man (financiële) gegevens overgelegd.

1.5. Op 13 april 2015 heeft de vrouw een F9-formulier met bijlage overgelegd.

1.6. De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting met gesloten deuren op 21 april 2015. Verschenen en gehoord zijn partijen bijgestaan door hun advocaten. Ter zitting hebben beide advocaten het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitaantekeningen.

Motivering

2 Vaststaande feiten

2.1. -

Partijen zijn gehuwd in 1977. Uit dit huwelijk zijn drie, thans meerderjarige kinderen, geboren. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking d.d. 5 februari 2008 in de registers van de burgerlijke stand op 9 juni 2008.

2.2. -

Bij beschikking d.d. 24 juni 2008 van de rechtbank Groningen is bepaald dat de man vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 1.902,- bruto per maand dient te betalen tot twee jaar na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. -

De vrouw heeft tegen voornoemde beschikking hoger beroep ingesteld. Bij beschikking d.d. 2 juli 2009 heeft het Gerechtshof Leeuwarden onder meer het volgende beslist:

“bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (9 juni 2008) tot 1 januari 2010 op € 1.902,- bruto per maand, waarop de wettelijke indexering voor het eerst op 1 januari 2009 van toepassing is, en vanaf 1 januari 2010 tot en met de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw op € 1.400,- bruto per maand, waarop de wettelijke indexering voor het eerst op 1 januari 2011 van toepassing is;

- verstaat dat partijen overigens zijn overeengekomen als in het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte schrijven van mr. Kroon-Jongbloed van 8 mei 2009, hetwelk onlosmakelijk deel uitmaakt van deze beschikking en bepaalt dat partijen daaraan over en weer gebonden zijn en zich daarnaar zullen moeten gedragen.”

3 Standpunt van de man

3.1.

De man weet niet meer waarom hij in het kader van de procedure bij het Gerechtshof akkoord is gegaan met hetgeen staat vermeld in de brief van 8 mei 2009 van de advocaat van de vrouw (hierna: “de overeenkomst”). Hij was moe van het procederen. Hij had er bovendien vertrouwen in dat zijn inkomen op peil zou blijven.

3.2.

De vrouw heeft ten onrechte niet voldaan aan haar inspanningsverplichting om een hoger inkomen te verwerven. Gedurende het huwelijk heeft de vrouw voldoende kansen gehad om hogerop te komen. De man deed tijdens het huwelijk een groot deel van het huishouden en heeft nooit gevraagd om volledige ondersteuning. De vrouw heeft geen gebruik gemaakt van de extra ruimte in de woning, waarin zij haar eigen praktijk zou starten erop gericht om kinderen te begeleiden met een leerprobleem. De vrouw heeft evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheden om een voor haar geschikte functie aan de Hanzehogeschool te verkrijgen. Uit de belastingaangifte 2012 en 2013 van de vrouw blijkt dat zij werkzaamheden heeft verricht via Randstad Payroll Solutions. De man is van mening dat de vrouw gemakkelijk het in het aanvullend convenant genoemde inkomen boven de € 1.600,00 bruto per maand had kunnen verdienen in welk geval de partneralimentatie verminderd zou worden met 50 % van het meerdere. De vrouw heeft verder inkomsten verzwegen uit verhuur van kamers aan drie studenten in een woning aan de [adres] , waarvan de vrouw eigenaar is. De huuropbrengst bedraagt volgens de man € 350,00 per maand per kamer. De waarde van de woning is ongeveer € 120.000,00 en er rust geen hypotheek op. De vrouw heeft daarnaast een woning in [plaats] met een overwaarde van € 44.000,00. Voorts beschikt zij over € 18.000,00 op de bank aan vermogen. Het totale vermogen van de vrouw komt neer op een bedrag van € 185.009,00. Het inkomen van de vrouw ligt volgens de man hoger dan € 36.000,00 bruto althans de vrouw had een hoger inkomen kunnen verwerven. Om die reden verzoekt de man de vrouw haar financiële gegevens over te leggen en aan te tonen welke inspanningen zij heeft verricht om een hoger inkomen te verwerven.

3.3.

De man is niet meer in staat aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen. In 2009 was de man toe aan een nieuwe uitdaging in zijn werkzame bestaan. In dat jaar heeft de man, vrijwel direct na het uiteengaan, een jaar een sabbatical gehad bij zijn toenmalige werkgever onder doorbetaling van het salaris. Vanwege de kansen die de man geboden kreeg, heeft hij ontslag genomen als directeur van de Hanzehogeschool en is hij gestart met een eigen bedrijf. Dit vond plaats vóór de financiële crisis. De eerste jaren had de man voldoende interim-werkzaamheden. Gaandeweg (2013) is dat vanwege de bezuinigingen in het onderwijs, derhalve buiten zijn toedoen, veranderd. Blijkens het fiscaal rapport van Sabanoord heeft de man in 2014 geen inkomsten gehad. De banen in het onderwijs liggen niet voor het oprapen. De man krijgt nog nauwelijks opdrachten. Hij heeft veel aan acquisitie gedaan. De lotsverbondenheid geldt ook in mindere tijden in die zin dat de partneralimentatie dan behoort te worden verminderd.

3.4.

De man heeft een nieuwe opdracht als interim-manager in het onderwijs voor de periode

23 maart tot 17 juli 2015 via bureau Spijtenburg te Oosterhout. Het bruto inkomen dat de man daarmee zal verdienen is geraamd op € 44.800,00. Omdat de opdracht dient te worden uitgevoerd in een ander deel van Nederland maakt de man overnachtings- en verblijfskosten, met als gevolg dat hij maar beperkt inkomsten geniet (er resteert een bedrag van € 36.540,00 bruto). De door de vrouw gestelde omvang van het vermogen van de man is niet juist. Het vermogen op de spaarrekening bedraagt € 180.000,00. Een deel van het vermogen betreft gelden die afkomstig zijn uit de spaarrekening van de vier studerende kinderen van de partner van de man.

3.5.

Het inkomensverlies van de man is niet voor herstel vatbaar en is niet verwijtbaar.

3.6.

Ten slotte heeft de man er ter zitting op gewezen dat hij in 2014 is geconfronteerd met hartklachten om welke reden hij in 2015 is geopereerd. Dientengevolge is hij enige tijd uit de roulatie is geweest.

4 Standpunt van de vrouw

4.1.

De vrouw heeft tegen de beschikking van de rechtbank d.d. 24 juni 2008 hoger beroep ingesteld. De vrouw was het niet eens met de berekening van haar behoefte door de rechtbank, die zoals uit het convenant kan worden afgeleid € 50.400,- bedraagt. De overwegingen van de rechtbank ter zake staan niet in rechte vast.

4.2.

De man gaat voorbij aan het feit dat partijen in het kader van de procedure bij het Gerechtshof een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen, als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW. Volgens de jurisprudentie dient er sprake te zijn van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat er een wanverhouding is ontstaan tussen wat partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Aan de stelplicht op deze beide punten worden aan de verzoekende partij hoge eisen gesteld. De man heeft aan deze eisen niet voldaan.

4.3.

De vrouw stelt dat de man moet aantonen dat zijn inkomen met als peildatum 1 januari 2009 in relevante mate is verminderd buiten zijn toedoen. Volgens de vrouw heeft de man dit niet aangetoond en is het inkomen van de man niet in relevante mate verminderd. De gemiddelde winst van het adviesbureau van de man, [bedrijf] , over 2011, 2012 en 2013 bedroeg € 118.862,66. Dit is zelfs hoger dan het inkomen van de man op de peildatum 1 januari 2009. Voor het geval er al sprake is van een vermindering van inkomsten, is van belang dat de man vrijwillig zijn baan als directeur aan de Hanzehogeschool heeft beëindigd. Niet kan dan ook worden geconcludeerd dat deze vermindering buiten zijn toedoen heeft plaatsgevonden. De man heeft overigens als zelfstandige vanaf 2009 opdrachten gehad van het provinciaal Groninger sportpaleis, advies kennis- en dienstencentrum sport Groningen, Herontwerp CIOS Heerenveen en adviesklussen aan de Hanzehogeschool. Ook het vermogen van de man is sterk toegenomen. In 2013 was het vermogen toegenomen tot € 339.052,00. Daarnaast heeft de man een vordering op FC Groningen van € 100.000,00. De man heeft dan ook voldoende vermogen om het door hem gestelde verlies op te vangen. Bovendien kan de man worden geacht inkomen uit vermogen te genereren van € 13.562,00.

De overgelegde halfjaarcijfers 2014 van de man acht de vrouw niet geloofwaardig, gelet op het aantal opdrachten in de afgelopen jaren in een periode waarin de crisis het hevigst was alsook gelet op het lichte economisch herstel. Verder geldt dat de man onvoldoende bewijsstukken van zijn sollicitaties en acquisitiewerkzaamheden heeft overgelegd. De man heeft inmiddels wel een nieuwe opdracht via Spijtenburg, een werving- en adviesbureau. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij daarmee niet voldoende inkomen kan genereren. In dit verband wijst de vrouw er op dat in de overeenkomst bepaalde passages zijn doorgehaald. Voor het geval van de juistheid van de cijfers moet worden uitgegaan geldt dat een slechter jaar nog niet als een ingrijpende wijziging van omstandigheden kan worden aangemerkt. Van een ondernemer mag worden verwacht dat hij een buffer aanlegt voor slechtere periodes. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad dient het ondernemersrisico niet bij de alimentatiegerechtigde te worden neergelegd.

4.4.

Het is niet juist dat vrouw haar inkomsten kan verhogen. De man geeft een onjuiste voorstelling van zaken over de verdiencapaciteit van de vrouw en het (traditionele) rollenpatroon tijdens het huwelijk. Zij is nog steeds 1 dag per week schrijfdocente. Gezien haar leeftijd van 62 jaar en gezien het feit dat zij geen masterdiploma heeft komt zij niet voor andere functies bij de Hanzehogeschool in aanmerking. De vrouw heeft wel degelijk moeite gedaan om andere geschikte functies te vinden.

4.5.

De vrouw heeft verder aan de man jaarlijks opgave gedaan van inkomsten door toezending aan de man van haar IB-aangiften.

4.6.

De vrouw verhuurt inderdaad kamers aan studenten. De huurinkomsten kunnen niet worden aangemerkt als arbeidsinkomen in de zin van het convenant. Op de huurinkomsten dienen bovendien de aanzienlijke onderhoudskosten in mindering te worden gebracht.

4.7.

De vrouw heeft verder op een aantal punten de juistheid van de door de man overgelegde draagkrachtberekeningen betwist.

4.8.

Voor zover de man een beroep doet op medische omstandigheden die hebben geleid tot een vermindering van zijn inkomen, geldt dat de man één en ander onvoldoende heeft onderbouwd.

5 Beoordeling

5.1.

Ingevolge artikel 1:159 lid 1 BW kan bij een alimentatieovereenkomst worden bedongen dat zij niet bij rechterlijke uitspraak zal kunnen worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden. Een zodanig beding kan slechts schriftelijk worden gemaakt.

Lid 3 van dit artikel bepaalt dat, ondanks een zodanig beding, op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij latere beschikking kan worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

Er moet blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie sprake zijn van een als gevolg van een ingrijpende wijziging ontstane wanverhouding tussen hetgeen partijen (aan omstandigheden) voor ogen heeft gestaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als (in dit geval) de verwerende partij de (in dit geval) verzoekende partij daaraan zou houden.

Een niet-wijzigingsbeding strekt, zo is in de jurisprudentie overwogen, er naar zijn aard (mede) toe om vooruit te lopen op wijzigingen die partijen meer of minder waarschijnlijk kunnen verwachten. Zij strekt er ook noodzakelijkerwijs toe het risico voor het intreden van dergelijke wijzigingen in meerdere of mindere mate bij één van partijen te leggen. Bij de vraag of een niet-wijzigingsbeding voor wijziging in aanmerking komt is onder meer van belang of de mogelijke wijziging van een bepaalde omstandigheid tijdens de onderhandelingen over de alimentatieovereenkomst ter sprake is gekomen en of de alimentatiegerechtigde heeft begrepen en heeft mogen begrijpen dat de wederpartij het risico van die wijziging voor zijn rekening nam.

Nu wijziging slechts in uitzonderingsgevallen is toegelaten, moeten in de onderhavige procedure zowel aan de stelplicht van de verzoekende partij, als aan de motivering van de rechter zware eisen worden gesteld.

5.2.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij brief van 8 mei 2009 heeft de advocaat van de vrouw het Gerechtshof laten weten dat partijen overeenstemming hebben bereikt. Deze overeenstemming houdt, voor zover hier van belang, in:

[…]

de man betaalt vanaf 1 januari 2010 tot en met de pensioengerechtigde leeftijd van de vrouw, een partneralimentatie aan de vrouw ter hoogte van € 1.400,00 bruto per maand, waarop de wettelijke indexering van toepassing is, voor het eerst per 1 januari 2011;

wanneer de arbeidsinkomsten (met als peildatum 1 januari 2009) van de vrouw in de toekomst stijgen, dan zullen deze inkomsten, -zolang deze (dit inclusief de bruto partneralimentatie) een bedrag van € 36.000,00 bruto per jaar niet te boven gaan- geen invloed hebben op de hoogte van de partneralimentatie. Indien de arbeidsinkomsten (inclusief partneralimentatie) een bedrag van € 36.000,00 bruto per jaar te boven gaan, zal de partneralimentatie verminderd worden met 50% van het meerdere. Bereiken de arbeidsinkomsten van de vrouw (inclusief partneralimentatie) het bedrag van € 50.400,00 bruto per jaar, dan wordt het meerdere voor 100% op de partneralimentatie gekort. De genoemde bedragen worden jaarlijks per 1 januari, voor het eerst op 1 januari 2009 verhoogd met hetzelfde percentage als waarmee de alimentatie in gevolge de wettelijke indexering zal stijgen. In april van elk jaar bezien partijen aan de hand van de jaaropgave en IB-aangifte van de vrouw of verrekening op basis van deze regeling nodig is;

de overeengekomen partneralimentatie kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de partij die de wijziging verzoekt, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals bepaald in artikel 1:159 lid 3 BW, waaronder wordt begrepen:

- (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid van beide partijen;

- het geval dat de man kan aantonen dat zijn inkomen (met als peildatum 1 januari 2009) in relevante mate is verminderd door omstandigheden buiten zijn toedoen;

de zakelijke lasten met betrekking tot de echtelijke woning komen vanaf 1 juni 2009 voor rekening van de vrouw;

[…] ”

5.3.

Zoals hiervoor is vastgesteld heeft het Gerechtshof bij beschikking van 2 juli 2009 in het dictum bepaald dat “de overeenkomst” onlosmakelijk deel uitmaakt van de beschikking en bepaald dat partijen daaraan over en weer gebonden zijn en zich daarnaar zullen moeten gedragen.

De rechtbank overweegt dat partijen langdurig en uitgebreid over de partneralimentatie hebben geprocedeerd alvorens tot “de overeenkomst” te zijn gekomen. Ter zitting hebben beide partijen naar voren gebracht dat het niet-wijzigingsbeding er met name toe strekte om procedurele rust voor de toekomst te creëren.

Uit “de overeenkomst” blijkt dat partijen een definitieve voorziening hebben getroffen inzake de partneralimentatie, waarbij zij niet-limitatief hebben vastgesteld welke mogelijke toekomstige wijzigingen van omstandigheden als ingrijpend dienen te worden aangemerkt.

5.4.

Ingrijpende wijziging(en) van omstandigheden aan de zijde van de vrouw

5.4.1.

Arbeidsinkomen

Onder verwijzing naar hetgeen hierna onder 7. Is overwogen stelt de rechtbank voorop dat de man onvoldoende heeft gesteld dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar jaarlijkse, in de overeenkomst opgenomen, inlichtingenverplichting jegens de man.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de arbeidsinkomsten van de vrouw, vermeerderd met de partneralimentatie, ten tijde van de indiening van het verzoekschrift en nadien feitelijk niet een bedrag van € 36.000,00 bruto te boven zijn gegaan.

Ten aanzien van de stelling van de man dat de partneralimentatie op grond van “de overeenkomst” dient te worden gewijzigd omdat de vrouw zich onvoldoende zou hebben ingespannen om met arbeid een hoger inkomen te verdienen dan dat waarover zij ten tijde van de peildatum (1 januari 2009) de beschikking had, overweegt de rechtbank de man daarin in het licht van de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet te volgen. In “de overeenkomst” is niet bepaald dat op de vrouw een inspanningsverplichting rust die bij niet-naleving tot een verlaging van de alimentatie dient te leiden. Het feit dat in “de overeenkomst” wel rekening is gehouden met de mogelijkheid dat de vrouw meer inkomsten zou kunnen gaan verdienen, maakt dit niet anders. Evenmin kan uit “de overeenkomst” worden afgeleid dat een inspanningsverplichting van de vrouw partijen voor ogen heeft gestaan, dit terwijl blijkens de beschikking van de rechtbank 24 juni 2008 de mogelijkheden van de vrouw om meer arbeidsinkomsten te genereren voor de man wel voortdurend onderwerp van geschil zijn geweest. Mede om die reden gaat de rechtbank ervan uit dat door partijen, die voor de toekomst procedurele rust wensten te creëren, er bewust van is afgezien om een inspanningsverplichting voor de vrouw op te nemen en dat partijen de partneralimentatie tot op zekere hoogte hebben willen fixeren. Daarbij wijst de rechtbank er op dat in aanmerking genomen "de overeenkomst" geldt dat een verlaging van het arbeidsinkomen van de vrouw, behoudens wellicht redenen van arbeidsongeschiktheid, niet tot een verhoging van de partneralimentatie leidt.

De rechtbank overweegt voorts dat hetgeen de man stelt over de inspanningsverplichting van de vrouw zich niet verhoudt met het feit dat de man de partneralimentatie de afgelopen ruim vijf jaren is blijven betalen, terwijl niet gesteld of gebleken is dat hij de vrouw in deze periode heeft aangezet tot het verrichten van meer inspanningen op de arbeidsmarkt. Evenmin heeft hij de rechtbank om wijziging van de partneralimentatie verzocht vanwege het uitblijven van genoemde inspanningen.

5.4.2.

Inkomsten uit verhuur

De rechtbank volgt de man niet in zijn stelling dat rekening moet worden gehouden met de inkomsten uit verhuur van de woning van de vrouw aan de [adres] aan studenten. Volgens de man komen de inkomsten van de vrouw boven het bedrag van € 36.000,00 wanneer met deze inkomsten rekening wordt gehouden en dient om die reden correctie van de partneralimentatie plaats te vinden. De rechtbank stelt vast dat in “de overeenkomst” de arbeidsinkomsten van de vrouw tot uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van haar inkomen worden genomen. Inkomsten uit verhuur zijn naar het oordeel van de rechtbank geen arbeidsinkomsten.

Daarbij wijst de rechtbank er op dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft plaatsgevonden. Partijen hebben beiden gesteld dat de vrouw de woning te Groningen en de voormalige echtelijke woning te [plaats] toebedeeld heeft gekregen tegen uitkoop van de man. Dat het hier om een onvoorziene situatie gaat waarmee partijen ten tijde van het sluiten van “de overeenkomst” zeker rekening zouden hebben gehouden (in die zin dat inkomsten uit vermogen van beide partijen medebepalend voor de omvang van de partneralimentatie zouden zijn), is gesteld noch gebleken.

Voor zover relevant overweegt de rechtbank nog dat onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat de vrouw de inkomsten uit verhuur heeft verzwegen. Zoals hiervoor is overwogen, zijn de inkomsten uit verhuur ingevolge “de overeenkomst” in het kader van de partneralimentatie geen maatstaf voor de bepaling van het inkomen van de vrouw. Voorts geldt dat de man bekend was en is met het feit dat de woning te Groningen eigendom is van de vrouw en dat zij kamers daarin verhuurde (onder andere aan de dochter van partijen) en verhuurt.

5.4.3.

Vermogen

De man heeft er ten slotte op gewezen dat de vrouw over meer vermogen beschikt dan hij. Wat van de juistheid van die stelling zij, de rechtbank ziet hierin geen reden om in afwijking van “de overeenkomst” tot een verlaging van de partneralimentatie te komen. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat de vrouw over een zodanig omvangrijk vermogen is komen te beschikken, anders dan partijen ten tijde van de peildatum hebben kunnen voorzien, dat moet worden geconcludeerd dat er een zodanige wanverhouding is ontstaan tussen wat partijen voor ogen stond ten tijde van de opstelling van het overeengekomene en wat er in werkelijkheid is geschied dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de vrouw de man aan “de overeenkomst” zou houden

5.5.

Ingrijpende wijziging(en) van omstandigheden aan de zijde van de man

5.5.1.

Inkomsten uit onderneming

Ten aanzien van de door de man gestelde inkomensvermindering overweegt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geoordeeld dat de man door ontslag te nemen als directeur bij de Hanzehogeschool en als zelfstandig ondernemer onvoldoende zijn financiële verantwoordelijkheid ten opzichte van de vrouw heeft genomen. De man kan bogen op een zeer ruime ervaring in zijn werkzame leven, mede als manager. Gelet hierop heeft de man er op mogen en kunnen vertrouwen dat het zijn onderneming goed zou vergaan. De goede start van de onderneming en de gerealiseerde winsten die de man in elk geval in de eerste jaren van zijn ondernemerschap heeft gemaakt, leiden tot de conclusie (ook achteraf) dat de beslissing van de man om een ‘switch’ te maken, gerechtvaardigd was, ook bezien in het licht van zijn verplichting tot betaling van partneralimentatie ingevolge “de overeenkomst”. De man heeft in 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 winsten uit onderneming behaald van respectievelijk € 78.362,00; € 176.279,00; € 121.067,00; 151.936,00 en € 83.890,00. Het voorgaande blijkt uit de door de man overgelegde jaarrekeningen en fiscaal rapporten van Sabanoord. Het jaarinkomen van de man bij de Hanzehogeschool bedroeg blijkens de jaaropgave 2008 € 78.601,00 bruto.

Het voorgaande laat evenwel onverlet dat de man door de ‘switch’ te maken welbewust het ondernemersrisico heeft geaccepteerd. Dat risico kan ook worden geacht door partijen in "de overeenkomst" te zijn verdisconteerd in die zin dat bij slechte resultaten niet automatisch dient te worden geconcludeerd tot een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden dat de partneralimentatie voor wijziging in aanmerking komt. Om daartoe te kunnen concluderen dient op zijn minst sprake te zijn van slechte resultaten over een substantiële periode, die buiten toedoen van de ondernemer zijn ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man in het licht van zijn zware stelplicht en de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende gesteld en onderbouwd dat van dit laatste sprake is.

De man heeft gesteld dat vanwege de recessie vanaf 2013 / 2014 de opdrachten sterk zijn teruggelopen en dat er zeker vanaf 2014 een sterke daling van zijn inkomen heeft plaatsgevonden. Ter onderbouwing heeft de man alleen een Fiscaal rapport 2014 overgelegd, waarin staat vermeld dat de man in 2014 een verlies heeft geleden van € 2.347,00. Onduidelijk is of dit Fiscaal Rapport is opgesteld door Sabanoord, die de boekhouding van de man verzorgt. Voorts ontbreekt een door Sabanoord opgestelde jaarrekening 2014. Hierdoor staat voor de rechtbank onvoldoende vast dat de onderneming van de man daadwerkelijk verlies heeft geleden in 2014 en dat de man geen (andere) inkomsten heeft gehad.

Afgezien van het voorgaande geldt dat de noodzaak dan wel het niet verwijtbaar zijn van de door de man gestelde verliezen in 2014 onvoldoende is onderbouwd. De man heeft weliswaar gesteld dat hij er alles aan heeft gedaan werk te verkrijgen, echter met slechts 3 afwijzingsbrieven / mails van 8 januari, 13 januari en 9 maart 2015 alsmede een door de man zelf opgesteld overzicht van acquisitiewerkzaamheden heeft de man één en ander onvoldoende aangetoond.

Daarnaast geldt dat onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat er sprake is van structurele verliezen. Zoals hiervoor is overwogen heeft de man vóór 2014 goede resultaten behaald. Eén slecht jaar is onvoldoende om van structurele verliezen uit te gaan. De vrouw heeft er in dit verband terecht op gewezen dat van een ondernemer mag worden verlangd dat hij een buffer opbouwt voor slechtere perioden en dat een slecht jaar niet automatisch op de alimentatiegerechtigde mag worden afgewenteld.

Voorts is gebleken dat de man in 2015 via Spijtenburg een nieuwe interim-opdracht heeft gekregen voor de duur van enkele maanden, te weten van 23 maart 2015 tot 17 juli 2015. De man zal met deze opdracht weer inkomsten genereren. De man heeft gesteld dat het om relatief geringe inkomsten gaat. Ter onderbouwing heeft de man de eerste pagina van een tussen hem en Spijtenburg gesloten overeenkomst tot het verrichten van diensten overgelegd. De overige pagina’s ontbreken. Op de eerste pagina zijn bepaalde passages (bewust) met zwarte viltstift onleesbaar gemaakt onder meer een zin achter de tekst: “Op dit moment is de verwachting dat de opdracht tot en met 17 juli 2015 duurt.” Op de pagina staat wel vermeld dat de man € 100,00 per uur verdient inclusief reiskosten. De rechtbank stelt vast dat de man op deze wijze onvoldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van een zodanig structureel inkomensverlies buiten zijn toedoen dat de partneralimentatie behoort te worden gewijzigd. Daarbij overweegt de rechtbank nog dat de man weliswaar heeft gesteld dat hij flinke onkosten moet maken in het kader van de interim-opdracht, evenwel zijn deze onkosten onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd.

5.5.2.

Arbeidsongeschiktheid

De man heeft ten slotte ter zitting een beroep gedaan op arbeidsongeschiktheid als bedoeld in “de overeenkomst”. De man heeft evenwel niet met stukken onderbouwd dat er op dit moment sprake is van arbeidsongeschiktheid. De man heeft geen (medische) bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat de man blijvend dan wel in verminderde mate niet in staat is zijn werkzaamheden als zelfstandige uit te voeren. In dit verband wijst de rechtbank er op dat de man recentelijk de hiervoor genoemde interim-opdracht heeft aanvaard.

6. Conclusie

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een dusdanige ingrijpende wijziging van omstandigheden dat het door partijen overeengekomen niet-wijzigingsbeding behoort te worden doorbroken, één en ander als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW.

7. Ten aanzien van het verzoek van de man inzake het overleggen van inkomensbescheiden door de vrouw en aantonen van haar inspanningen om inkomen te verwerven

De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat zij de man de afgelopen jaren geen opgave heeft gedaan van haar bruto arbeidsinkomen, als bedoeld in “de overeenkomst”.

De rechtbank overweegt dat de man niet gemotiveerd heeft gesteld dat de vrouw niet aan haar jaarlijkse verplichting ingevolge “de overeenkomst” om haar financiële bescheiden over te leggen heeft voldaan. Niet gesteld of gebleken is ook dat de man de afgelopen jaren de vrouw vergeefs heeft verzocht deze bescheiden over te leggen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van de man op dit punt toe te wijzen.

In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is geconcludeerd, te weten dat ingevolge “de overeenkomst” niet relevant is of de vrouw inspanningen heeft verricht om een hoger inkomen te verwerven, bestaat evenmin aanleiding om het verzoek van de man op dit punt toe te wijzen.

8. Kostenveroordeling

De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. De rechtbank wijst in dit verband op het feit dat partijen na een langdurige strijd over de partneralimentatie, deze strijd om procedurele rust te creëren met “de overeenkomst” definitief hebben beoogd te beslechten, de in “de overeenkomst” genoemde uitzonderingssituaties daargelaten. In een dergelijke situatie gaat het niet aan om elkaar zonder voldoende aanleiding althans onvoldoende gefundeerd met procedures te belasten.

De kosten worden begroot op:

griffierecht € 282,00 (indiening verweerschrift)

salaris advocaat € 904,00 (2.0 punten x tarief ad € 452,00, 1 punt voor indiening verweerschrift en 1 punt voor de mondelinge behandeling)

totaal € 1.186,00.

Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken af;

veroordeelt de man in de kosten van het geding en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vrouw op € 1.186,00.

De beschikking is gegeven door mr. S. Stenfert Kroese en uitgesproken door deze ter zitting van 4 augustus 2015 in tegenwoordigheid van H.M. Kamphuis-van der Veer, griffier.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.