Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3788

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
04-08-2015
Zaaknummer
18.950092-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van de bewezenverklaarde gevallen van opzetheling overweegt de rechtbank dat verdachte door zijn handelen heeft bijgedragen aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit zoals het plegen van diefstallen met braak. Naar het oordeel van de rechtbank treft de heler een gelijksoortig verwijt als de dief, nu diefstal lonend wordt gemaakt door heling. Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vier maanden bovendien een gewoonte gemaakt van opzetheling, hetgeen als strafverzwarend geldt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18.950092-14

vonnis van de meervoudige strafkamer d.d. 04 augustus 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] .

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 21 juli 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te

Assen.

De tenlastelegging

De verdachte is bij gewijzigde dagvaarding tenlastegelegd, dat

1.

(aangifte blz. 1904)

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2014 tot en met 22 juli 2014 te

[pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan/nabij

[straat 1] heeft weggenomen een kluis met inhoud, een of meer

spaarpotten met inhoud, een hoeveelheid sieraden, zilveren munten en/of een of

meer spaarkaarten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de

plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 21 juli 2014 tot en met 9 december 2014 te

[pleegplaats 1] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, een hoeveelheid sieraden heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die sieraden wist(en)

dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(aangifte blz. 2087)

hij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2014 tot en met 11 oktober 2014

te [pleegplaats 2] , gemeente Hoogeveen, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in/uit een woning aan/nabij [adres 1] heeft weggenomen een

kluis met inhoud en/of uit een portemonnee een geldbedrag, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3.

(aangifte blz. 3011)

hij op of omstreeks 14 november 2014 te [pleegplaats 3] , gemeente Hoogeveen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan/nabij [straat 2]

[straat 2] heeft weggenomen een kluis met inhoud, een paar laarzen, een

jas, geld uit een portemonnee en/of een of meer sleutels, in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte

en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs

heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

4.

hij in of omstreeks de periode van 3 maart 2012 tot en met 9 december 2014 in

de/het arrondissement(en) Assen, Groningen en/of Noord-Nederland, althans in

Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers

heeft verdachte (telkens)

(opzettelijk uit winstbejag) een hoeveelheid sieraden, een of meer stuks

gereedschap, een of meer tassen, een zonnebril, munten en/of een munitiedoosje

((onder andere) afkomstig van een of meer woninginbraken/diefstallen waarvan

de aangiften in het proces-verbaal is/zijn opgenomen op de bladzijden 2212,

2598, 2699, 2865, 2888, 2928, 3232, 3425, 3449, 3483, 3496, 3574, 3759 en/of

3815) (verworven,) voorhanden gehad en/of overgedragen,

(terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die

goederen (telkens) wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof);

art 416 lid 1 ahf/sub a Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/sub b Wetboek van Strafrecht

art 417 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op verschillende tijdstippen, althans op enig tijdstip, in of omstreeks de

periode van 3 maart 2012 tot en met 9 december 2014 in de/het

arrondissement(en) Assen, Groningen en/of Noord-Nederland, althans in

Nederland, (telkens) (opzettelijk uit winstbejag) een hoeveelheid sieraden,

een of meer stuks gereedschap, een of meer tassen, een zonnebril, munten en/of

een munitiedoosje ((onder andere) afkomstig van een of meer

woninginbraken/diefstallen waarvan de aangifte(n) in het proces-verbaal

is/zijn opgenomen op de bladzijden 2212, 2598, 2699, 2865, 2888, 2928, 3232,

3425, 3449, 3483, 3496, 3574, 3759 en/of 3815) verworven, voorhanden gehad

en/of overgedragen,

(terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die

goederen (telkens) wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof);

art 416 lid 1 ahf/sub b Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank zal, waar in de tenlastelegging staat “verdachte en/of zijn mededader(s)” lezen alsof daar staat “verdachte en/of zijn medeverdachte(n)”. De term mededader namelijk impliceert dat verdachte ook als dader moet worden aangemerkt, hetgeen in strijd is met de presumptie van onschuld: een verdachte dient tot aan het moment van onherroepelijke bewezenverklaring van het hem tenlastegelegde voor onschuldig te worden gehouden.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie mr. I. van Overbeeke acht hetgeen onder 1 subsidiair en onder 4 primair is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen.

De officier van justitie vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden onder aftrek van voorarrest.

De vorderingen van de benadeelde partijen dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

De verdachte dient van het onder 1 primair, onder 2 en onder 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank overweegt ten aanzien van alle voornoemde feiten waarvan zij vrijspreekt nog het volgende. De afzonderlijke zaaksdossiers bevatten weliswaar vele feiten en omstandigheden die, in onderlinge samenhang beschouwd, ernstige bezwaren opleveren tegen de verdachte, maar deze aanwijzingen zijn, naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende om tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten te kunnen komen.

Bewijsmotivering

De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte het tenlastegelegde onder 1 subsidiair en onder 4 primair heeft begaan op de feiten en omstandigheden die hierna in samenvattende vorm worden weergegeven en die voorkomen in de in de voetnoten weergegeven gebezigde bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair (opzetheling):

- de aangifte van [slachtoffer 1]1, van inbraak in zijn woning tussen 21 juli 2014 te 16:30 uur en 22 juli 2014 te 12:57 uur, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat men is binnengekomen door een raam aan de achterzijde van de woning te forceren, dat de hele woning is doorzocht en dat uit de woning onder meer is weggenomen een kluis met contant geld en sieraden, een andere kluis is geforceerd. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd met alle ontvreemde goederen.

- een proces-verbaal herkenning goederen2 opgemaakt op 16 december 2014 door de [verbalisant 1] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, de herkenning door aangever [slachtoffer 1] van een groot aantal inbeslaggenomen goederen. Deze goederen zijn inbeslaggenomen in de woning (verblijfplaats) van [verdachte] op het [adres 2] te [plaats 1] .

- het proces-verbaal inhoudende de verklaring van de [getuige]3, General Manager van [bedrijf 1] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat hij [verdachte] kent, dat [verdachte] op 11 december 2012 voor het eerst gouden sieraden bij [bedrijf 1] heeft ingeleverd voor een bedrag van 2414,16 euro, dat [verdachte] op 21 november 2014 voor het laatst bij [bedrijf 1] is geweest en toen voor 2559,95 euro aan gouden sieraden heeft ingeleverd. Er wordt uitsluitend via de bank betaald. [getuige] herkent [verdachte] op camerabeelden gemaakt op 24 juli 2014 in het kantoor van [bedrijf 1] . Op voornoemde camerabeelden is te zien dat [verdachte] een hoeveelheid sieraden overhandigt aan een medewerker van [bedrijf 1] . Hierbij bevinden zich onder andere een gouden munt van Feyenoord en een gouden Davidster met het logo van Ajax. Uit de door [getuige] overgelegde facturen blijkt dat op 25 juli 2014 een bedrag van 6.653,48 is overgemaakt (voor geleverd goudschroot) op de rekening van [bedrijf 2] , het bedrijf van [verdachte]4.

- het proces-verbaal herkenning sieraden [bedrijf 1]5, opgemaakt door [verbalisant 2] op 5 maart 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat aangever [slachtoffer 1] na het zien van de camerabeelden van [bedrijf 1] verklaart: De man die de sieraden komt brengen herken ik als [verdachte] uit [plaats 1] . De gouden sieraden die in de bak worden gegooid door de man van het bedrijf zijn vermoedelijk van mij afkomstig. De sieraden die ik in elk geval herken als mijn eigendom zijn: een munt van Feyenoord, een Davidster met het logo van Ajax erop, een slavenarmband, een brede armband, een bedeltje.

Ten aanzien van feit 4 primair (opzetheling) :

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 3] te [pleegplaats 1]

Voor zover de tenlastelegging ziet op de goederen afkomstig van de woninginbraak aan de [adres 3] te [pleegplaats 1] (aangifte p. 2212) acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig. Uit de enkele storting van een geldbedrag door [bedrijf 1] op de rekening van verdachte, daags na de inbraak, volgt immers geenszins dat verdachte de bij de inbraak gestolen goederen voorhanden heeft gehad.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 4] te [pleegplaats 3]

- de aangifte van [slachtoffer 5]6, van inbraak in haar woning van 9 november op 10 november 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat de voordeur geforceerd was, dat de woning was doorzocht, dat onder meer een kluis met inhoud in zijn geheel ontvreemd was en dat in die kluis onder andere diverse sieraden waren opgeborgen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- een proces-verbaal inhoudende de weergave van een tapgesprek tussen verdachte en [bedrijf 1] in [plaats 2] op 10 november 2014 om 14:05 uur7 en om 15:05 uur8, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: [verdachte] vraagt of [getuige] de deur even los wil doen want hij staat er al een half uur. [getuige] belt [verdachte] terug en zegt dat hij [verdachte] er even voor heeft gedrukt omdat [verdachte] eerder bij de deur had gewacht. Na smelten is het 422.0, als [verdachte] nu wil verkopen is het € 7.722. [verdachte] gaat akkoord.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,9 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.10

- een proces-verbaal herkenning goederen door aangeefster11, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 22 december 2014 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik herken verschillende sieraden die in de gestolen kluis lagen als mijn eigendommen, te weten het zilveren horloge van foto 1 en mijn zilveren slavenarmband en mijn broche van foto 2. De zilveren armband van diverse schakels heb ik van mijn moeder gekregen en veel gedragen. Ik toon u een foto waarop ik deze draag. Diverse schakeltjes waren stuk.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 5] te [pleegplaats 4]

- de aangifte van [slachtoffer 6] , mede namens [slachtoffer 7] ,12, van inbraak in hun woning op 10 november 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat een raam was opengebroken, dat de woning was doorzocht en dat onder andere diverse sieraden waren gestolen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,13 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.14

- een proces-verbaal verhoor aangever inzake de herkenning15, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 30 december 2014 door [verbalisant 2] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik herken een bedeltje met een kinderhoofdje die is gestolen als ons eigendom. Onze [zoon] heeft dit bedeltje jaren geleden gedragen. Op de achterzijde staat de [naam 1] .

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 6] te [pleegplaats 4]

- de aangifte van [slachtoffer 8] ,16, van inbraak in zijn woning tussen 8 en 10 november 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat was ingebroken, dat de woning was doorzocht en dat onder andere diverse sieraden waren gestolen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen en een aantal foto's waarop de ontvreemde sieraden te zien zijn.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,17 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.18

- een proces-verbaal verhoor aangever inzake de herkenning19, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 23 december 2014 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Mijn vrouw en ik herkennen een aantal sieraden die tijdens de inbraak zijn weggenomen als onze eigendommen, waaronder de gedraaide zilveren oorbellen van foto 1. Ook de zilveren choker van foto 2 herkende ik direct aan de bijzondere vorm. Ik toon een foto waarop ik de choker draag en een tekening van de choker die ik voor de verzekering maakte. Ook de zilveren oorringen van foto 3 herken ik, die heb ik van mijn schoonzus gekregen en had ik vlak voor de inbraak uitgedaan omdat ik nieuwe had gekocht.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 7] te [pleegplaats 1]

- de aangifte van [slachtoffer 9] ,20, van inbraak in haar woning tussen 14 en 20 oktober 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat de schuifpui open stond en er was ingebroken, dat de woning was doorzocht en dat onder andere diverse sieraden waren gestolen. Bij de aangifte zijn bijlagen gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,21 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.22

- een proces-verbaal verhoor aangeefster inzake de herkenning23, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 30 december 2014 door [verbalisant 2] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik heb twee sieraden die tijdens de inbraak zijn weggenomen herkend als mijn eigendom. De armband was een erfstuk en zat mij strak om de pols, dat klopt met de herkende armband. Verder herken ik het zilveren beugeltasje dat ook een erfstuk was.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 8] te [pleegplaats 5]

- de aangifte van [slachtoffer 10] ,24 van inbraak in zijn woning op 20 oktober 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat een raam was geforceerd, dat de woning was doorzocht en dat onder andere enkele sieraden waren gestolen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,25 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.26

- een proces-verbaal verhoor aangever inzake de herkenning27 door de [echtgenote van slachtoffer 10] , met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 17 december 2014 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik herken een tweetal sieraden die tijdens de inbraak zijn weggenomen als onze eigendommen. De platte zilveren armband van foto 1 herkende ik aan het vlechtwerk en het ontbreken van een veiligheidsslot. Ik kon hem ook meteen openen omdat ik weet hoe de sluiting werkt. Het oorknopje van goud met een bloedkoraaltje (foto 2) herken ik ook als één van het paar dat ik had. Beide sieraden zaten in een lade van het nachtkastje in onze slaapkamer, waarvan de inhoud tijdens de inbraak op ons bed was gegooid.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 9] te [pleegplaats 6]

- de aangifte van [slachtoffer 11] ,28 van inbraak in zijn woning op 26 oktober 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat braaksporen waren aangetroffen, de voordeur vermoedelijk was geforceerd, dat de woning was doorzocht en dat onder andere enkele sieraden waren gestolen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,29 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.30

- een proces-verbaal verhoor getuige inzake de herkenning31 door aangever, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 13 januari 2015 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Mijn [echtgenote] , en ik herkennen een aantal sieraden die tijdens de inbraak zijn weggenomen als onze eigendommen. Het gaat onder andere om de armband en ketting van onze zoon; zijn [naam 2] is op het naamplaatje gegraveerd. De armband met ' [naam 3] ' op het naamplaatje is van mij, [echtgenote] . Deze heb ik jaren geleden gekregen. Verder herken ik, aangever, een ketting met hanger die van de opa van mijn vrouw is geweest. Diverse andere sieraden herkennen wij omdat wij die als herinnering aan de begintijd van onze verkering of aan gemaakte reizen en familiebezoek hadden gekocht of overgehouden. Van (de kavel op) foto 7 herken ik, [echtgenote] , enkele oorstekers en hangers als die van mij, maar de Zeeuwse knophanger is niet van mij. Het horloge zou van mij kunnen zijn, maar volgens mij was het horloge dat ik had wat groter.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 10] te [pleegplaats 1]

- de aangifte van [slachtoffer 12] ,32 van inbraak in zijn woning op 20 september 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat een insluiping via de schuifpui had plaatsgevonden en dat onder andere twee zilveren pepermuntdoosjes waren gestolen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,33 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.34

- een proces-verbaal verhoor aangever inzake de herkenning35 door aangever, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 15 januari 2015 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik herken de 2 zilveren pepermuntdoosjes. Op één van die doosjes zat een gouden plaatje met de inscriptie van de initialen van mijn vrouw, ' [initialen 1] '.

- een proces-verbaal van bevindingen inzake de herkenning36 door aangever, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 9 februari 2015 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Aangever [slachtoffer 12] herkent het gouden plaatje met de inscriptie van de initialen van zijn vrouw, ' [initialen 1] ', dat op één van de pepermuntdoosjes heeft gezeten.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan de [adres 11] te [pleegplaats 7]

- de aangifte van [slachtoffer 13] , mede namens [slachtoffer 14] ,37 van inbraak in hun woning tussen 5 en 24 november 2014, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat het keukenraam was geforceerd, dat de woning was doorzocht en dat onder andere een luchtbuks en twee geweren met munitie waren ontvreemd. Bij de aangifte zijn bijlagen gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,38 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.39

- een proces-verbaal van bevindingen inzake de herkenning40 door aangever, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 22 januari 2015 door [verbalisant 4] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Aangever [slachtoffer 14] herkende een leeg munitiedoosje met opschrift, dat hij gebruikte om zijn munitie in te bewaren.

Goederen afkomstig van de diefstal uit een aanhangwagen te [pleegplaats 1]

- de aangifte van [slachtoffer 15] ,41 van diefstal uit zijn aanhangwagen tussen 3 en 4 maart 2012, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat een hangslot was geforceerd en dat gereedschap uit de aanhangwagen, voornamelijk van het merk Makita, was gestolen. Bij de aangifte zijn bijlagen gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,42 alsmede een proces-verbaal van bevindingen,43 met fotobijlagen, opgemaakt op 9 december 2014 door [verbalisant 5] en de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.44

- een proces-verbaal verhoor aangever inzake de herkenning45 door aangever, opgemaakt op 7 april 2015 door [verbalisant 6] , alsmede een proces-verbaal van bevindingen inzake de herkenning46 door aangever, opgemaakt op 10 april 2015 door [verbalisant 6] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik herken verschillende stukken gereedschap die in 2012 zijn gestolen als mijn eigendom. Ik herken de zaagtafel met zekerheid omdat ik de twee wieltjes daar zelf aan heb bevestigd. Op de reciprozaag staan mijn initialen nog, die ik er zelf op had geschreven. Van de decoupeerzaag had ik u tevoren gezegd dat de mijne een sticker van [bouwbedrijf 1] zou hebben en dat bleek inderdaad het geval te zijn. De cirkelzaag en de koffer herken ik aan de stukken karton die in de koffer zaten en die ik zelf uit de dozen had gescheurd.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan de [adres 12] te [pleegplaats 3]

- de aangifte van [slachtoffer 16]47, van inbraak in zijn woning tussen 13 november 2014 te 23:30 uur en 14 november 2014 te 01:30 uur, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat de deur, het kozijn en het veiligheidsslot van de garagedeur waren vernield, dat de voordeur van de woning was vernield, dat de buitenzijde van de schuifpui was vernield en dat het zolderraam was vernield, en dat onder meer zijn weggenomen een kluis met inhoud. In de kluis lagen onder meer sieraden en een contant geldbedrag van ongeveer 60.000 euro. Het geldbedrag in de kluis bestond voornamelijk uit 50 euro biljetten. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van alle ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding48 en in de Suzuki Alto met [kenteken] , die op naam stond van verdachte,49 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.50

- een proces-verbaal51 inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat op 10 december 2014 [slachtoffer 1] zich melde op het politiebureau te Hoogeveen, dat [slachtoffer 1] verklaarde dat zijn vrouw op haar telefoon een drietal foto’s had ontvangen, en dat [slachtoffer 1] de foto’s aan verbalisanten heeft getoond. Op een foto is [medeverdachte] te zien met (vermoedelijk) een grote hoeveelheid bankbiljetten, op een foto is een hand te zien met een grote hoeveelheid bankbiljetten van 50 euro en op een foto is een kind te zien met een stapel bankbiljetten van 50 euro. [verbalisant 7] , die bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 9 december 2014 aanwezig was geweest, herkende op de foto van [medeverdachte] met de bankbiljetten het interieur van de woning van verdachte aan [straat 3] .52 De vrouw van [slachtoffer 1] heeft deze foto’s ontvangen op 14 november 2014 omstreeks 10:07 uur.

- een proces-verbaal verhoor aangever inzake de herkenning53 door aangever, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 30 december 2014 door [verbalisant 2] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Mijn vrouw en ik hebben verschillende sieraden aangetroffen die bij de inbraak zijn weggenomen en ons eigendom zijn.

Goederen afkomstig van de inbraak aan de [adres 13] te [pleegplaats 2]

- de aangifte van [slachtoffer 17]54, van inbraak in zijn woning tussen 29 juli 2014 te 16:00 uur en 30 juli 2014 te 07:00 uur, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat men is binnengekomen via een uitzetraam aan de achterzijde van de woning en dat uit de woning onder meer een grote hoeveelheid gereedschap was weggenomen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd met alle ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,55 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.56

- een proces-verbaal van bevindingen inzake de herkenning57 door aangever, met fotobijlage en nummeraanduiding, opgemaakt op 9 december 2014 door [verbalisant 5] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: aangever herkende van de vele onder verdachte in beslag genomen gereedschappen een aantal als zijnde gestolen bij de inbraak en als zijn eigendom (P1 tot en met P11). Het betrof onder meer een retrozaag waarop met viltstift de letters ' [initialen 2] ' waren geschreven, die door aangever waren aangebracht en staan voor [bouwbedrijf 2] .

- een proces-verbaal van bevindingen inzake de herkenning58 door aangever, opgemaakt op 9 december 2014 door [verbalisant 8] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik zag op een koffer, die was aangetroffen in de onafgesloten schuur aan [adres 2] , een kleine sticker met het opschrift ' [opschrift] '. Ik herkende deze sticker als zijnde dezelfde sticker die aangever mij tijdens het doen van aangifte had getoond, waarbij aangever had verteld dat de meeste van zijn ontvreemde gereedschappen waren voorzien van een dergelijke sticker. Tijdens het tonen van de onder verdachte in beslag genomen gereedschappen met nummers P1 tot en met P11 hoorde ik aangever zeggen: 'Ik herken de gereedschappen voor de volle 100 %.' Ook hoorde ik aangever opmerkingen maken over de verschillende gereedschappen, inhoudende bijzonderheden over de redenen van de herkenning, zoals de kleur, opschriften, stickers en aangebrachte aanpassingen. Ik ben met aangever naar [adres 2] gegaan. Ik zag dat aangever onder de veranda van de woonwagen een stuk multiplex oppakte en hoorde hem daarbij zeggen: 'Deze mal heb ik persoonlijk gemaakt. Deze mal hoort bij de Freesmachine van De Walt'.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan de [adres 14] te [pleegplaats 8]

- de aangifte van [slachtoffer 18]59, mede namens [slachtoffer 19] , van inbraak in zijn woning tussen 25 oktober 2014 te 17:45 uur en 26 oktober 2014 te 04:30 uur, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat een raam aan de achterzijde van de woning was vernield en dat onder meer waren weggenomen een tweetal Louis Vuitton tassen. Bij de aangifte zijn bijlagen gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,60 de toelichting uit het relaas-proces verbaal61 dat in de in beslag genomen Luis Vuitton tas een ID-kaart, bankpas en brief op naam van de [vriendin van verdachte] , was aangetroffen, alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.62

- een proces-verbaal verhoor getuige inzake de herkenning63 door aangever en [slachtoffer 19] , met fotobijlage, opgemaakt op 22 januari 2015 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: De Luis Vuitton tas van foto 1 herken ik, [slachtoffer 19] , als mijn eigendom. Ik heb samen met mijn zus tegelijk dezelfde tas gekocht. Het kaartje met nummers dat in de inbeslaggenomen tas zat, komt overeen met de gegevens op de factuur van de aankoop die ik naar de politie had gemaild. Ook zat daar een foto van de tas bij. Verder herken ik, [slachtoffer 18] , de Ray Ban zonnebril als mijn eigendom. Ik toon u verschillende foto's op mijn telefoon waar ik de bril nog droeg. Ik had de bril nog niet gemist toen ik aangifte deed.

Goederen afkomstig van de woninginbraak aan [adres 15] te [pleegplaats 9]

- de aangifte van [slachtoffer 20] ,64 van inbraak in zijn woning op 2 december 2014 tussen 13:45 uur en 22:00 uur, inhoudende, kort en zakelijk weergegeven, dat de tussendeur van de garage was opengebroken, dat een kluis was opengebroken met een slijptol, dat de woning was doorzocht en dat onder andere sieraden en munten waren gestolen. Bij de aangifte is een bijlage gevoegd inhoudende een omschrijving van de ontvreemde goederen.

- de kennisgevingen van inbeslagneming van goederen in de woning aan [adres 2] te [plaats 1] , het erf en de aanpalende schuren met kavelaanduiding,65 alsmede de lijst met inbeslaggenomen goederen met kavelaanduiding.66

- een proces-verbaal herkenning goederen67 door aangever, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 6 februari 2015 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Ik, aangever, herken verschillende goederen die tijdens de inbraak zijn weggenomen als mijn eigendom. Het gaat onder andere om mijn speciale herdenkingsmunten, die ik heb gekocht toen ik lid was van [vereniging] . Ook herken ik standaarden, mapjes en garantiecertificaten. Verder herken ik de linnen tas die wij altijd gebruikten voor de leesmap voor 100 procent. Ook herken ik nog de gouden oorstekers met glazen kern die mijn overleden vrouw gehad heeft. [verbalisant 3] merkt op dat aangever en zijn dochter zichtbaar zijn aangedaan door de herkenning.

- een proces-verbaal van bevindingen en herkenning goederen68 door aangever, met fotobijlage en kavelaanduiding, opgemaakt op 25 februari 2015 door [verbalisant 3] , inhoudende, kort en zakelijk weergegeven: Aangever had aan mij, [verbalisant 3] , een briefje getoond met een afbeelding van een gouden ducaat. Ik meende dat ik de ducaat had gezien tussen de in beslag genomen goederen. Ik toonde de ducaat en nog enkele andere munten aan aangever. Aangever herkende deze als gestolen bij de inbraak en als zijn eigendommen. Ook toonde ik aangever enkele foto's van de doorzoeking aan [adres 2] . Aangever herkende zijn sigarenkistje en ook een zilveren aansteker, die aangever had gekregen als blijk van dank van een vrouw die MS had. De aansteker was niet in beslag genomen. Ook had aangever deze nog niet gemist en dus niet genoemd bij het doen van aangifte.

Nadere bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1 subsidiair (opzetheling):

Uit de weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. De verschillende sieraden die in de woning van verdachte aan [adres 2] te [plaats 1] zijn aangetroffen en door aangever zijn herkend, waren van diefstal (de inbraak in de woning van aangever) afkomstig. Hetzelfde geldt voor de door aangever herkende sieraden op de camerabeelden van [bedrijf 1] . De rechtbank acht deze herkenning door aangever geloofwaardig, in het bijzonder vanwege de niet alledaagse combinatie van een gouden munt van Feyenoord en een gouden Davidster met het logo van Ajax. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat de bij [bedrijf 1] ingeleverde en herkende sieraden inderdaad de van aangever gestolen sieraden zijn geweest. Met het voorgaande is gegeven dat verdachte de sieraden heeft verworven en voorhanden heeft gehad en - wat betreft de sieraden ingeleverd bij [bedrijf 1] - heeft overgedragen.

Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder voornoemde goederen zijn aangetroffen en herkend, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat verdachte op het moment van het verwerven of voorhanden krijgen wist dat deze goederen uit misdrijf afkomstig waren. Verdachte heeft enkele gouden sieraden afkomstig van de inbraak (gepleegd tussen 21 juli 2014 te 16:30 uur en 22 juli 2014 te 12:57 uur) op 24 juli 2014 aangeboden aan [bedrijf 1] , derhalve kort na de inbraak zodat de tijdsspanne tussen het voorhanden krijgen en overdragen kort is geweest. De rechtbank overweegt voorts dat verdachte bedrijfsmatig handelt in goud en zilver en dat hij als zodanig een deugdelijke (inkoop)administratie dient bij te houden en de persoonsgegevens dient te noteren van de personen van wie hij inkoopt. Ter zitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat hij dit - in elk geval voor wat betreft het inkopen van goud - ook heeft gedaan, maar hij heeft zijn stelling niet onderbouwd aan de hand van concrete bewijsstukken ter zake van de inkoop van de bij [bedrijf 1] ingeleverde goederen. Verdachte heeft ter zitting gesteld dat hij een en ander niet heeft kunnen aantonen omdat de politie zijn administratie in beslag heeft genomen. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij nu blijkens het proces-verbaal weliswaar enige administratieve bescheiden in beslaggenomen zijn, maar geen sprake is van een deugdelijke administratie zoals wel van verdachte zou mogen worden verwacht. Datzelfde geldt voor de sieraden die in de woning aan [adres 2] zijn aangetroffen. Verdachte heeft geen inzicht kunnen of willen geven in de herkomst van deze sieraden, noch heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij daar onderzoek naar heeft gedaan. Dit had, mede gelet op de aard en de hoeveelheid van de goederen, naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand gelegen.

De slotsom is dat de rechtbank, uitgaande van de verklaringen van verdachte, over de precieze herkomst van de sieraden in het duister blijft tasten. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat verdachte in ieder geval niet te goeder trouw is geweest ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van de sieraden. Gelet op de kennis en ervaring die bij verdachte als handelaar in edelmetalen mag worden voorondersteld, heeft hij aldus ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard, dat de sieraden uit misdrijf afkomstig waren. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat verdachte (ten minste) voorwaardelijk opzet heeft gehad. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan opzetheling.

Ten aanzien van feit 4 primair (opzetheling) :

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de hierboven genoemde bewijsmiddelen, die telkens zijn uitgewerkt nadat in het kopje is opgenomen om welke goederen het gaat. De rechtbank heeft hierbij ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts gebruikt met betrekking tot de feiten (c.q. de misdrijven waaruit de goederen afkomstig zijn) waarop het blijkens zijn inhoud in het bijzonder betrekking heeft.

Daarnaast heeft de rechtbank gevolgtrekkingen gemaakt uit de betreffende bewijsmiddelen, ten dele ook door de bewijsmiddelen tezamen en in onderling verband te bezien. In het navolgende zal de rechtbank aangeven welke feiten en omstandigheden zij uit de bewijsmiddelen heeft afgeleid en tot welke conclusie omtrent de bewezenverklaring die feiten en omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank moeten leiden.

De verschillende goederen die in de woning van verdachte aan [adres 2] te [plaats 1] (en, in een enkel geval, in de Suzuki met het op naam van verdachte gestelde kenteken) zijn aangetroffen, werden steeds door de aangevers herkend als zijnde hun eigendom en van diefstal (doorgaans: de inbraak in de betreffende woning) afkomstig. De rechtbank acht deze herkenningen door de aangevers geloofwaardig, in het bijzonder vanwege de volgende omstandigheden:

- de dikwijls gedetailleerde beschrijving van de onderscheidende kenmerken en eigenschappen, waaronder beschadigingen;

- de soms unieke kenmerken veroorzaakt door eigenhandige bewerking of vervaardiging;

- de combinatie van aangetroffen goederen, afkomstig van dezelfde rechthebbende;

- de aangebrachte identificerende kenmerken zoals initialen en stickers en in een enkel geval een genummerd kaartje;

- de specifieke herinnering die de aangevers aan de aanschaf of verkrijging van de goederen hadden (bijvoorbeeld omdat het een erfstuk of geschenk van een dierbare was geweest of omdat zulks ter gelegenheid van een bijzondere gebeurtenis was geweest);

- de inscripties van eigennamen;

- foto's waarop de aangever te zien is terwijl het betreffende sieraad wordt gedragen.

De stellingen van de verdachte dat hij de goederen al veel langer in bezit had, dat het geen unieke goederen betreft en dat aangevers weliswaar kunnen beweren dat zij de goederen als zijnde hun eigendom herkennen, maar dat zulks daarmee nog niet als juist moet worden aanvaard, worden daarom door de rechtbank verworpen.

Met het voorgaande is gegeven dat (1) de goederen van misdrijf afkomstig waren en (2) dat verdachte deze goederen heeft verworven en voorhanden heeft gehad. In het geval van de Louis Vuitton tas en de Ray Ban zonnebril heeft verdachte de goederen bovendien overgedragen, nu deze ten tijde van de inbeslagneming kennelijk in gebruik waren bij verdachtes vriendin.

Gelet op de feiten en omstandigheden waaronder voornoemde goederen zijn aangetroffen en herkend, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn, dan dat verdachte op het moment van het verwerven of voorhanden krijgen wist dat deze goederen uit misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank wijst daartoe allereerst op de aanzienlijke hoeveelheid goederen die onder verdachte in en rond de woning aan [adres 2] op 9 december 2014 zijn aangetroffen. Voor de aanwezigheid van een zodanig grote hoeveelheid goederen op enig moment heeft verdachte geen geloofwaardige verklaring gegeven. Verdachte heeft, gevraagd naar de stortingen en opnames op zijn bankrekening, juist verklaard dat de handel in goud en zilver meebrengt dat hij ingekochte goederen snel moet verkopen om opnieuw over voldoende contanten te kunnen beschikken. Dat is volgens verdachte nodig omdat de klanten van wie hij inkoopt, aldus wensen te worden betaald.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de tijdsspanne die is verstreken tussen de inbraken waarbij de goederen zijn ontvreemd en het aantreffen van diezelfde goederen bij verdachte (met uitzondering van de diefstal uit de aanhangwagen van 3 of 4 maart 2012) relatief kort is geweest. De periode die was verstreken varieert grofweg van één tot enkele weken (met een uitschieter naar meerdere maanden). Dat de goederen al eerder en vaker van eigenaar zijn gewisseld, ligt dan minder voor de hand. Bovendien is het opvallend dat de aanzienlijke hoeveelheid goederen die juist bij verdachte werden aangetroffen, alle afkomstig waren van een reeks inbraken, gepleegd in dezelfde periode en in dezelfde omgeving.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte bedrijfsmatig handelt in goud en zilver en dat hij als zodanig een deugdelijke (inkoop)administratie dient bij te houden en de persoonsgegevens dient te noteren van de personen van wie hij inkoopt. Ter zitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat hij dit - in elk geval voor wat betreft het inkopen van goud - ook heeft gedaan, maar hij heeft zijn stelling niet onderbouwd aan de hand van concrete bewijsstukken die op enig aangetroffen goed zien. De rechtbank verwijst voorts naar hetgeen zij hiervoor met betrekking tot de administratie heeft overwogen. De Verdachte heeft aldus geen inzicht kunnen of willen geven in de herkomst van deze sieraden, noch heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij daar onderzoek naar heeft gedaan. Dit had, mede gelet op de aard en de hoeveelheid van de goederen, naar het oordeel van de rechtbank wel voor de hand gelegen, juist van een handelaar in goederen waarvan het algemeen bekend is dat deze vanwege hun hoge geldswaarde en laagdrempelige en toegankelijk markt ook vaak gestolen worden.

Wat betreft de stelling die verdachte ten aanzien van enkele gereedschappen heeft ingenomen, inhoudende dat hij de herkomst ervan heeft geverifieerd op internet (stopheling.nl) overweegt de rechtbank als volgt. Kennelijk gaat verdachte ervan uit, dat wanneer de goederen die hij verwerft niet staan vermeld op “stopheling.nl”, deze dan niet uit misdrijf afkomstig zijn, althans dat die vaststelling hem ontslaat van enige nadere onderzoeksplicht. Naar het oordeel van de rechtbank is die opvatting onjuist. Verdachte draait de zaak om. De vermelding op “stopheling.nl” kan inhouden dat de goederen zijn gestolen. Dat brengt nog niet mee dat zij niet gestolen zijn als zij er niet op staan. Zeker wanneer verdachte een grote hoeveelheid gereedschappen met (vrijwel) dezelfde identificerende kenmerken, zoals initialen en stickers, wordt aangeboden, mag van verdachte worden verwacht dat hij zich vergewist van de herkomst, bijvoorbeeld door contact op te nemen met het bedrijf waarnaar de stickers verwijzen.

Ook in bredere zin lijkt verdachte niet doordrongen van de verantwoordelijkheid die op iedere koper van goederen, en dus ook op hem, rust. De verklaring van verdachte bij de politie spreekt in dit verband boekdelen: als hij iets koopt, gaat hij ervan uit dat het niet gestolen is, zo makkelijk is het, aldus verdachte.69 De rechtbank ziet hierin de bevestiging dat verdachte bewust het risico heeft genomen dat hij gestolen goederen verwierf.

De slotsom is dat de rechtbank, wanneer zij moet uit gaan van de verklaringen van verdachte, over de precieze herkomst van de sieraden in het duister blijft tasten. De rechtbank gaat er daarom van uit, dat verdachte niet te goeder trouw is geweest ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van de goederen. Verdachte heeft aldus ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard, dat de sieraden uit misdrijf afkomstig waren. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat verdachte (ten minste) voorwaardelijk opzet heeft gehad. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan opzetheling.

Ten aanzien van de goederen afkomstig van de woninginbraak aan de [adres 12] te [pleegplaats 3] overweegt de rechtbank nog, dat een medeverdachte vlak na de inbraak in de woning van verdachte is gefotografeerd met een groot aantal bankbiljetten, die gelet op de aangifte mogelijk afkomstig waren van de inbraak. Deze omstandigheid steunt de rechtbank in haar vermoeden dat verdachte wetenschap had van de herkomst van de (ook bij die inbraak) ontvreemde en later bij hem thuis aangetroffen goederen.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verdachte gedurende de periode eind juli 2014 tot en met begin december 2014 een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling. Dit leidt de rechtbank af uit de omstandigheid dat er sprake was van een grote hoeveelheid geheelde goederen die afkomstig waren van een reeks inbraken, die relatief kort na elkaar gepleegd zijn in de genoemde periode. In de hoge frequentie van de gevallen van heling die de rechtbank gedurende die periode bewezen acht, ligt besloten dat er sprake was van gewoonteheling.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 21 juli 2014 tot en met 9 december 2014 te [pleegplaats 1] , een hoeveelheid sieraden heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die sieraden wist

dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

4.

hij in de periode van 3 maart 2012 tot en met 9 december 2014 in de arrondissementen Assen, Groningen en/of Noord-Nederland, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte telkens een hoeveelheid sieraden, een of meer stuks gereedschap, een of meer tassen, een zonnebril, munten of een munitiedoosje afkomstig van woninginbraken/diefstallen waarvan de aangiften in het proces-verbaal zijn opgenomen op de bladzijden 2598, 2699, 2865, 2888, 2928, 3232, 3425, 3449, 3483, 3496, 3574, 3759 en 3815, verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Kwalificaties

Het bewezen geachte levert respectievelijk op:

onder 1 subsidiair: opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht;

onder 4 primair: een gewoonte maken van opzetheling, strafbaar gesteld bij artikel 416 en artikel 417 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de verdachte strafbaar, omdat geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking: de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 25 juni 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder ter zake van (soortgelijke) misdrijven is veroordeeld, alsmede de over verdachte uitgebrachte reclasseringsrapportage d.d. 11 december 2014 opgemaakt in het kader van de voorgeleiding van verdachte voor de rechter-commissaris, alsmede de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter terechtzitting door de raadsman uiteengezet.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten aanzien van de bewezenverklaarde gevallen van opzetheling overweegt de rechtbank dat verdachte door zijn handelen heeft bijgedragen aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit zoals het plegen van diefstallen met braak. Naar het oordeel van de rechtbank treft de heler een gelijksoortig verwijt als de dief, nu diefstal lonend wordt gemaakt door heling. Verdachte heeft gedurende een periode van ruim vier maanden bovendien een gewoonte gemaakt van opzetheling, hetgeen als strafverzwarend geldt.

De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan en is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden passend en geboden is.

Benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair)

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 1 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bedraagt € 24.017,50, bestaande uit € 23.667,50 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De vordering ziet immers op schade die verband houdt met het onder 1 primair ten laste gelegde, terwijl verdachte terzake zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank geen termen aanwezig.

Benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 3)

[slachtoffer 4] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 3 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 16.093,- aan materiële schade.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De vordering ziet immers op schade die verband houdt met het onder 3 ten laste gelegde, terwijl verdachte terzake zal worden vrijgesproken. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank geen termen aanwezig.

Benadeelde partijen feit 4

[slachtoffer 16] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 59.250,- aan materiële schade en € 450,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 17] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bedraagt € 381,92, bestaande uit € 31,92 aan materiële schade (reiskosten) en € 350,- aan immateriële schade.

[slachtoffer 20] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 519,38 aan materiële schade (schadeherstel deur).

[slachtoffer 8] heeft zich, bij gemachtigde, voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 6.175 aan materiële schade.

[slachtoffer 11] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 8.965 aan materiële schade.

[slachtoffer 9] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 4 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 10.320,- aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de door de genoemde benadeelde partijen gestelde schade niet in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit (opzetheling), dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De vordering ziet immers op schade die rechtstreeks verband houdt met de inbraak, terwijl het plegen van die inbraak niet aan verdachte is ten laste gelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan de benadeelde partijen door het bewezen verklaarde niet rechtstreeks schade toegebracht. De benadeelde partijen zullen daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering en zij kunnen de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Voor de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel acht de rechtbank geen termen aanwezig.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 27, 57, 416 en 417 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte onder 1 primair, onder 2 en 0nder 3 is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank verklaart bewezen dat het onder 1 subsidiair en onder 4 primair tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan, stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert de strafbare feiten zoals hierboven zijn vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

De rechtbank beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank bepaalt dat de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (feit 1 primair) en [slachtoffer 4] (feit 3) alsmede van [slachtoffer 16] , [slachtoffer 17] , [slachtoffer 20] , [slachtoffer 8] , [slachtoffer 11] en [slachtoffer 9] niet-ontvankelijk zijn en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht. De rechtbank bepaalt voorts dat deze benadeelde partijen en veroordeelde hun eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter en mrs. P.J. van Steen en A. Heidekamp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 04 augustus 2015.

1 Pag. 1904 e.v.;

2 Pag. 1976 e.v.;

3 Pag. 3830 e.v.;

4 Pag. 3844;

5 Pag. 1979 e.v.;

6 Pag. 2598 e.v.;

7 Pag. 2630;

8 Pag. 2631;

9 Pag. 490 e.v.;

10 Pag. 470 e.v.;

11 Pag. 2640 e.v.;

12 Pag. 2699 e.v.;

13 Pag. 490 e.v.;

14 Pag. 470 e.v.;

15 Pag. 2724 e.v.;

16 Pag. 2865 e.v.;

17 Pag. 490 e.v.;

18 Pag. 470 e.v.;

19 Pag. 2877 e.v.;

20 Pag. 2888 e.v.;

21 Pag. 490 e.v.;

22 Pag. 470 e.v.;

23 Pag. 2925 e.v.;

24 Pag. 3425 e.v.;

25 Pag. 490 e.v.;

26 Pag. 470 e.v.;

27 Pag. 3442 e.v.;

28 Pag. 3449 e.v.;

29 Pag. 490 e.v.;

30 Pag. 470 e.v.;

31 Pag. 3475 e.v.;

32 Pag. 3483 e.v.;

33 Pag. 490 e.v.;

34 Pag. 470 e.v.;

35 Pag. 3491 e.v.;

36 Pag. 3494 e.v.;

37 Pag. 3496 e.v.;

38 Pag. 490 e.v.;

39 Pag. 470 e.v.;

40 Pag. 3545 e.v.;

41 Pag. 3815 e.v.;

42 Pag. 490 e.v.;

43 Pag. 225 e.v.;

44 Pag. 470 e.v.;

45 Pag. 3827 e.v.;

46 Pag. 3829 e.v.;

47 Pag. 2928 e.v.;

48 Pag. 490 e.v.;

49 Pag. 753 e.v., pag. 96;

50 Pag. 470 e.v.;

51 Pag. 2972 e.v.;

52 Pag. 96 en pag. 2972.

53 Pag. 2978 e.v.;

54 Pag. 3232 e.v.;

55 Pag. 490 e.v.;

56 Pag. 470 e.v.;

57 Pag. 3320 e.v.;

58 Pag. 3341 e.v.;

59 Pag. 3574 e.v.;

60 Pag. 490 e.v.;

61 Pag. 122-123;

62 Pag. 470 e.v.;

63 Pag. 3598 e.v.;

64 Pag. 3759 e.v.;

65 Pag. 490 e.v.;

66 Pag. 470 e.v.;

67 Pag. 3775 e.v.;

68 Pag. 3789 e.v.;

69 Pag. 1557;