Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3766

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-07-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
18.850025-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Man veroordeeld voor medeplegen woninginbraak op basis van herkenning verdachte op camerabeelden door verbalisanten

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311, geldigheid: 2015-08-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummers: 18/850025-15 + 16/167881-14 (vordering tenuitvoerlegging)

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 juli 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 juli 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 december 2014 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [straat] aldaar) heeft

weggenomen een pistool (merk Browning) en/of een pistool (merk Luger) en/of

een wisselset ( [nummer] ) en/of een of meer horloges en/of een

hoeveelheid sieraden en/of een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of

inklimming.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er een aangifte is en dat verdachte door negen verbalisanten op de camerabeelden van de woning waar is ingebroken, is herkend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de kwaliteit van de beelden zodanig is dat het bewijs niet op een herkenning van verdachte op die beelden kan worden gebaseerd. De beelden zijn niet in kleur en de person op de beelden heeft geen onderscheidende gelaatskenmerken. Er is wel een gelijkenis met verdachte, maar het kan hem evengoed wel als niet zijn. Naar aanleiding van de uitzending van Opsporing Verzocht zijn allerlei verschillende namen genoemd, hetgeen ook de kwaliteit van de beelden in twijfel trekt. De raadsman heeft zich hierbij beroepen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag d.d. 6 juli 2015 (parketnummer 09/817759-15) Ook aan de herkenning van verdachte door aangever als één van de mannen die enkele weken voor de inbraak in zijn winkel aanwezig was, komt geen bewijskracht toe omdat aangever enkel een foto van verdachte werd getoond.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 10 december 2014, opgenomen op p. 40 e.v. van dossier nummer 2014173374 d.d. 7 april 2015, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , mede namens [slachtoffer 1] :

Op 6 december 2014 heb ik mijn woning aan de [straat] te [pleegplaats] omstreeks 13:00 uur verlaten. Toen ik omstreeks 23:00 uur weer bij de woning kwam, zag ik dat de kabel van het alarm was doorgeknipt. Ik zag dat de achterdeur, welke toegang geeft tot een afgesloten serre, open stond. Ik zag dat er een raam van de serre kapot was en dat er een raam van de woonkamer was opengebroken. Ik zag dat de wapenkluis van mijn broer [slachtoffer 1] was opengebroken. Deze was leeg. In de kluis zaten de volgende wapens:

- pistool Browning .22 LR met linkshandig handvat;

- pistool CZ 9 mm Luger;

- wisselset [nummer] .

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 13 januari 2015, opgenomen op p. 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :

Er lagen nog veel goederen van mij in de woning aan de [straat] in [pleegplaats] . U toont mij een koffer met schuimrubberen vulling. Dit is een vuurwapenkoffer. Ik herken deze als mijn eigendom. Beide gestolen pistolen zaten in deze koffer. Ik mis verder nog vier horloges, een gouden ring met briljanten en een gouden koningsketting. Uit de kledingkast is nog een envelop met 1500 euro weggenomen.

Een proces-verbaal van herkenning door opsporingsambtenaar d.d. 3 maart 2015, opgenomen op p. 71 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 3 maart 2015 zag ik, [verbalisant 1] , een aandachtvestiging van het woninginbraakteam te [plaats] met bijgaand een fotoblad met beide verdachten van een inbraak in [pleegplaats] op 6 december 2014.

De persoon rechts op de foto met de lichtkleurige jas herken ik als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] . Ik ken deze persoon ambtshalve. Ik ben werkzaam als thematisch coördinator woninginbraken en in die hoedanigheid heb ik vaak gesproken met [verdachte] . Ik herken hem aan zijn scherpe kaaklijn en de opvallende inham op zijn voorhoofd richting zijn slaap.

Een proces-verbaal van herkenning door opsporingsambtenaar d.d. 3 maart 2015, opgenomen op p. 74 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 3 maart 2015 zag ik, [verbalisant 2] , een aandachtvestiging van de politie Groningen me bijgaand een fotoblad met beide verdachten van een inbraak in [pleegplaats] op 6 december 2014.

De persoon op de afbeelding herken ik als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] . Ik ken deze persoon ambtshalve. Ambtshalve is mij bekend dat [verdachte] zich bezighoudt met woninginbraken.

Een proces-verbaal van herkenning door opsporingsambtenaar d.d. 5 maart 2015, opgenomen op p. 76 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 5 maart 2015 zag ik, [verbalisant 3] , een aandachtvestiging van de politie Groningen. Verzoek tot herkenning van twee personen welke verdacht werden van een woninginbraak in [pleegplaats] .

Ik zag op print 1 van de camerabeelden van een inbraak gepleegd op 6 december 2014 in [pleegplaats] twee mannen staan waarvan één een donkere jas droeg en een soort kous over zijn hoofd had en de ander een lichte jas droeg met een soort van breekvoorwerp in zijn handen. Onder de print stonden de woorden 'dader 1' (lichte jas) en 'dader 2' (met tasje). De persoon welke is omschreven als dader 1 herken ik direct als: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] . Ik ken deze persoon ambtshalve. Ik herkende hem aan de vorm van zijn gezicht. Ook op een tweede print herkende ik [verdachte] aan de vorm van zijn gezicht. [verdachte] heeft een opvallende kaaklijn en een langwerpig gezicht.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, opgenomen op p. 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 4 maart 2015 zag ik, [verbalisant 4] , een aantal foto's van twee personen welke verdacht werden van een inbraak gepleegd op 6 december 2014 aan de [straat] in [pleegplaats] . Op de foto's herken ik ambtshalve de verdachte met het witte vest en de capuchon over zijn hoofd als [verdachte] . Ik herken hem voornamelijk aan de contouren van zijn gezicht, de strakke kaaklijn en de stand van zijn ogen en wenkbrauwen. Tevens herken ik hem aan zijn haardracht welke gedeeltelijk te zien is onder de capuchon. Ik heb tijdens mijn werkzaamheden meerdere malen contact gehad met [verdachte] tijdens aanhoudingen en staandehoudingen.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, opgenomen op p. 81 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 4 maart 2015 bekeek ik, [verbalisant 5] , de bewegende beelden van Opsporing Verzocht van de woninginbraak aan de [straat] te [pleegplaats] . Ik herkende de jongen met de witte capuchontrui, die wordt aangeduid als dader 1, voor 100 % als [verdachte] . Ik heb hem op 6 oktober 2014 thuis bezocht om een veelplegersgesprek met hem te houden. Ik herkende hem aan zijn gezicht. Ik herkende de opvallende vorm van zijn wenkbrauwen en de vorm van zijn neus en kin. Ik herkende hem verder aan zijn haardracht.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, opgenomen op p. 82 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 3 maart 2015 zag ik, [verbalisant 6] , een aantal foto's van twee personen welke verdacht werden van een inbraak, gepleegd op 6 december 2014 aan de [straat] in [pleegplaats] . Ook de bewegende beelden heb ik bekeken. Op de foto's herken ik ambtshalve de verdachte met het witte vest en de capuchon over zijn hoofd als [verdachte] . Ik herken hem voornamelijk aan de contouren van zijn gezicht, de strakke kaaklijn en kin en de stand van zijn ogen en wenkbrauwen. Tevens herken ik hem aan zijn haardacht, welke gedeeltelijk te zien is onder de capuchon. Tijdens mijn werkzaamheden heb ik in 2014 meerdere malen contact gehad met [verdachte] . Tijdens controles heb ik regelmatig gesprekken gehad met [verdachte] .

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, opgenomen op p. 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 4 maart 2015 zag ik een aantal foto's waarop verdachten stonden van een woninginbraak gepleegd op 6 december 2014 aan de [straat] in [pleegplaats] . Ik herken de man welke wordt aangeduid met dader 1, de dader met de lichte jas, als [verdachte] . Ik herken hem aan de vorm van zijn gelaat, kaaklijn, kin en ogen. Tevens herken ik hem aan zijn postuur. Ik herken hem vanwege het feit dat ik sinds 2007 in het wijkteam werk waarin [verdachte] woonachtig en actief is. In deze periode ben ik ambtshalve diverse malen in contact geweest met [verdachte] .

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, opgenomen op p. 84 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 4 maart 2015 zag ik, [verbalisant 7] , een tweetal foto's van twee personen die er van worden verdacht een inbraak te hebben gepleegd op 6 december 2014 aan de [straat] in [pleegplaats] . Ik herken de voorste persoon van deze foto's, met het lichte vest en met de capuchon over zijn hoofd, als [verdachte] . Ik herken hem voornamelijk aan de contouren van zijn gezicht, de strakke kaaklijn en kin, de stand van zijn ogen en wenkbrauwen, brede neus en zijn haardracht. Tijdens mijn werkzaamheden als wijkagent heb ik geregeld met [verdachte] te maken gehad.

Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 maart 2015, opgenomen op p. 85 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende:

Op 3 maart 2015 kreeg ik, [verbalisant 8] , een mail met bijlage waarin herkenning wordt verzocht van een verdachte van een woninginbraak, gepleegd op 6 december 2014 in [pleegplaats] . Ik zag een foto waarop twee personen bij een woning te zien zijn. De voorste persoon heft een lichte jas aan en een capuchon over zijn hoofd. Deze persoon is als dader 1 gekenmerkt. Op een andere foto is dader 1 nogmaals te zien, daar kijkt hij met zijn gezicht naar de camera. De persoon welke als dader 1 te zien is herken ik ambtshalve voor 100 % als [verdachte] . Ik herken hem aan de vorm van zijn gezicht, kaaklijn, neus, wenkbrauwen en haarlijn. Ik heb binnen de wijkzorg meerdere malen met [verdachte] te maken gehad.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte ontkent betrokken te zijn geweest bij de hem ten laste gelegde inbraak. Van de inbraak zijn camerabeelden beschikbaar. Op die camerabeelden zijn twee personen te zien die de inbraak plegen. Eén van hen is onherkenbaar doordat hij een kous over zijn hoofd heeft. De ander is goed te zien en heeft op de bewegende beelden, en de daarvan gemaakte screenshots, zijn gezicht richting de camera. De beelden zijn verspreid onder de politie ter herkenning van de daders van de inbraak. Door negen verbalisanten is de dader die met zijn gezicht te zien is herkend als verdachte. Soms op basis van de screenshots van de beelden, soms op basis van de bewegende beelden en soms op een combinatie van beide. Verdachte ontkent dat hij degene op de beelden is. Bij gebrek aan ander bewijs zijn daarom genoemde herkenningen van de verbalisanten van doorslaggevend belang voor de vraag of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de inbraak heeft gepleegd. Voor de betrouwbaarheid van die herkenningen is onder meer van belang hoe helder en duidelijk de beelden zijn, hoe zichtbaar de dader op die beelden is, en op basis waarvan de herkenning heeft plaatsgevonden. Hoewel de beelden niet in kleur zijn, zijn de beelden naar het oordeel van de rechtbank voldoende helder en duidelijk om daarop een persoon te herkennen aan bepaalde gelaatskenmerken. De verbalisanten beschrijven allemaal op basis van welke voor verdachte specifieke gelaatskenmerken zij verdachte hebben herkend. Deze kenmerken komen veelal overeen of overlappen elkaar. De verbalisanten kennen verdachte allen ambtshalve en hebben vaak meerdere malen met hem gesproken. De rechtbank heeft onder al die omstandigheden geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de herkenningen van de verbalisanten in twijfel te trekken. De rechtbank heeft ter terechtzitting de beelden van de inbraak bekeken en geconstateerd dat verdachte sterke gelijkenis vertoont met de persoon op de beelden.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is die op de beelden te zien is terwijl hij een woninginbraak pleegt.

Bewezenverklaring

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 6 december 2014 te [pleegplaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning (gelegen aan de [straat] aldaar) heeft weggenomen een pistool (merk Browning) en een pistool (merk Luger) en

een wisselset ( [nummer] ) en horloges en een hoeveelheid sieraden en een hoeveelheid geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, waarvan 62 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet uitgelaten over een eventueel op te leggen straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem door de reclassering opgemaakte rapportage d.d. 21 mei 2015, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander ingebroken in een woning, waarbij hij wapens en allerlei waardevolle goederen buit heeft gemaakt. Dat is een ernstig feit waarmee verdachte heeft aangetoond geen respect te hebben voor andermans privacy en eigendommen. Woninginbraken leiden in het algemeen tot gevoelens van onveiligheid en het is doorgaans kostbaar om de schade te herstellen en eventueel weggenomen goederen te vervangen. Voor een dergelijk feit acht de rechtbank, in aanmerking genomen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten een gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf passend. De rechtbank zal een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, mede om daaraan bijzondere voorwaarden te verbinden, zoals deze worden voorgesteld door de reclassering. Deze voorwaarden zijn gelijk aan die welke waren verbonden aan de schorsing van de preventieve hechtenis, en gebleken is dat verdachte zich goed aan deze voorwaarden houdt en dat het daaraan verbonden elektronisch toezicht hem structuur en duidelijk biedt. Het is ter voorkoming van recidive daarom goed dat deze voorwaarden nog enige tijd gehandhaafd blijven. De rechtbank zal de periode waarin het elektronisch toezicht van kracht blijft wel enigszins beperken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 12 november 2014, gewezen door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht, is de verdachte veroordeeld tot - voor zover hier van belang - een geldboete van 250 euro voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 18 juni 2015 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu de veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 12 november 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 62 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich meldt bij Reclassering Nederland, zo lang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht;

 dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van forensisch psychiatrische instelling [naam instelling] of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, waarbij de veroordeelde de aanwijzingen die namens deze instelling/verantwoordelijk geneesheer aan hem gesteld worden zal opvolgen;

 dat de veroordeelde medewerking zal verlenen en inzet zal tonen om dagbesteding te verkrijgen en te behouden middels opleiding, werk of resocialisatietrajecten;

 dat de veroordeelde aanwezig zal zijn op de navolgende locatie: [naam locatie] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht,

waarbij veroordeelde zich gedurende ten hoogste 12 maanden onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarden.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 60 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast.

Gelast de tenuitvoerlegging van de geldboete, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 12 november 2014, te weten: een geldboete van 250 euro, te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Gerding, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en

mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 juli 2015.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.