Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3693

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
Awb 15/2540
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Trefwoorden

Afwijzing handhavingsverzoek / proefboring NAM in Blijham / concessie “Groningen” / gasvoorkomen Blijham valt binnen concessiegebied / concessie dient te worden beschouwd als winningsvergunning in de zin van de Mijnbouwwet / de (voorbereidende) werkzaamheden behorende bij de proefboring zijn toegestaan op grond van de concessie. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Samenvatting

Bij besluit van 3 juli 2015 heeft verweerder het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden tegen (voorbereidende) werkzaamheden in het kader van een proefboring door de NAM op de locatie Langebrug te Blijham, afgewezen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers, behalve M.B., als belanghebbenden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt.

Bij Koninklijk besluit van 30 mei 1963 (nr. 39, Stcrt. 126) is aan de NAM de concessie “Groningen” verleend voor de ontginning van bitumina, als bedoeld in artikel 2 van de Wet van 21 april 1810, zoals aardgas en aardolie. De concessie is verleend voor een gebied met een oppervlakte van ongeveer 297.000 hectaren in de provincie Groningen, waaronder de toenmalige gemeente Wedde. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat het gasvoorkomen Blijham valt binnen het concessiegebied.

Gelet op artikel 143, tweede lid, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet dient de concessie als een winningsvergunning in de zin van de Mijnbouwwet te worden beschouwd. Gelet op het bepaalde ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Mijnbouwwet wordt onder een winningsvergunning (ook) verstaan een vergunning voor het opsporen van delfstoffen. Derhalve is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat de (voorbereidende) werkzaamheden behorende bij de proefboring in Blijham zijn toegestaan op grond van de concessie. Verweerder heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien om op deze door verzoekers aangevoerde grond tot handhavend optreden over te gaan.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Wetsverwijzingen
Mijnbouwwet
Mijnbouwwet 143
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/323 met annotatie van D. van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/7047
mr. I. Brinkman en mr. L. Baljon annotatie in NTE 2016/10, UDH:NTE/12969

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/2540

uitspraak van de voorzieningenrechter van 28 juli 2015 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[namen en adressen verzoekers]

[naam verzoeker]

gezamenlijk: verzoekers,

(gemachtigde: mr. P.M.J. de Goede),

en

De Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving en Juridische Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. drs. I.P. Hasper en A.P. Dijkstra).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V., te Assen

(gemachtigde: J.P. van de Water).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2015 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van verzoekers om handhavend op te treden tegen (voorbereidende) werkzaamheden in het kader van een proefboring door de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. (hierna: de NAM) op de locatie Langebrug te Blijham, afgewezen.

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat het primaire besluit wordt geschorst in afwachting van een beslissing op hun bezwaarschrift alsmede dat de (voorbereidende) werkzaamheden worden gestaakt en gestaakt gehouden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2015. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat verzoekers, behalve [naam verzoeker] , als belanghebbenden in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kunnen worden aangemerkt.

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel de aard van de (voorbereidende) werkzaamheden die horen bij de proefboring. Uit de melding ingevolge het Besluit algemene regels milieu en mijnbouw van 22 mei 2015 (hierna: de melding) volgt dat die werkzaamheden betrekking hebben op het plaatsen van een mobiele boorinstallatie en enkele kantoor- en verblijfsunits op de boorlocatie, het boren van een side track op ongeveer 2310 meter diepte in de bestaande boorput Langebrug-01 en het afvoeren van boorgruis. Die werkzaamheden worden in de periode van juli tot en met augustus 2015 verricht. In die periode wordt ook ’s avonds en ’s nachts op de boorlocatie gewerkt; daarbij is de boorlocatie verlicht ten behoeve van de veiligheid. Ook acht de voorzieningenrechter van belang dat het merendeel van de verzoekers zicht heeft op de boorlocatie. De afstand tot de percelen van verzoekers – tot maximaal ongeveer 1700 meter – oordeelt de voorzieningenrechter in dit geval geen beletsel om verzoekers als belanghebbenden aan te merken, gelet op de aard van de werkzaamheden en de uitstraling op de landelijke omgeving (open veld) van die werkzaamheden.

In de feiten dat [naam verzoeker] op bijna vijf kilometer afstand van de boorlocatie woont en geen zicht op die locatie heeft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding haar niet als belanghebbende in bovengenoemde zin aan te merken.

In het ter zitting gehouden betoog van de NAM dat verzoekers geen belanghebbenden zijn, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot een ander oordeel te komen. Het feit dat verzoekers niet wonen boven de ondergrondse formatie waarin de proefboring plaatsvindt, acht de voorzieningenrechter van ondergeschikt belang gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. De stellingen van de NAM over de marktordenende werking van opsporings- en winningsvergunningen kan de voorzieningenrechter in dit kader niet plaatsen.

3. Voorts acht de voorzieningenrechter een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening gegeven, aangezien de (voorbereidende) werkzaamheden behorende bij de proefboring reeds zijn aangevangen en voortduren tot eind augustus 2015.

4. Bij Koninklijk besluit van 30 mei 1963 (nr. 39, Stcrt. 126) is aan de NAM de concessie “Groningen” (hierna: de concessie) verleend op grond van de Wet van 21 april 1810 (Bulletin des Lois 285) concernant les Mines, les Minières et les Carrières (hierna: de Wet van 21 april 1810) en de Mijnwet 1903.

Sinds 30 mei 1963 is dat Koninklijk besluit meerdere malen gewijzigd.

Op 22 mei 2015 heeft de NAM de melding bij verweerder gedaan. Bij de melding is de ‘Kwantitatieve risicoanalyse boring sidetrack Langebrug’ van 20 mei 2015 gevoegd.

Op 24 juni 2015 heeft verweerder de kennisgeving van de melding gepubliceerd, onder meer in de Staatscourant (nr. 17304).

Bij faxbericht van 30 juni 2015 hebben verzoekers verweerder verzocht om handhavend op te treden en de NAM te gelasten haar (voorbereidende) werkzaamheden met onmiddellijke ingang te staken en doen staken alsmede die werkzaamheden gestaakt te houden, omdat niet alle voor deze activiteit vereiste vergunningen en toestemmingen zouden zijn aangevraagd en verkregen.

5. In het primaire besluit heeft verweerder het handhavingsverzoek afgewezen.

Verweerder heeft – kort samengevat – overwogen dat voor de proefboring geen aparte vergunning hoeft te worden aangevraagd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de concessie krachtens artikel 143, tweede lid, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet geldt als winningsvergunning onder de huidige Mijnbouwwet. Blijkens artikel 1 van de concessie valt de locatie Langebrug te Blijham binnen het concessiegebied. De omzetting heeft mede tot gevolg dat, onder het regime van de huidige Mijnbouwwet, de NAM niet meer een opsporings- of winningsvergunning behoeft aan te vragen voor het verrichten van opsporingswerkzaamheden, waaronder het uitvoeren van proefboringen, binnen het winningsgebied. De winningsvergunning is immers al verleend en opsporing valt hier onder op grond van de definitie van artikel 1, aanhef en onder k, van de Mijnbouwwet. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van een overtreding van artikel 6 van de Mijnbouwwet dan ook geen sprake is.

Voorts heeft verweerder overwogen dat van winning van delfstoffen op de locatie Langebrug nog geen sprake is; de proefboring dient om vast te stellen of op die locatie op een (economisch) verantwoorde wijze gas kan worden gewonnen. Eerst daarna dient er eventueel een winningsplan te worden ingediend. Verweerder heeft opgemerkt dat op de proefboring de algemene voorschriften uit het Besluit algemene regels milieu en mijnbouw van toepassing zijn. Die voorschriften betreffen met name voorschriften op het gebied van bescherming van bodem, water, lucht en geluid. Die voorschriften beogen onder andere bescherming te bieden aan omwonenden en belanghebbenden. Dat de NAM deze voorschriften niet zou naleven, is door verzoekers niet gesteld en aannemelijk gemaakt en is ook anderszins niet gebleken, aldus verweerder.

Verweerder heeft geconcludeerd dat ten aanzien van de proefboring thans niet is gebleken van enige overtreding van de Mijnbouwwet, noch van de op die wet gebaseerde regelgeving of enig ander wettelijk voorschrift.

6. Verzoekers voeren – kort samengevat – aan dat de (voorbereidende) werkzaamheden die bij de proefboring horen, vergunningplichtig zijn en dat met name een opsporingsvergunning op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet ontbreekt. Verzoekers menen dat verweerder de reikwijdte van de concessie ten onrechte uitbreidt tot het gasvoorkomen in Blijham; op dat voorkomen ziet de concessie niet. De concessie ziet alleen op het gasvoorkomen Groningen (hierna: het Groningenveld). Het gasvoorkomen onder Blijham is geen onderdeel van het Groningenveld en staat daarmee niet in verbinding. Nergens uit de concessie blijkt dat beoogd is voorkomens die in 1963 nog niet bekend waren ook onder de reikwijdte van die concessie te brengen. De concessie is weliswaar breed opgezet en daaronder is vrijwel de gehele provincie Groningen gebracht, maar dat is logisch als bedacht wordt dat van het Groningenveld bekend was dat het een groot deel van de provincie zou beslaan maar destijds niet precies bekend was waar de contouren van het Groningenveld lagen. Verzoekers stellen dat bedacht dient te worden dat in 1963 slechts het Groningenveld werd geëxploiteerd. Voor het gasvoorkomen in Blijham is dus geen winningsvergunning verleend; dat voorkomen komt ook niet voor in bekend winningsplannen. Verzoekers stellen dat door verweerders redenatie aan belanghebbenden elke vorm van inspraak en effectieve rechtsbescherming wordt ontnomen, nu tegen de melding of kennisgeving daarvan geen bezwaar kon worden gemaakt. Verzoekers menen dat in een tijdsgewricht waarin gaswinning in Groningen onder grote maatschappelijke en politieke druk staat, alle reden bestaat om terughoudend om te gaan met proefboringen naar nieuwe voorkomens. Verzoekers vragen zich af of de NAM haar verantwoordelijkheid als mijnbouwonderneming wel voldoende neemt en of zij getuigt van een goede en maatschappelijke verantwoordelijkheidszin door de proefboring te verrichten. Door geen separate opsporingsvergunning te verlenen, heeft verweerder de NAM carte blanche verleend voor het verrichten van de proefboring op de wijze die slechts de NAM goeddunkt.

Verzoekers stellen dat verweerders visie ook niet strookt met de parlementaire geschiedenis rondom de invoering van de huidige Mijnbouwwet. Nergens is terug te vinden dat de concessie zo veelomvattend zou zijn dat alle proefboringen in de gehele provincie zonder nadere toestemming zouden mogen worden uitgevoerd. In 1963 kon opsporing in de kleine voorkomens niet worden voorzien nu destijds slechts het Groningenveld werd geëxploiteerd en de kleine voorkomens, waaronder Blijham, eerst vanaf 1974 werden geëxploiteerd.

Verzoekers stellen dat zij dag en nacht hinder ervaren van de werkzaamheden en dat zij vrezen voor hun veiligheid en de veiligheid van hun eigendommen, nu niet vaststaat dat de proefboring zonder gevaar is. Onduidelijk is op welk onderzoek de NAM het bevingsrisico als laag inschat. Verzoekers stellen dat de proefboring het gevoel van onrust en waardedaling van hun woningen tot gevolg heeft.

7. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

7.1.

Daarbij wordt onderstaand wettelijk kader van belang geoordeeld.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder j, van de Mijnbouwwet wordt in deze in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder ‘opsporingsvergunning’ verstaan een vergunning voor het opsporen van delfstoffen.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Mijnbouwwet wordt in deze in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder ‘winningsvergunning’ verstaan een vergunning voor het winnen van delfstoffen, alsmede voor het opsporen van delfstoffen.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet is het verboden zonder vergunning van onze minister delfstoffen op te sporen.

Ingevolge artikel 143, tweede lid, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet wordt als winningsvergunning beschouwd een concessie verleend krachtens artikel 5 van de Wet van 21 april 1810.

Gelet op de concessie, de artikelen 2 en 5 van de Wet van 21 april 1810 – zoals die artikelen golden tot 1 januari 2003 – en de Mijnwet 1903 – zoals die wet gold tot 1 januari 2003 – is de voorzieningenrechter van oordeel dat de concessie als een dergelijke winningsvergunning dient te worden beschouwd.

7.2.1.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit artikel 1 van de concessie volgt dat de concessie onder de benaming “Groningen” is verleend voor de ontginning van bitumina, als bedoeld in artikel 2 van de Wet van 21 april 1810, zoals aardgas en aardolie. De concessie is verleend voor een gebied met een oppervlakte van ongeveer 297.000 hectaren in de provincie Groningen, waaronder de toenmalige gemeente Wedde. Aan de concessie is een gewaarmerkte kaart gehecht, waarop het concessieveld is omlijnd. Tevens bevat artikel 1 van de concessie een gedetailleerde omschrijving van dat concessiegebied.

In het licht van deze feiten is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat het gasvoorkomen Blijham valt binnen het concessiegebied. Uit de concessie, de daaropvolgende Koninklijke besluiten die de concessie hebben gewijzigd en de Memorie van Toelichting op de Mijnbouwwet (Tweede Kamer, 1998-1999, 26219, nr. 3) blijkt niet dat dit gasvoorkomen niet (langer) tot het concessiegebied zou behoren. De feiten dat kleine gasvoorkomens pas sinds 1974 worden geëxploiteerd, dat het gasvoorkomen Blijham niet in verbinding staat met het Groningenveld en dat het gasvoorkomen in Blijham niet is genoemd in bestaande winningsplannen acht de voorzieningenrechter in dit kader niet relevant. Die feiten brengen immers geen wijziging in het concessiegebied. De voorzieningenrechter volgt verzoekers dus niet in hun stelling dat de concessie alleen betrekking heeft op het Groningenveld.

7.2.2.

Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat uit de artikelen 3, 5, 7, 11 en 14 van de concessie en de oorspronkelijke Nota van Toelichting bij die concessie volgt dat de concessie zowel voor het verrichten van opsporings-, winnings- als ontginningswerkzaamheden binnen het concessiegebied is verleend.

Gelet op artikel 143, tweede lid, aanhef en onder a, van de Mijnbouwwet dient de concessie als een winningsvergunning in de zin van de Mijnbouwwet te worden beschouwd. Gelet op het bepaalde ingevolge artikel 1, aanhef en onder k, van de Mijnbouwwet wordt onder een winningsvergunning (ook) verstaan een vergunning voor het opsporen van delfstoffen. Derhalve is de voorzieningenrechter met verweerder van oordeel dat de (voorbereidende) werkzaamheden behorende bij de proefboring in Blijham zijn toegestaan op grond van de concessie. Verweerder heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien om op deze door verzoekers aangevoerde grond tot handhavend optreden over te gaan.

7.3.

In het licht van het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen.

8. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.A. Schaapsmeerders, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.