Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3688

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
18.930073-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Afpersing, strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation, dit is gekwalificeerd als afpersing. Dit is een zeer ernstig feit waarvan bekend is dat dit de direct betrokken slachtoffers angst aanjaagt en voorts, in breder verband, onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, met name gelet op het feit dat verdachte een (groot) mes heeft meegenomen om zijn bedreigingen kracht bij te zetten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f, 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Noord-Nederland

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

Parketnummer: 18/930073-15

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 juli 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 7 juli 2015.

Verdachte is verschenen en werd bijgestaan door mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.

De tenlastelegging

De verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd, dat

hij op of omstreeks 10 november 2014, te [pleegplaats] , bij het [tankstation] aan

de [weg 1] , met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld een persoon, genaamd

[slachtoffer] , heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan

verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat verdachte het tankstation is binnengegaan en/of daarbij, duidelijk

zichtbaar, een mes ter hand heeft genomen en/of daarbij die [slachtoffer]

de woorden heeft toegevoegd: "Geld. Geld. Snel anders steek ik je verrot en

dit is niet de eerste keer. Snel, snel, snel. Eerst het grote geld en doe het

in de plastic zak" en/of daarbij met dat mes op de balie heeft geslagen;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Ad informandum gevoegd strafbaar feit:

1. 930073-15, gepleegd in de nacht van 7 op 8 november 2014, [café snackbar] , aan de [weg 2] te [pleegplaats] : diefstal van kleingeld en een tweetal six-packs bier.

Kennelijke taal- en/of schrijffouten in de tenlastelegging worden geacht te zijn verbeterd. De verdachte is daardoor, blijkens het onderzoek ter terechtzitting, niet geschaad in de verdediging.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie, mr. A.M. de Vries, acht hetgeen is tenlastegelegd wettig en overtuigend bewezen en vordert dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, onder aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met het ad informandum gevoegde feit dat door verdachte ter zitting is bekend. De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie onttrekking aan het verkeer gevorderd.

De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard en hij noch zijn raadsman met betrekking tot dit feit vrijspraak heeft bepleit zal de rechtbank volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

 de aangifte van [slachtoffer]1;

 de verklaring van de verdachte ter terechtzitting dat hij op 10 november 2014 naar het [tankstation] aan de [weg 1] in [pleegplaats] is gegaan, dat hij een poos heeft staan wachten tot het rustig werd, dat hij toen naar binnen is gelopen, dat de mevrouw net uit het magazijn kwam, dat hij naar haar toe is gelopen met een mes in zijn hand, dat hij haar om geld heeft gevraagd, dat hij daarbij de woorden zoals tenlastegelegd heeft gebruikt, behalve de woorden “anders steek ik je verrot”, dat hij daarbij drie tot vier keer met het mes op de toonbank heeft geklopt, dat hij het mes had meegenomen om de medewerkster van het tankstation bang te maken en dat hij zag dat de mevrouw erg bang was. Verdachte zegt dat hij ongeveer

€ 800,- heeft buitgemaakt. Desgevraagd bevestigt verdachte dat hij zichzelf op de camerabeelden van het tankstation heeft herkend;

 het proces-verbaal uitkijken beelden camera’s [tankstation] , opgemaakt door [verbalisant]2.

Hetgeen de rechtbank bewezen acht

De rechtbank acht wettig bewezen en zij heeft de overtuiging verkregen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 november 2014, te [pleegplaats] , bij het [tankstation] aan de [weg 1] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld een persoon, genaamd [slachtoffer] , heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte het tankstation is binnengegaan en daarbij, duidelijk zichtbaar, een mes ter hand heeft genomen en daarbij die [slachtoffer]

de woorden heeft toegevoegd: "Geld. Geld. Snel anders steek ik je verrot en dit is niet de eerste keer. Snel, snel, snel. Eerst het grote geld en doe het in de plastic zak" en daarbij met dat mes op de balie heeft geslagen.

De rechtbank acht, gelet op de aangifte van [slachtoffer] en de context van de geuite bedreigingen, ook bewezen dat verdachte de woorden: “anders steek ik je verrot” heeft gebezigd.

De verdachte zal van het meer of anders tenlastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Het bewezen geachte levert op

Afpersing,

strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Strafbaarheid

De rechtbank acht de feiten en de verdachte strafbaar, omdat geen straf- en/of schulduitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden straf in aanmerking de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, hetgeen de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon van de verdachte, de eis van de officier van justitie, het pleidooi van de raadsman van de verdachte, de inhoud van de over verdachte uitgebrachte reclasseringsadviezen van Het Leger des Heils d.d. 26 maart 2015 en 2 juni 2015, alsmede de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 9 juni 2015.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation, dit is gekwalificeerd als afpersing. Dit is een zeer ernstig feit waarvan bekend is dat dit de direct betrokken slachtoffers angst aanjaagt en voorts, in breder verband, onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan, met name gelet op het feit dat verdachte een (groot) mes heeft meegenomen om zijn bedreigingen kracht bij te zetten.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, passend en geboden is. De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist gelet op verdachtes beperkte strafblad en zijn jeugdige leeftijd. Voor het opleggen van een deel van de straf in voorwaardelijke vorm acht de rechtbank geen termen aanwezig, nu toezicht of begeleiding vanuit de reclassering niet is geïndiceerd en verdachte heeft aangegeven geen problemen te hebben en geen behandeling nodig te hebben.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen goederen, te weten 2 stuks vuilniszakken (grijs) en 2 stuks handschoenen (grijs), vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit zijn aangetroffen en het goederen betreft met behulp van welke het feit is begaan.

De rechtbank is van oordeel dat de overige inbeslaggenomen goederen, te weten een shirt (zwart), een jas (zwart) en schoeisel (Lacoste Gympen kleur blauw), moeten worden teruggegeven aan verdachte, nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partij [slachtoffer]

heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert vergoeding van geleden immateriële schade ten bedrage van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht, die de rechtbank in redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 750,00. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen. Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal de rechtbank de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Schadevergoedingsmaatregel

Met betrekking tot het bewezen verklaarde feit acht de rechtbank de verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] naar burgerlijk recht tot een bedrag van € 750,00 aansprakelijk voor de schade, die door het strafbare feit is toegebracht.

Aan de verdachte zal de verplichting worden opgelegd dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft mede gelet op de artikelen 10, 24c, 27, 33, 33a, 36f en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank verklaart bewezen dat het tenlastegelegde, zoals hierboven is omschreven, door de verdachte is begaan en stelt vast dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals hierboven is vermeld en verklaart de verdachte deswege strafbaar.

De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

De rechtbank:

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen vuilniszakken en handschoenen.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven kleding en schoenen (een shirt (zwart), een jas (zwart) en schoeisel (Lacoste Gympen kleur blauw).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 november 2014.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 750,- (zegge: zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag betreft geleden immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, en mrs. E. Läkamp en A. Heidekamp, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 21 juli 2015.

1 Pag 001-003 van het proces-verbaal van de politie Eenheid Noord-Nederland, DRN District Zuidwest, DRN Unit Recherche Zuidwerst, met nummer PL0100-2014145924-1;

2 Pag 011 e.v. van voornoemd proces-verbaal;