Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3654

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
3806085 \ CV EXPL 15-689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst, betalingstermijn, verbeurde contractuele boetes.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 3806085 \ CV EXPL 15-689

vonnis van de kantonrechter van 28 juli 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap

DE ZORGZAAK HOLDING B.V.,

hierna te noemen: De Zorgzaak,

gevestigd te Hoogeveen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. L.C. van der Veer,

tegen

[gedaagde] ,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. E.Tj. van Dalen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 januari 2015 ;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in voorwaardelijke reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie;

- de akte uitlating producties van [gedaagde] .

1.2.

Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft met ingang van 15 maart 2008 voor de duur van vijf jaar de bedrijfsruimte staande en gelegen te Meppel aan het Kerkplein 17 verhuurd aan De Zorgzaak. Op die huurovereenkomst (hierna: de eerste huurovereenkomst) zijn de 'Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW', gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank te Den Haag op 11 juli 2003 en aldaar ingeschreven onder nummer 73/2003 (hierna: de AV 73/2003) van toepassing.

2.2.

In artikel 4.10. van de eerste huurovereenkomst is bepaald dat de uit hoofde van deze huurovereenkomst door huurder aan verhuurder te verrichten periodieke betalingen, zoals de huurprijs, in één bedrag bij vooruitbetaling in euro's verschuldigd zijn en vóór of op de eerste dag van de maand van de periode waarop de betalingen betrekking hebben volledig moeten zijn voldaan.

2.3.

In artikel 6 van de eerste huurovereenkomst is bepaald dat het in artikel 12.1. van de AV 73/2003 bedoelde bedrag van de door huurder te stellen bankgarantie tussen partijen wordt vastgesteld op € 7.140,-. Hieraan is voldaan door middel van storting van een contante borg door De Zorgzaak, conform artikel 9.1. van de eerste huurovereenkomst.

2.4.

In artikel 7 van de AV 73/2003 is bepaald:

Boetebepaling

7. Indien huurder zich, na door verhuurder behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, niet houdt aan de huurovereenkomst en de in deze algemene bepalingen opgenomen voorschriften, verbeurt huurder aan verhuurder, voor zover geen specifieke boete is overeengekomen, een direct opeisbare boete van

€ 250,00 per dag voor elke dag dat huurder in verzuim is. Het vorenstaande laat onverlet het recht van verhuurder op volledige schadevergoeding, voor zover de geleden schade de verbeurde boete overtreft.

In artikel 18 van de AV 73/2003 is bepaald:

Betalingen

18.1.

De betaling van de huurprijs en van al hetgeen verder krachtens deze huurovereenkomst is verschuldigd, zal uiterlijk op de vervaldata in wettig Nederlands betaalmiddel - zonder opschorting, korting, aftrek of verrekening met een vordering welke huurder op verhuurder meent te hebben - geschieden door storting dan wel overschrijving op een door verhuurder op te geven rekening.

(...)

18.2.

Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van

€ 300,00 per maand.

2.4.

De Zorgzaak heeft de eerste huurovereenkomst bij brief van 8 februari 2012 opgezegd tegen 14 maart 2013. Partijen hebben de huurrelatie na 14 maart 2013 echter voortgezet en met ingang van 16 december 2013 een nieuwe huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten (hierna: de tweede huurovereenkomst). Op die huurovereenkomst zijn van toepassing de 'Algemene bepalingen huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230A BW', gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank te Den Haag op 11 juli 2003 en aldaar ingeschreven onder nummer 72/2003 (hierna: de AV 72/2003).

2.5.

De tweede huurovereenkomst bevat in artikel 4.10. een gelijkluidende bepaling als in de eerste huurovereenkomst omtrent de betaling van de huurprijs. In artikel 6 van de tweede huurovereenkomst is bepaald dat het in artikel 12.1. van de algemene bepalingen bedoelde bedrag van de bankgarantie tussen partijen wordt vastgesteld op € 7.140,-.

2.6.

In artikel 7 van de AV 72/2003 is vermeld:

Boetebepaling

7. Indien huurder zich, na door verhuurder behoorlijk in gebreke te zijn gesteld, niet houdt aan de huurovereenkomst en de in deze algemene bepalingen opgenomen voorschriften, verbeurt huurder aan verhuurder, voor zover geen specifieke boete is overeengekomen, een direct opeisbare boete van

€ 250,00 per dag voor elke dag dat huurder in verzuim is. Het vorenstaande laat onverlet het recht van verhuurder op volledige schadevergoeding, voor zover de geleden schade de verbeurde boete overtreft.

In artikel 18 van de AV 72/2003 is bepaald:

Betalingen

18.1.

De betaling van de huurprijs en van al hetgeen verder krachtens deze huurovereenkomst is verschuldigd, zal uiterlijk op de vervaldata in wettig Nederlands betaalmiddel - zonder opschorting, korting, aftrek of verrekening met een vordering welke huurder op verhuurder meent te hebben - geschieden door storting dan wel overschrijving op een door verhuurder op te geven rekening.

(...)

18.2.

Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege per kalendermaand vanaf de vervaldag van dat bedrag een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt, met een minimum van

€ 300,00 per maand.

2.7.

[gedaagde] heeft De Zorgzaak ter zake de betaling van de onder de beide huurovereenkomsten verschuldigde huurtermijnen iedere maand een factuur toegezonden, waarop was vermeld 'Gelieve het factuurbedrag binnen 30 dagen na factuurdatum te voldoen'.

2.8.

Gedurende het bestaan van de eerste en de tweede huurovereenkomst heeft De Zorgzaak de maandelijks verschuldigde huursom zeer frequent pas ná de eerste dag van de betreffende maand voldaan.

2.9.

[gedaagde] heeft De Zorgzaak bij brief van 20 februari 2014 met als onderwerp 'Betaling factuurnummer 80' bericht:

"In tegenstelling met wat op de factuur staat, verzoek ik U de huur uiterlijk 28 februari te betalen conform de huurovereenkomst. Kopie van de factuur bijgevoegd."

2.10.

De tweede huurovereenkomst van partijen is in juni 2014 geëindigd.

2.11.

[gedaagde] heeft de door De Zorgzaak afgegeven bankgarantie ad € 7.140,- geïnd op 23 september 2014.

2.12.

Tussen partijen is eerder een procedure aanhangig geweest bij de kantonrechter van de locatie Assen van deze rechtbank. In deze procedure heeft [gedaagde] van De Zorgzaak betaling gevorderd van een bedrag van € 121.500,- in hoofdsom aan verbeurde contractuele boetes, met rente en kosten. Aan die vordering heeft [gedaagde] toen, blijkens het vonnis van de kantonrechter van 30 december 2014, - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat De Zorgzaak in de periode 2009/2014, ondanks ingebrekestelling ex artikel 7 AV 72/2003, constant de huur te laat heeft betaald, waardoor [gedaagde] op grond van artikel 7 van de AV 72/2003 gerechtigd was om een boete van € 250,00 per dag dat niet tijdig is betaald aan De Zorgzaak in rekening te brengen. De Zorgzaak heeft een tegenvordering in reconventie ingesteld jegens [gedaagde] , strekkende tot (terug)betaling van het bedrag van de bankgarantie, met rente en kosten.

2.13.

In haar vonnis van 30 december 2014 heeft de kantonrechter de vordering van [gedaagde] in conventie afgewezen en De Zorgzaak niet-ontvankelijk verklaard in haar tegenvordering in reconventie. Daartoe is in dit vonnis overwogen:

12. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van [gedaagde] niet toewijsbaar is en overweegt daartoe het volgende. [gedaagde] baseert haar vordering expliciet en uitsluitend op artikel 7 AV 72/2003. Daargelaten dat, gelet op het gestelde in de huurovereenkomst, die bepaling voor de periode tot 16 december 2013 niet van toepassing is, is de kantonrechter van oordeel dat de 'boetebepaling' van artikel 7 AV 72/2003 niet van toepassing is op de huurbetalingsverplichting. Voor die verplichting is een bijzondere boetebepaling opgenomen in de AV 72/2003, en wel in artikel 18. Artikel 18 is derhalve een zogenoemde 'lex specialis'. Dat het [gedaagde] - anders dan zij (veronder)stelt - niet vrijstaat een keuze tussen die twee boetebepalingen te maken, volgt niet alleen daaruit, maar tevens uit het feit dat in artikel 72/2003 expliciet is bepaald dat die bepaling alleen van toepassing is "voor zover geen specifieke boete is overeengekomen". Dat nu is als gevolg van artikel 18 voor - onder andere - de huurbetalingsverplichting wel het geval.

(…)

16. De kantonrechter overweegt dat ingevolge artikel 137 Rv de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord moet worden ingediend. Vaststaat dat dit niet is geschied. Gelet daarop is de kantonrechter van oordeel dat De Zorgzaak niet ontvankelijk verklaard moet worden. (…)

2.14.

Beide partijen zijn in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de kantonrechter bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De procedure in hoger beroep loopt thans nog.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De Zorgzaak vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 7.140,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 23 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, alsook in de nakosten, met bepaling dat indien deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het vonnis zijn betaald, [gedaagde] daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening.

in reconventie

3.2.

[gedaagde] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, De Zorgzaak veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 17.400,-, waarvan een bedrag van

€ 7.140,- voorwaardelijk is, in verband met het beroep van [gedaagde] in conventie op verrekening met het in conventie door De Zorgzaak gevorderde, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van het nemen van de conclusie van eis in reconventie, en met veroordeling van De Zorgzaak in de kosten van het geding.

4 Het standpunt van De Zorgzaak

in conventie

4.1.

De Zorgzaak legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] ten onrechte de bankgarantie heeft geïnd, nu er een oplevering van het gehuurde heeft plaatsgevonden zonder dat dit heeft geleid tot enige opmerking van de zijde van [gedaagde] . [gedaagde] kon De bankgarantie ook niet innen vanwege verbeurde boetes uit hoofde van te late betalingen van de huursom, aangezien De Zorgzaak immer de huur heeft betaald binnen de door [gedaagde] in de huurfacturen gestelde termijn van 30 dagen. Aldus is De Zorgzaak nooit enige boete aan [gedaagde] verschuldigd geworden. Bij brief van 6 oktober 2014 heeft de gemachtigde van De Zorgzaak [gedaagde] aangesproken op deze onrechtmatige inning van de bankgarantie, waarop niet is gereageerd. Er is al met al sprake geweest van onverschuldigde betaling aan [gedaagde] . In de eerdere gerechtelijke procedure tussen partijen heeft De Zorgzaak deze vordering ook ingediend, maar is deze door de kantonrechter vanwege het te late tijdstip van indiening niet-ontvankelijk geacht. Daarom stelt De Zorgzaak de vordering thans wederom in.

in reconventie

4.2.

De Zorgzaak betwist de vordering van [gedaagde] . Daartoe voert zij het volgende aan.

4.3.

Bij vonnis van 30 december 2014 heeft de kantonrechter reeds vastgesteld dat De Zorgzaak géén boetes aan [gedaagde] verschuldigd is. In onderhavige procedure eist [gedaagde] andermaal betaling van boetes uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding. Dit is volgens De Zorgzaak in strijd met de eisen van een goede procesorde. Te meer vanwege het feit dat er ook nog een procedure in hoger beroep loopt tegen het eerdere vonnis over (vermeend) door De Zorgzaak verbeurde boetes vanwege te late huurbetaling. Indien [gedaagde] in onderhavige procedure haar vordering in reconventie toegewezen zou zien en het gerechtshof zou de eerdere vordering van [gedaagde] (alsnog) honoreren, dan krijgt [gedaagde] twee keer boetes toegewezen op grond van exact dezelfde rechtsverhouding.

4.4.

Voor zover de kantonrechter wél inhoudelijk over de vordering van [gedaagde] zou oordelen, stelt De Zorgzaak dat het door [gedaagde] gedane beroep op verrekening rechtens niet mogelijk is. Bovendien wordt de verrekening door De Zorgzaak niet aanvaard, als bedoeld in artikel 6:132 BW.

4.5.

De Zorgzaak heeft gedurende de looptijd van de huurrelatie de huurpenningen steeds betaald op grond van facturering door [gedaagde] , in welke facturen was vermeld dat het factuurbedrag binnen 30 dagen na factuurdatum moet worden voldaan. De facturen zijn telkens betaald vóór de daarin vermelde expiratiedatum. Aldus heeft De Zorgzaak altijd tijdig aan [gedaagde] betaald. Enige contractuele boete vanwege te late huurbetaling is zij mitsdien niet verschuldigd geworden. Voor zover De Zorgzaak niet tijdig heeft betaald conform de betalingstermijn genoemd in de huurovereenkomst, heeft [gedaagde] dat aan zichzelf te wijten door het zenden van genoemde facturen.

4.6.

Voor zover De Zorgzaak enige boete aan [gedaagde] verschuldigd zou zijn geworden uit hoofde van de eerste huurovereenkomst, had het op de weg van [gedaagde] gelegen om bij gelegenheid van het aangaan van de tweede huurovereenkomst kenbaar te maken dat zij meende nog recht te hebben op verbeurde boetes uit hoofde van de eerste huurovereenkomst. Nu [gedaagde] dat heeft nagelaten, heeft zij haar recht ter zake verbeurde boetes uit hoofde van de eerste huurovereenkomst verwerkt.

4.7.

In verband met de toepasselijke verjaringstermijn staat verjaring aan inning van boetes die vijf jaar geleden opeisbaar waren in de weg.

4.8.

Ten slotte stelt De Zorgzaak dat zij altijd een degelijke en betrouwbare huurder is geweest. Zij heeft nimmer een betalingsachterstand laten ontstaan. Ook de gelegenheid om met de dalende huurprijzen in de detailhandelssector opnieuw te gaan onderhandelen over de huurprijs heeft zij niet aangegrepen. Deze omstandigheden rechtvaardigen, zo er enige contractuele boetes verschuldigd zouden zijn, dat deze op de voet van artikel 6:94 lid 1 BW tot nihil of een enkele termijn worden gematigd.

5 Het standpunt van [gedaagde]

in conventie

5.1.

[gedaagde] betwist de vordering van De Zorgzaak. [gedaagde] stelt daartoe dat zij gerechtigd was om de bankgarantie te innen, nu De Zorgzaak contractuele boetes aan [gedaagde] verschuldigd was geworden in verband met zeer frequente te late betaling van de maandelijks verschuldigde huursom. Derhalve is [gedaagde] niet gehouden om het bedrag van de geïnde bankgarantie aan De Zorgzaak terug te betalen. [gedaagde] doet in conventie een beroep op verrekening van het bedrag van de bankgarantie met het openstaande boetebedrag van € 17.400,-.

in reconventie

5.2.

[gedaagde] vordert betaling van door De Zorgzaak verschuldigde boetes in verband met structurele te late betaling van de contractueel bij vooruitbetaling vóór of per de eerste van de maand verschuldigde huursom door De Zorgzaak. De omstandigheid dat op de aan De Zorgzaak door [gedaagde] toegezonden huurfacturen een betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum vermeld stond, deed volgens [gedaagde] niet af aan de verplichting van De Zorgzaak om de huursom elke maand vóór of de eerste dag van iedere huurperiode te voldoen. Deze huurfacturen zijn louter als "service van de zaak" aan De Zorgzaak toegestuurd. Overigens heeft De Zorgzaak óók niet altijd voldaan aan betaling van de huur binnen de in de facturen genoemde termijn van binnen dertig dagen na factuurdatum.

5.3.

Krachtens artikel 18 lid 2 van de AV 73/2003 (eerste huurovereenkomst) en de AV 72/2003 (tweede huurovereenkomst) mag [gedaagde] voor iedere te late huurbetaling een bedrag van € 300,00 per maand aan boete in rekening brengen aan De Zorgzaak. Dat komt voor de eerste huurovereenkomst neer op 53 te laat betaalde huurtermijnen x € 300,00 =

€ 15.900,00 aan boetes. Voor de tweede huurovereenkomst komt het neer op 5 te laat betaalde huurtermijnen x € 300,00 = € 1.500,00 aan boetes. Derhalve is De Zorgzaak in totaal aan boetes een bedrag van € 17.400,00 aan [gedaagde] verschuldigd. Van verjaring van de vordering ter zake voormelde boetes is geen sprake.

5.4.

[gedaagde] is gerechtigd om de vordering uit hoofde van verschuldigde boetes opnieuw in te stellen. In het civiele recht geldt niet het ne bis in idem beginsel. Daarbij komt dat de kantonrechter in haar vonnis van 30 december 2014 geen inhoudelijk oordeel over de vordering heeft gegeven, maar deze op formele gronden heeft afgedaan omdat de juridische grondslag van de vordering ondeugdelijk was. In de onderhavige procedure heeft [gedaagde] deze grondslag beter uiteengezet. Het vonnis van de kantonrechter heeft bovendien nog geen (definitief) gezag van gewijsde, vanwege het daartegen ingestelde en nog lopende hoger beroep.

5.5.

De vordering in reconventie is deels voorwaardelijk ingesteld, voor het geval het in conventie gedane beroep op verrekening wordt gehonoreerd. In dat geval kan de vordering in reconventie voor een bedrag van € 7.140,00 niet worden toegewezen. Het meerdere boven het bedrag van € 7.140,00 wordt onvoorwaardelijk gevorderd.

5.6.

Voor matiging van de verschuldigde boetes bestaat geen aanleiding. Er is sprake van een huurovereenkomst tussen twee professionele partijen, waarbij de tekst van de huurovereenkomst over het tijdstip van betaling van de huursom volstrekt duidelijk is. De Zorgzaak heeft zich daarvan echter niets aangetrokken en betaalde de huursom structureel te laat aan [gedaagde] . Artikel 18.2. van de AV 72/2003 en de AV 73/2003, waarop de gevorderde boetes zijn gebaseerd, leveren qua hoogte van de boete een redelijke verhouding op tussen de ernst en mate van de overtreding en het boetebedrag.

6 De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

6.1.

Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie zal de kantonrechter deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.

6.2.

Anders dan De Zorgzaak (veronder)stelt, staat de goede procesorde er niet aan in de weg dat bij de kantonrechter nogmaals een procedure wordt gevoerd over een rechtsverhouding - in dit geval de verschuldigdheid van boetes uit hoofde van huurovereenkomsten tussen partijen - waarover de kantonrechter reeds eerder een oordeel heeft gegeven. Gezag van gewijsde van het vonnis van de kantonrechter van 30 december 2014 is in dit geval niet aan de orde, omdat dit vonnis - vanwege het daartegen ingestelde en thans nog lopende hoger beroep - (nog) geen kracht van gewijsde heeft. Buiten het leerstuk van het gezag van gewijsde kan een vordering niet worden afgewezen, enkel op de grond dat over dezelfde rechtsverhouding al eerder is geprocedeerd. Het civiele procesrecht kent bovendien niet het ne bis in idem beginsel (vgl. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 juni 2014, ECLI:GHARL:2014:5096). Ten slotte is van belang dat de boetes vanwege te late huurbetaling(en) in de eerdere procedure (slechts) werden gevorderd met een beroep op een ander artikel uit de AV 72/2003 en 73/2003, namelijk artikel 7, terwijl in de onderhavige procedures de boetes (enkel) worden gebaseerd op artikel 18 lid 2 van die zelfde voorwaarden. Tegen deze achtergrond kan [gedaagde] in haar vordering in reconventie worden ontvangen.

6.3.

De kantonrechter zal eerst ingaan op het verweer van De Zorgzaak dat partijen een afwijkende betalingstermijn - binnen dertig dagen na factuurdatum - zijn overeengekomen, in plaats van de in de respectievelijke huurovereenkomsten vermelde betaling vóór of op de eerste dag van iedere nieuwe betalingsperiode. Dit verweer treft doel. Uitgangspunt is dat partijen in zowel de eerste als de tweede huurovereenkomst zijn overeengekomen dat de huursom betreffende iedere maand door De Zorgzaak vóór of uiterlijk op de eerste dag van iedere maand dient te worden voldaan. Echter, vast staat dat [gedaagde] structureel aan De Zorgzaak facturen heeft gestuurd, waarbij de huur voor een bepaalde maand in rekening werd gebracht én waarop telkens vermeld stond 'Gelieve het factuurbedrag binnen 30 dagen na factuurdatum te betalen'. Daarmee heeft [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter aan de Zorgzaak een aanbod voor een van de beide huurovereenkomsten afwijkende betalingstermijn gedaan. Dit aanbod is (stilzwijgend) door De Zorgzaak aanvaard, door - naar zij onbetwist heeft gesteld - zich bij het doen van haar betalingen naar déze betalingstermijn te richten. Dientengevolge kon [gedaagde] zich naar het oordeel van de kantonrechter jegens De Zorgzaak niet meer beroepen op de aanvankelijk overeengekomen betalingsdatum van vóór of op de eerste dag van iedere betalingsperiode. Er is, kortom, een nieuwe vervaldatum voor de huurbetaling overeengekomen. In het verlengde daarvan komt de kantonrechter tot het oordeel dat - behoudens één concreet geval - niet is gebleken dat er, binnen de afspraken die partijen nader hebben gemaakt, sprake is van te late huurbetalingen door De Zorgzaak. Genoemd geval betreft de sub. 23 van de conclusie van dupliek in reconventie aangehaalde maand januari 2014. Wat daar ook van zij, [gedaagde] heeft niet (óók) aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat, uitgaande van de betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum, er huurbetalingen te laat door De Zorgzaak zouden zijn gedaan, die het verbeuren van boetes tot gevolg zouden hebben. Concluderend heeft De Zorgzaak in het geheel geen boetes verbeurd als bedoeld in artikel 18.2. van de AV 72/2003 en de AV 73/2003 en ontvalt de grondslag aan de vordering van [gedaagde] in reconventie.

6.4.

De vordering in reconventie zal mitsdien worden afgewezen. Tevens treft het in conventie door [gedaagde] gedane beroep verrekening geen doel.

6.5.

Gelet op het vorenstaande behoeven de overige weren van De Zorgzaak tegen de in reconventie gevorderde boetes geen bespreking meer.

6.6.

De vordering van De Zorgzaak in conventie is gebaseerd op de stelling dat [gedaagde] ten onrechte de door De Zorgzaak aan [gedaagde] verstrekte bankgarantie heeft geïnd, nu er geen sprake is geweest van te late huurbetalingen en derhalve ook niet van verbeurde boetes.

6.7.

Uit hetgeen hiervoor sub 6.3. is overwogen, vloeit voort dat aan [gedaagde] géén vordering op De Zorgzaak uit hoofde van verbeurde boetes wegens te late huurbetalingen toekomt. Dat betekent dat [gedaagde] ten onrechte de bankgarantie heeft geïnd. Aldus is er zonder rechtsgrond door De Zorgzaak aan [gedaagde] betaald, waarmee sprake van een onverschuldigde betaling van De Zorgzaak als bedoeld in artikel 6:203 BW. [gedaagde] is dan ook gehouden om het ten onrechte geïnde bedrag van de bankgarantie, ad € 7.140,-, aan De Zorgzaak terug te betalen. De daartoe strekkende vordering in conventie is daarmee toewijsbaar.

6.8.

Met betrekking tot de door De Zorgzaak gevorderde wettelijke handelsrente over het onverschuldigd geïnde bedrag overweegt de kantonrechter als volgt. Wettelijke handelsrente is alleen van toepassing op betalingsverplichtingen uit hoofde van handelsovereenkomsten en derhalve niet op vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling (een verbintenis uit de wet). De wettelijke rente is wél toewijsbaar. Tussen partijen is in confesso dat de grondslag voor de terugbetaling van de bankgarantiesom is gelegen in onverschuldigde betaling. Het betreft ongedaanmaking van een verrichte prestatie. Nu uit de stellingen van De Zorgzaak niet voortvloeit dat [gedaagde] het beroep op de bankgarantie te kwader trouw heeft gedaan, is ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:205, 6:85 en 6:82 BW pas wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat De Zorgzaak [gedaagde] tot terugbetaling van de bankgarantie heeft gesommeerd (vgl. gerechtshof Den Haag, 13 maart 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV8726). Vast staat dat de sommatie waarbij aan [gedaagde] een termijn van zeven dagen is verstrekt om het geïnde bedrag terug te storten, dateert van 6 oktober 2014. [gedaagde] is niet tot terugbetaling overgegaan, waarmee zij in verzuim is geraakt. De wettelijke rente is aldus verschuldigd vanaf 14 oktober 2014.

6.8.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in conventie en in reconventie worden veroordeeld.

6.8.1.

De proceskosten in conventie worden vastgesteld op:

- dagvaardingskosten € 79,47

- vast recht € 466,00

- salaris advocaat € 500,00 (2 punten x tarief € 250,00)

--------------

€ 1.045,77.

6.8.2.

De proceskosten in reconventie worden vastgesteld op € 300,00 (2 punten x € 300,00 x 0,5).

6.9.

De gevorderde nakosten worden vastgesteld op het in kantonzaken gehanteerde maximale tarief van € 100,00.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan De Zorgzaak van een bedrag van € 7.140,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening;

2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van De Zorgzaak vastgesteld op € 1.045,77 en veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, vastgesteld op € 100,00, onder bepaling dat [gedaagde] de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn indien zij de kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan, vanaf het verstrijken van deze termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

4. wijst de vordering van [gedaagde] af;

5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van De Zorgzaak vastgesteld op € 300,00;

6. verklaart het vonnis voor wat betreft de sub 5. genoemde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2015.

typ/conc: 744/MP

coll: