Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3651

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-07-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1314
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:7298, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. De diensten van eiseres houden niet meer in dan het passief ter beschikking stellen van ligplaatsen in een jachthaven. Deze diensten kwalificeren niet als het gelegenheid geven tot sportbeoefening. Het verlaagde tarief van 6% mist toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/103
V-N 2016/9.3.2
FutD 2016-0130
NTFR 2016/663 met annotatie van mr. J. Sanders jr.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/1314

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 7 juli 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Zwolle, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

Eiseres heeft over het tijdvak maart 2013 aangifte voor de omzetbelasting gedaan. Het in de aangifte opgenomen verschuldigde bedrag van € 34.357 heeft eiseres op 25 april 2013 voldaan. Tegen deze voldoening op aangifte heeft eiseres bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 31 januari 2014 is verweerder gedeeltelijk aan het bezwaar van eiseres tegemoet gekomen en is een vermindering verleend van € 36.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 februari 2015. Namens eiseres zijn verschenen de voorzitter van haar bestuur [naam] en haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] en [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiseres exploiteert een jachthaven in [P] . Zowel leden van eiseres als ook passanten kunnen een ligplaats in de jachthaven huren. Eiseres heeft twee havenmeesters in dienst. In de jachthaven liggen zowel zeil- als motorboten.

1.2.

De inkomsten van eiseres bestaan onder andere uit liggelden van haar leden en van passanten. Deze liggelden worden betaald voor onder meer de volgende activiteiten die in de jachthaven plaatsvinden:

  • -

    het gebruik kunnen maken van ligplaatsen;

  • -

    het gebruik kunnen maken van de steigers;

  • -

    het toezicht (bewaking en ordehandhaving door middel van camerabewaking en havenmeesters);

  • -

    het gebruik maken van toiletten;

  • -

    het gebruik maken van douches;

  • -

    het kunnen tanken van water voor aan boord (watervoorziening);

  • -

    het laden van elektra voor aan boord;

  • -

    aanwezigheid van EHBO/BHV voor ongelukken en noodgevallen;

  • -

    het gebruik maken van afvaldepots (diverse soorten in verband met milieuvereisten);

  • -

    het gebruik maken van groenvoorziening voor diverse doeleinden (bijvoorbeeld het drogen en repareren van zeilen en andere onderdelen);

  • -

    het gebruik maken van opslaglocaties;

  • -

    het gebruik maken van diverse apparatuur ten behoeve van onderhoud en reparaties;

  • -

    en diverse andere faciliteiten die in een jachthaven gebruikelijk zijn.

1.3.

Eiseres organiseert ook zeillessen en -wedstrijden. Het deelnemen hieraan vindt plaats tegen een aparte – niet in de liggelden begrepen – vergoeding.

1.4.

In maart 2013 bedroeg de netto omzet uit liggelden van leden en liggelden van passanten (exclusief omzetbelasting) € 165.003, waarvan 2/3 betrekking heeft op liggelden ter zake van zeilboten en 1/3 op liggelden ter zake van motorboten. Eiseres heeft hierover in haar in het procesverloop vermelde aangifte een bedrag van € 34.651 (21%) aan omzetbelasting aangegeven en per saldo – rekening houdend met overige omzet en vooraftrek – een bedrag van € 34.357 op aangifte voldaan.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of met betrekking tot de vergoeding voor het ter beschikking stellen van een ligplaats het verlaagde tarief van 6% kan worden toegepast in plaats van het algemene tarief van 21%. Partijen verschillen niet van mening over de cijfermatige uitwerking van elkaars standpunten.

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij met het ter beschikking stellen van een ligplaats het recht verleent gebruik te maken van een sportaccommodatie. Zij beroept zich daarbij in eerste instantie op de Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: Btw-richtlijn), met name post 14 van Bijlage III van de Btw-richtlijn. Volgens eiseres dient de jachthaven te worden aangemerkt als een sportaccommodatie. Het liggeld wordt niet alleen betaald voor de ter beschikkingstelling van de ligplaats, maar tevens voor tal van bijkomende activiteiten en faciliteiten (zie 1.2.), aldus eiseres. Eiseres verwijst daarbij met name naar het zeilschool-arrest van de Hoge Raad van 2 december 2011 (nr. 10/02778, ECLI:NL:HR:2011:BP8938). Het liggeld wordt betaald voor het ter beschikking stellen van een sportaccommodatie van waaruit de deelnemers vertrekken en waar zij ook weer terugkomen en zich verzorgen. Dit kwalificeert als het recht gebruik te maken van een sportaccommodatie in de zin van post 14 van Bijlage III van de Btw-richtlijn, waardoor het verlaagde tarief van 6% van toepassing is, aldus eiseres.

4. Verweerder stelt zich op het primaire standpunt dat de terbeschikkingstelling van een ligplaats niet is aan te merken als het gelegenheid geven tot sportbeoefening. De prestatie die eiseres verricht beperkt zich tot de jachthaven. De diensten die eiseres noemt (zie 1.2) zien niet op sportbeoefening. De jachthaven kan niet worden aangemerkt als sportaccommodatie, omdat er in de jachthaven niet actief wordt gesport. Verweerder wijst er in dit verband op dat de het geven van gelegenheid tot sportbeoefening (tekst post b.3 van Tabel I bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB)) dezelfde reikwijdte heeft als het recht gebruik te maken van een sportaccommodatie (BTW-richtlijn). De terbeschikkingstelling van een ligplaats moet worden aangemerkt als de terbeschikkingstelling van een parkeerruimte voor voertuigen, waarop het algemene tarief van toepassing is. Verweerder verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 3 maart 2005 (zaak C-428/02, Fonden Marselisborg), waarin is bepaald dat de korte en lange verhuur van ligplaatsen voor boten is aan te merken als de verhuur van parkeerruimte.

Subsidiair stelt verweerder dat de terbeschikkingstelling van een ligplaats voor motorboten niet kan worden aangemerkt als sportbeoefening en dat post b.3 van Tabel I in ieder geval hierop toepassing mist. Anders dan bij het zeilen is er bij het varen met een motorboot geen sprake van actieve sportbeoefening, aldus verweerder.

5. De rechtbank stelt voorop, dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat post b.3 van tabel I, behorend bij de Wet OB, met de omschrijving ‘het geven van gelegenheid tot sportbeoefening’, zo moet worden uitgelegd dat de reikwijdte daarvan samenvalt met de reikwijdte van (thans) post 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn, waarin als omschrijving is opgenomen ‘het recht gebruik te maken van sportaccommodaties’. De Hoge Raad overwoog in dit verband in rechtsoverweging 3.3 van zijn arrest van 6 april 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW0934):

“Zoals volgt uit de arresten van de Hoge Raad van 10 augustus 2007, nr. 43169, LJN AZ3758, BNB 2007/277, van 2 december 2011, nr. 10/02778, LJN BP8938, BNB 2012/30, en van 2 december 2011, nr. 11/00311, LJN BU6507, BNB 2012/31, moet post b.3 van tabel I zo worden uitgelegd dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is op het verlenen van ‘het recht gebruik te maken van sportaccommodaties’. Van dergelijke diensten is sprake, indien de dienstverlening bestaat uit het gelegenheid bieden een sport te beoefenen onder terbeschikkingstelling van een accommodatie. Het moet daarbij gaan om een accommodatie die is ingericht op het beoefenen van de sport zelf en/of wordt gebruikt voor het verblijf van de deelnemers met het oog op het zich gereed maken voor het beoefenen van de sport en/of het beëindigen daarvan. Uit de hiervoor vermelde arresten volgt verder dat het niet uitmaakt dat het eigenlijke sporten geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op een openbare weg of een openbaar terrein mits daarbij sprake is van terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie.”

6. De rechtbank overweegt dat uit dit arrest volgt dat voor de toepasbaarheid van het verlaagde tarief dient te worden voldaan aan twee cumulatieve vereisten, te weten: 1) het ter beschikking stellen van een accommodatie en 2) het bieden van gelegenheid tot sportbeoefening.

7. De rechtbank overweegt dat op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de jachthaven op zichzelf zou kunnen worden aangemerkt als een accommodatie in de onder 5. bedoelde zin. Weliswaar is de jachthaven niet ingericht op het beoefenen van de sport zelf (en is het ook niet gebruikelijk dat de sportbeoefening in de jachthaven zelf plaatsvindt), maar de jachthaven zou gebruikt kunnen worden voor het verblijf van deelnemers met het oog op het zich gereed maken voor de beoefening van de watersport en/of het beëindigen daarvan. De omstandigheid dat het eigenlijke sporten geheel of gedeeltelijk plaatsvindt op het openbare water doet daaraan niet af.

8. Zoals uit het bij 6. overwogene volgt is voor toepassing van het verlaagde tarief echter niet enkel vereist dat een accommodatie ter beschikking wordt gesteld, maar tevens dat de dienstverlening van eiseres dient te bestaan uit het gelegenheid bieden een sport te beoefenen.

De dienstverlening van eiseres waarop het liggeld ziet, bestaat uit het aanbieden van verschillende activiteiten en faciliteiten (zie 1.2.), maar deze houden naar het oordeel van de rechtbank geen, althans onvoldoende, verband met de eigenlijke sportbeoefening. Eiseres organiseert wel zeillessen en -wedstrijden, waaraan volgens eiseres overigens slechts 20% van de leden meedoet, maar voor deze activiteiten vraagt eiseres een aparte vergoeding (zie 1.3). Deze activiteiten staan daardoor los van het ter beschikking stellen van een ligplaats.

9. Naast de in 1.2. omschreven activiteiten en faciliteiten levert eiseres – in het kader van de ontvangen liggelden – geen diensten die op de eigenlijke watersport zijn gericht. De diensten van eiseres houden dus niet meer in dan het passief ter beschikking stellen van ligplaatsen in een jachthaven. Naar het oordeel van de rechtbank kan onder deze omstandigheden de door eiseres verrichte prestatie niet worden aangemerkt als 'het geven van gelegenheid tot sportbeoefening in de hiervoor bedoelde zin. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de onderhavige situatie op dit punt afwijkt van de situatie in het zeilschoolarrest (reeds eerder aangehaald), waarin sprake was van een zeilschool die, onder ter beschikkingstelling van een aan haar in gebruiksrecht gegeven jachthaven, zeillessen aanbood.

10. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de dienstverlening van eiseres, waarvoor het liggeld wordt vergoed, uitsluitend ziet op het ter beschikking stellen van een ligplaats in haar jachthaven met de daarbij behorende faciliteiten, en dat eiseres hiermee geen gelegenheid geeft tot de eigenlijke sportbeoefening onder terbeschikkingstelling van een sportaccommodatie. Post b.3 van Tabel I, behorend bij de Wet OB mist dan ook toepassing op het door eiseres ontvangen liggeld. Nu de Hoge Raad (zie onder 5.) de post b.3 van Tabel I richtlijnconform heeft uitgelegd, kan eiseres’ (rechtstreekse) beroep op post 14 van Bijlage III bij de Btw-richtlijn haar evenmin baten. Op de omzet uit liggelden is derhalve terecht het algemene tarief van 21% toegepast.

11. Het subsidiaire standpunt van verweerder, namelijk dat het varen met een motorboot niet kan worden aangemerkt als sportbeoefening, kan gelet op het voorgaande in het midden blijven.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mr. G.B.A. Brummer en mr. T. Tanghe, leden, in aanwezigheid van mr. W. Kuik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

fn 62