Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3612

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
23-07-2015
Zaaknummer
18.830344-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een reeks strafbare feiten, waaronder twee ernstige geweldsdelicten en handel in harddrugs.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,63,141,417, geldigheid: 2015-07-22
Opiumwet 2,10, geldigheid: 2015-07-22
Wet wapens en munitie 13,26,55, geldigheid: 2015-07-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummers 18/830344-14, 18/830198-14, 18/930436-13, 18/089928-14, 18/202327-13, 18/221283-14 (ter terechtzitting gevoegd)

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

2 juli 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [verblijfplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Vlielander, advocaat te Utrecht.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.M. de Vries.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/830344-14

1.

hij op of omstreeks 10 november 2014 te [pleegplaats 1] opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,

ongeveer 0,122 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 13 oktober 2014 te [pleegplaats 1] opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 0,159 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

parketnummer 18/830198-14

1.

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, die [slachtoffer 1] (in het hoofd en de nek) heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, die [slachtoffer 1] (in het hoofd en de nek) heeft gestoken en gesneden, en die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, die [slachtoffer 2] (in de zij) heeft gestoken en gesneden, althans een of meer stekende bewegingen in de richting van (de zij van) die [slachtoffer 2] heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, in elk geval een scherp voorwerp, die [slachtoffer 2] (in de zij) heeft gestoken en gesneden, althans een of meer stekende bewegingen in de richting van (de zij van) die [slachtoffer 2] heeft gemaakt,

die [slachtoffer 2] (na een sprongbeweging) met kracht tegen de ribben heeft geschopt, en

die [slachtoffer 2] (met kracht) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 mei 2014 te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2] ) (met kracht) (na een sprongbeweging) tegen de ribben heeft geschopt, en heeft geslagen,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, in elk geval een vuurwapen, in de richting van die [slachtoffer 2]

[slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een pistool, in elk geval een vuurwapen, in de richting van die [slachtoffer 2] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 mei 2014 te [pleegplaats 1] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een pistool, in elk geval een vuurwapen, in die richting van die [slachtoffer 2] geschoten, althans een pistool/vuurwapen nabij/naast die [slachtoffer 2] afgeschoten;

4.

hij in of omstreeks de periode van 22 tot en met 23 mei 2014 te [pleegplaats 1] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen een wapen van categorie III, te weten een (semi automatisch) pistool (met open loop)(merk/type Ekol Volga), en munitie van categorie III, te weten een of meer (kogel)patronen (kaliber 9 mm knal omgebouwd), voorhanden heeft gehad;

parketnummer 18/930436-13

1.

hij op of omstreeks 17 september 2013 te [pleegplaats 2] , althans in de gemeente Assen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat 1] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] ;

2.

hij op of omstreeks 17 september 2013 te [pleegplaats 2] , althans in de gemeente Assen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat 1] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] , welk geweld bestond uit het stompen en/of slaan van en/of het geven van een knietje aan die [slachtoffer 4] ;

parketnummer 18/089928-14

1.

hij op of omstreeks 14 april 2014 te [pleegplaats 1] (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een balletjespistool, zijnde (een) voorwerp(en) vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 15 april 2014 te [pleegplaats 1] , in elk geval in Nederland, een bankpas, creditcard en/of rijbewijs heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van een bankpas, creditcard en/of rijbewijs wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 15 april 2014 te [pleegplaats 1] , in elk geval in Nederland, een bankpas, creditcard en/of rijbewijs heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van een bankpas, creditcard en/of rijbewijs redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

parketnummer 18/202327-13

hij op of omstreeks 06 november 2013 te [pleegplaats 1] opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 5] , brigadier van politie, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Ga weg flikker", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

parketnummer 18/221283-14

hij op of omstreeks 9 oktober 2014, te [pleegplaats 1] , opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde onder:

- 2 primair, subsidiair en meer subsidiair van parketnummer 18/830198-14;

- 3 primair en subsidiair van parketnummer 18/830198-14.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder:

- 1 en 2 van parketnummer 18/830344-14;

- 1 primair (in de zin van het medeplegen van een poging tot doodslag), 3 meer subsidiair en 4 van parketnummer 18/830198-14;

- 1 en 2 van parketnummer 18/930436-13;

- 1 en 2 primair van parketnummer 18/089928-14;

- parketnummer 18/202327-13;

- parketnummer 18/221283-14.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft op de hierna te noemen gronden vrijspraak bepleit van de feiten die door de verdachte worden ontkend.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen is ten laste gelegde onder:

- 2 van parketnummer 18/830344-14;

- 2 primair, subsidiair en meer subsidiair, 3 primair en subsidiair van parketnummer 18/830198-14;

- 2 primair van parketnummer 18/089928-14.

Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt hierbij ten aanzien van het onder 2 van parketnummer 18/830344-14 ten laste gelegde dat niet is te bewijzen dat het bolletje dat verdachte aan [persoon 1] heeft verkocht cocaïne bevatte, nu het goednummer van het door de politie geteste bolletje niet overeenkomt met het op de kennisgeving van inbeslagneming vermelde goednummer van het bolletje dat onder [persoon 1] in beslag is genomen.

De rechtbank overweegt hierbij ten aanzien van het onder 2 primair van parketnummer 18/089928-14 ten laste gelegde dat niet is te bewijzen dat verdachte op het moment van het verwerven of voorhanden krijgen van de goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, steeds zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 van parketnummer 18/830344-14 ten laste gelegde

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 november 2014, opgenomen op pagina 22 van dossier, nr. PL0100-2014145645, d.d. 25 november 2014, van de politie Noord-Nederland, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Op 10 november 2014, omstreeks 15.52 uur, zagen wij dat de blanke man met de witte pet en rode klep uit zijn broekzak geld pakte en dit overhandigde aan de ons ambtshalve bekende [verdachte] . Wij zagen dat [verdachte] iets uit zijn jaszak pakte en dit aan de blanke man met witte pet gaf.

Proces-verbaal van aanhouding d.d. 11 november 2014, opgenomen op pagina 4 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Wij waren op 10 november 2014 bezig met een drugsactie op [locatie] te [pleegplaats 1] en zagen in de [straat 2] een man lopen die voldeed aan het signalement van de blanke man met witte pet en rode klep. Wij hebben de man staande gehouden en aangehouden omstreeks 16.00 uur. Wij hoorden de man, genaamd [persoon 2] , zeggen: "Je mag het wel hebben hoor. Hier ik pak het wel voor je".

Proces-verbaal verdovende middelen d.d. 17 november 2014, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Het bolletje dat op 10 november 2014 onder [persoon 2] in beslag is genomen onder goednummer PL0100-2014145645-443278 (KVI, p. 24), met een netto gewicht van 0,122 gram, reageert met de MMC Cocaïne/Crack test positief op cocaïne.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 10 november 2014, opgenomen op pagina 8 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 2] :

(p. 10) Ik koop af en toe cocaïne. Ik koop dan 1 bolletje.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 van parketnummer 18/830344-14 ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu niet is aangetoond dat de betrokken afnemer het bolletje van verdachte heeft gekocht. Immers de afnemer, [persoon 2] , heeft verdachte niet als de verkoper van het onderhavige bolletje op foto herkend. Verder is naar de mening van de raadsman niet bewezen dat het in beslaggenomen bolletje cocaïne bevatte, nu een rapportage van het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI), waarin zulks is vastgesteld, ontbreekt.

De rechtbank overweegt dat verdachte door verbalisanten is herkend. Verder hebben verbalisanten in een omgeving, waarvan bekend is dat er veelvuldig in drugs wordt gehandeld, handelingen zien plaatsvinden tussen verdachte en de afnemer die sterk deden vermoeden dat er in drugs werd gehandeld. Verder heeft de afnemer kort nadat hij staande was gehouden verklaard dat hij zojuist cocaïne had gekocht en is bij hem een bolletje met daarin op cocaïne gelijkende stof aangetroffen. De rechtbank acht op grond hiervan bewezen dat het verdachte is geweest die het bolletje aan [persoon 2] heeft verkocht. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen.

Ten aanzien van vraag of het in beslag genomen bolletje al dan niet cocaïne heeft bevat, overweegt de rechtbank dat zij op basis van de positieve MMC test en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, de mogelijkheid dat het inbeslaggenomen bolletje geen cocaïne heeft bevat hoogst onwaarschijnlijk acht. Dat de samenstelling van de inhoud van het bolletje niet door het NFI is onderzocht, maakt dit niet anders. Het verweer van de raadsman wordt ook op dit punt verworpen.

Ten aanzien van het onder 1 primair van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde

Proces-verbaal van aangifte d.d. 17 mei 2014, opgenomen op pagina 16 e.v. van dossier, nr. 2014053253, d.d. 30 juni 2014, van de politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 17 mei 2014, omstreeks 00:05 uur, liep ik bij [straat 3] te [pleegplaats 1] en hoorde iemand roepen "homo homo". Ik hoorde die jongen ineens roepen "vieze turk". Ik zag dat hij een mes in zijn handen had en hij kwam daarmee dreigend op mij af lopen. Toen de jongen vlak voor mij stond zag ik dat hij met het mes naar mijn gezicht toe stak. Ik voelde het branden in mijn gezicht. U ziet ook nu een snee in mijn wang. Op datzelfde moment kwam er vanuit de [straat 4] een andere donkere jongen ook met een mes op mij af lopen. Ik zag dat die jongen weer met een mes op mij af kwam. Ik zag dat die jongen ook meerdere messteken naar mij maakte. Ik kon dat afweren maar ik ben wel geraakt in mijn nek.

Proces-verbaal van aangifte d.d. 17 mei 2014, opgenomen op pagina 26 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] :

Gisteravond, 16 mei 2014, omstreeks 23:30 uur, bevond ik mij in de [straat 4] te [pleegplaats 1] . Ik was samen met een vriend van mij, [slachtoffer 1] . Toen wij vanuit de [straat 5] de kruising over staken naar de [straat 4] zag ik een groepje Antillianen staan. Ik zag dat de magere man in zijn rechterhand een mes vast hield. Ik zag dat de forse man ook een mes in zijn hand hield. Ik zag dat ze alle twee op [slachtoffer 1] af liepen en met hem begonnen te vechten. Ik zag dat de beide mannen zwaaiende bewegingen maakten. Ik zag toen dat [slachtoffer 1] wel geraakt was in de hals en in zijn gezicht, kennelijk met een mes.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 juni 2014, opgenomen op pagina 2 van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Op 17 mei 2014 te 00:02 uur werd een hevig geëmotioneerde aangever [slachtoffer 1] aangetroffen.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015:

Ik was daar met [medeverdachte] aanwezig. Er werd gevochten.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 29 mei 2014, opgenomen op pagina 63 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte] :

(p. 64) Omdat de mannen op mij af bleven komen lopen heb ik "stekende bewegingen" gemaakt.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 primair van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van een poging tot doodslag dan wel zware mishandeling, nu niet is vast te stellen wanneer en hoe het letsel bij aangever is ontstaan en wat de gevolgen ervan geweest zouden kunnen zijn, nu zich daaromtrent geen medische verklaring in het dossier bevindt. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard over de aanwezigheid van een derde persoon die zich bij verdachte en de medeverdachte zou hebben bevonden en van wie de rol bij het feit onduidelijk is gebleven. Mocht de rechtbank bewezen achten dat er sprake is geweest van een steekpartij, dan is er naar de mening van de raadsman geen sprake geweest van medeplegen, gelet op de aangescherpte criteria ten aanzien van medeplegen van de Hoge Raad.

De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte aan het snijden van aangever met een mes schuldig heeft gemaakt. De rechtbank heeft geen reden om aan de verklaringen van aangever en getuige [slachtoffer 2] te twijfelen, mede nu deze worden ondersteund door de relatering van verbalisanten, inhoudende dat zij aangever kort na het incident in een hevig geëmotioneerde toestand hebben aangetroffen. Dit, terwijl verondersteld mag worden dat aangever, [slachtoffer 1] , wel het een en ander aan (uitgaans)geweld gewend is. Er bevinden zich bovendien geen stukken in het dossier die de verklaringen van aangever en getuige [slachtoffer 2] weerleggen. Evenmin is uit het dossier van een alternatief scenario gebleken, waarin een derde persoon een rol in het geweld zou kunnen hebben gespeeld. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen.

Op grond van de verklaringen van aangever en getuige [slachtoffer 2] acht de rechtbank tevens bewezen dat het handelen in een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte heeft plaatsgevonden. De bijdrage die verdachte aan het feit heeft geleverd is daartoe van voldoende gewicht geweest. Immers, nadat de medeverdachte als eerste met een mes de aanval op aangever had ingezet heeft verdachte zich vrijwel direct daarop ook met een mes in het geweld jegens aangever gemengd. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt verworpen.

De rechtbank is verder van oordeel dat, ondanks dat een medische verklaring omtrent het letsel van aangever in het dossier ontbreekt, vastgesteld kan worden dat sprake is geweest van een poging tot doodslag op aangever. Door aangever met een mes in de nek te snijden heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aangever dodelijk zou verwonden. De rechtbank acht deze kans aanmerkelijk nu verdachte door het snijden in de nek vitale lichaamsdelen van aangever had kunnen raken en het een feit van algemene bekendheid is dat er daardoor een aanmerkelijke kans is op het intreden van de dood. Het verweer van de raadsman wordt op dit punt verworpen.

Ten aanzien van het onder 3 meer subsidiair van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015;

- een proces-verbaal van aangifte d.d. 23 mei 2014, opgenomen op pagina 40 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van het onder 4 van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015;

- een proces-verbaal van aanhouding van [persoon 3] d.d. 23 mei 2014, opgenomen op pagina 149 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten;

- een proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 6 augustus 2014, nummer 01-2014055695, inhoudende de relatering van verbalisanten.

Bewijsoverweging ten aanzien het onder 4 van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is geweest van medeplegen, zodat verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 van parketnummer 18/930436-13 ten laste gelegde

Proces-verbaal van aangifte van het onder 1 ten laste gelegde d.d. 17 september 2013, opgenomen op pagina 407 e.v. van dossier, nr. 2013087658, d.d. 10 januari 2014, van de politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] :

Vandaag, 17 september 2013, ben ik met mijn broer [slachtoffer 4] naar de Mac Donalds in [plaats] gegaan om wat te eten. Wij zijn met hoge snelheid weggereden richting de carpoolplaats bij de A28. Ik zag dat [persoon 4] en een donkere jongen met halflang haar in een staart achter mij aanrenden. Ik ben gevallen en door [persoon 4] en de onbekende man in elkaar geschopt en geslagen. Toen ik omkeek zag ik dat [persoon 4] en de andere man mijn broertje aan het schoppen waren.

Proces-verbaal van aangifte van het onder 2 ten laste gelegde d.d. 17 september 2013, opgenomen op pagina 924 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van

[slachtoffer 4] :

(p. 926) Op het moment dat wij in de berm stil stonden, stapte mijn broer de auto uit en rende weg. Ik zag dat er vier tot vijf personen achter mijn broer aanrenden, hem inhaalden en op de grond werkten. Ik zag dat die personen op mijn broer begonnen in te slaan en te trappen. Ik zag dat dit met kracht gebeurde. Op het moment dat ik deze persoon wegtrok, zag ik dat die persoon mij wilde slaan. Ik zag dat die persoon mij wilde slaan, omdat diegene met zijn arm met kracht richting mijn hoofd ging en ik gelijk daarop volgend een klap op mijn achterhoofd voelde. Na deze klap, voelde ik nog een klap op mijn achterhoofd. Dit deed dit mij ook erg pijn. Ik zag en voelde toen dat die persoon mij bij mijn hoofd vast pakte met zijn beide handen op de achterkant van mijn hoofd. Ik zag toen dat diegene met zijn knie richting mijn hoofd ging. Op het moment dat ik dat knietje afweerde, voelde ik weer een klap op mijn achterhoofd.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 24 februari 2015, inhoudende de verklaring van [persoon 4] bij de rechter-commissaris:

[slachtoffer 3] was daar met zijn broertje, ik was daar, [medeverdachte] en twee vrienden van [medeverdachte] waren daar, dat waren [voornaam 1] en [voornaam 2] . De anderen zijn wel uit de auto geweest. Ik heb gevochten met [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] viel tijdens het vechten op de grond. Ik heb [slachtoffer 3] twee klappen gegeven. Hij hing aan mijn voeten en iemand heeft [slachtoffer 3] toen van mij afgetrapt.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 14 januari 2015, inhoudende de verklaring van [persoon 5] bij de rechter-commissaris:

[medeverdachte] was er ook bij. Iedereen sloeg.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 18 september 2013, opgenomen op pagina 427 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 1] :

Ik zag dat er zes mannelijke personen aan het vechten waren. Ik zag dat er een persoon op de grond lag. Om deze persoon stonden drie andere personen. Deze drie personen waren op de persoon die op de grond lag aan het schoppen.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 26 september 2013, opgenomen op pagina 432 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de verklaring van getuige [getuige 2] :

Ik zie dat een jongere jongen achterna wordt gezeten door één persoon. Ik zie dat twee jongens bij een andere jongen staan. Zij sloegen die andere jongen. De jongen kwam op de grond te liggen. Bij de twee jongens voegt zich ook de jongen die achter de jongere man aanrende. Met z'n drieën beginnen ze de jongen die op de grond lag te slaan en te schoppen. Ik zag voordat deze jongen op de grond lag, dat deze jongen door de twee personen werd geslagen en geschopt. lk zag dat ze met kracht sloegen en schopten. Toen de jongen op de grond lag zag ik, dat de lange persoon met de witte streep op de jas de jongen ook met kracht schopte.

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015:

Ik was ter plaatse aanwezig.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 van parketnummer 18/930436-13 ten laste gelegde

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van de feiten bepleit, nu onvoldoende duidelijk is geworden wat zich daadwerkelijk heeft afgespeeld, maar wel kan worden vastgesteld dat een ander dan verdachte, te weten [persoon 4] , de agressor is geweest.

De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat zich ter plaatse buiten de auto's, tegenover de twee aangevers, een groep van vier personen heeft bevonden, onder wie verdachte. Uit de diverse verklaringen leidt de rechtbank tevens af dat deze vier personen alle geweld tegen één en/of beide aangevers hebben gebruikt. De rechtbank ziet de beide feiten dan ook feitelijk als één openlijke geweldpleging begaan tegen de twee aangevers. De rechtbank is daarbij van oordeel dat verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van het onder 1 van parketnummer 18/089928-14 ten laste gelegde

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015;

- een proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 april 2014, opgenomen op pagina 13 e.v. van dossier nummer PL01KC-2014040545, d.d. 16 april 2014 van de politie Noord-Nederland, inhoudende de relatering van verbalisanten;

- een proces-verbaal van onderzoek wapen d.d. 15 april 2014, opgenomen op pagina 19 e.v. van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisant.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair van parketnummer 18/089928-14 ten laste gelegde

Proces-verbaal van internet-aangifte d.d. 21 april 2014, opgenomen op pagina 4 e.v. (met bijlage goederen, opgenomen op pagina 6) van dossier, nr. PL01KC-2014040545, d.d. 16 april 2014 van de politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [aangever] :

Ik doe aangifte van diefstal van mijn portemonnee met als inhoud o.a. bankpasjes en een rijbewijs.

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 april 2014, opgenomen op pagina 24 van laatstgenoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Op 15 april 2014 omstreeks 13:00 uur waren wij aanwezig in de woning van [verdachte] . In de kledingkast troffen wij op de bovenste plank een sigarettenpakje aan. Wij zagen dat in het sigarettenpakje een drietal pasjes zaten te weten genoemd rijbewijs, bankpas en creditcard allen op naam van aangever [aangever] .

De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2015:

Ik moest deze creditkaart, bankpas en rijbewijs voor iemand bewaren. Ik heb ze in het sigarettenpakje gestopt. Ik ken [aangever] niet.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 2 subsidiair van parketnummer

18/089928-14 ten laste gelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij regelmatig in het gebied in [pleegplaats 1] vertoeft waar in harddrugs wordt gehandeld en dat hij daar contacten met mensen op straat heeft. In een dergelijke omgeving bevindt zich ook een groep harddruggebruikers waarbinnen, zoals bekend mag worden verondersteld, de nodige verwervingscriminaliteit plaatsvindt. De rechtbank is van oordeel dat het vorenstaande, in combinatie met het op hetzelfde moment, in één keer, in bewaring nemen van een rijbewijs, bankpas en creditcard die op naam staan van een voor hem onbekende persoon, maakt dat verdachte op dat moment minst genomen had moeten vermoeden dat deze voorwerpen van diefstal afkomstig waren. Temeer nu een rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder.

De rechtbank acht het feit dan ook bewezen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/202327-13 ten laste gelegde

Proces-verbaal van aanhouding d.d. 6 november 2013, opgenomen op pagina 5 e.v. van dossier, nr. nummer PL01KD 2013117916, d.d. 7 november 2013, van de politie Noord-Nederland, inhoudende de relatering van verbalisant:

Op 6 november 2013, omstreeks 18:28 uur, zag ik, verbalisant [slachtoffer 5] , op de kruising van de [straat 4] met [straat 3] de mij ambtshalve bekende drugsdealer [medeverdachte] staan, samen met een andere persoon, naar later bleek [verdachte] . Ik hoorde dat [medeverdachte] in het Papiaments tegen [verdachte] begon te praten. Ik hoorde dat [medeverdachte] onder andere het woord "popo" zei. Ik zei hierop tegen [verdachte] op luide toon: "Politie, staan blijven! Ik wil je ID zien". Ik zag dat [verdachte] onverstoord verder liep. Ik pakte hierop [verdachte] bij zijn jas en zei nogmaals op duidelijke en niet misverstane wijze: "Politie! Staan blijven!". Ik zag en voelde dat [verdachte] zich lostrok en verder liep. Ik pakte daarom [verdachte] nogmaals beet bij zijn jas, ditmaal wat steviger, en zei voor een derde keer dat ik van de politie was en dat hij moest blijven staan. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Ga weg, flikker!".

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder parketnummer 18/202327-13 ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak van het feit bepleit, nu niet bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het delict wist dat hij met een agent in burgerkleding te maken had. Verder heeft de raadsman betoogd dat het woord "flikker" niet als beledigend dient te worden aangemerkt.

De rechtbank verwerpt het eerste verweer van de raadsman nu zij dit door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen weersproken acht.

De rechtbank overweegt verder dat het gebruik van het woord “flikker” op zichzelf mogelijk niet beledigend is, maar zoals het door verdachte in de onderhavige context is gebezigd, belediging oplevert (HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796, NJ 2010/671). De rechtbank stelt vast dat verdachte de uitlating "flikker" in een context heeft gedaan die de strekking had de agent in zijn eer en goede naam aan te tasten. Immers, nadat verbalisant verdachte tot drie maal toe om zijn medewerking had gevraagd en zich als politieagent kenbaar had gemaakt, heeft verdachte verbalisant het woord "flikker" toegevoegd. In de onderhavige situatie kan deze uitlating niet anders dan beledigend zijn bedoeld. Tevens heeft verdachte door deze uitlating, die in aanwezigheid van meerdere personen is gedaan, het gezag van de optredende politieagent ondermijnd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 18/221283-14 ten laste gelegde

Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 oktober 2014, opgenomen op pagina 7 van dossier, nr. PL0100-2014112096, d.d. 10 oktober 2014, van de politie Noord-Nederland, inhoudende de relatering van verbalisant:

Op 9 oktober 2014 omstreeks 14:50 uur zat ik te posten op [locatie] in [pleegplaats 1] omdat daar de laatste tijd veelvuldig wordt gehandeld in verdovende middelen. Ik zag op een gegeven moment dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] aan kwam fietsen en op een bankje ging zitten op [locatie] in [pleegplaats 1] . Ik zag dat de mij bekende verslaafde [persoon 6] op een bepaald moment contact had met [verdachte] en even naast hem ging zitten. Ik zag dat [persoon 6] even daarna wegfietste en dat [verdachte] bleef zitten. Ik zag vervolgens dat er een blanke man aan kwam met een rode trui. Ik zag dat hij ook naast [verdachte] ging zitten en dat die man met de rode trui even daarna weer wegliep. Ik zag vervolgens dat er een iets oudere kalende man aan kwam aanlopen. Ik zag dat hij naast [verdachte] op het bankje ging zitten. Ik zag dat hij iets aan [verdachte] overhandigde en dat [verdachte] vervolgens ook iets aan de man gaf. Ik zag dat de man vrij snel daarna wegliep naar de [straat 2] in [pleegplaats 1] , alwaar ik deze persoon, [persoon 7] , heb aangehouden. Ik zag dat hij mij een plastic bolletje overhandigde.

Proces-verbaal verdovende middelen d.d. 13 oktober 2014, opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de relatering van verbalisanten:

Het bolletje dat op 9 oktober 2014 onder [persoon 7] in beslag is genomen onder goednummer PL0100-2014111735-427654 (KVI, p. 12), met een netto gewicht van 0,129 gram, reageert met MMC Cocaïne spray test positief op cocaïne.

Proces-verbaal van verhoor d.d. 9 oktober 2014, opgenomen op pagina 8 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [persoon 7] :

Ik liep naar [locatie] en ging naast een man zitten die ik herkende als zijnde een persoon van wie ik eerder drugs had gekocht. Ik heb hem gevraagd of ik voor een tientje van hem kon kopen. Ik liet mijn tientje zien en hij haalde een bolletje uit zijn mond en ik heb deze aangepakt. Ik heb het tientje aan hem overhandigd. Ik heb toen gelijk het bolletje cocaïne dat ik even daarvoor had gekocht aan u overhandigd.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder parketnummer 18/221283-14 ten laste gelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat het in beslaggenomen bolletje cocaïne heeft bevat, nu een rapportage van het NFI, waarin zulks is vastgesteld, ontbreekt.

De rechtbank acht op basis van de positieve MMC test en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, de mogelijkheid dat het in beslag genomen bolletje geen cocaïne heeft bevat hoogst onwaarschijnlijk. Dat de samenstelling van de inhoud van het bolletjes niet door het NFI is onderzocht, maakt dit niet anders. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde onder:

- 1 van parketnummer 18/830344-14

- 1 primair, 3 meer subsidiair en 4 van parketnummer 18/830198-14

- 1 en 2 van parketnummer 18/930436-13

- 1 en 2 subsidiair van parketnummer 18/089928-14

- parketnummer 18/202327-13

- parketnummer 18/221283-14

heeft begaan, met dien verstande dat

parketnummer 18/830344-14

1.

hij op 10 november 2014 te [pleegplaats 1] opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd ongeveer 0,122 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

parketnummer 18/830198-14

1. primair

hij op 17 mei 2014 te [pleegplaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

tezamen en in vereniging met een ander, met dat opzet, met een mes, die [slachtoffer 1] in het hoofd en de nek heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. meer subsidiair

hij op 22 mei 2014 te [pleegplaats 1] [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een pistool nabij die [slachtoffer 2] afgeschoten;

4.

hij in de periode van 22 tot en met 23 mei 2014 te [pleegplaats 1] een wapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool met open loop (merk/type Ekol Volga), en munitie van categorie III, te weten kogelpatronen (kaliber 9 mm knal omgebouwd), voorhanden heeft gehad;

parketnummer 18/930436-13

1.

hij op 17 september 2013 te [pleegplaats 2] , in de gemeente Assen, met anderen op of aan de openbare weg, de [straat 1] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] , welk geweld bestond uit het schoppen en/of stompen en/of slaan tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 3] ;

2.

hij op 17 september 2013 te [pleegplaats 2] , in de gemeente Assen, met anderen op of aan de openbare weg, de [straat 1] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 4] , welk geweld bestond uit het stompen en/of slaan van en het geven van een knietje aan die [slachtoffer 4] ;

parketnummer 18/089928-14

1.

hij op 14 april 2014 te [pleegplaats 1] een wapen van categorie I onder 7°, te weten een balletjespistool, zijnde een voorwerp vermeld op lijst a of lijst b van de bij de Regeling Wapens en Munitie behorende bijlage I, voorhanden heeft gehad;

2. subsidiair

hij op 15 april 2014 te [pleegplaats 1] een bankpas, creditcard en rijbewijs voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die bankpas, creditcard en rijbewijs redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

parketnummer 18/202327-13

hij op 6 november 2013 te [pleegplaats 1] opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] , brigadier van politie, ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Ga weg flikker";

parketnummer 18/221283-14

hij op 9 oktober 2014 te [pleegplaats 1] opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien het onder 1 van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde een beroep op noodweer gedaan, stellende dat verdachte heeft gehandeld met het doel de medeverdachte te ontzetten die door aangever en [slachtoffer 2] werd aangevallen. De klap die verdachte daarbij heeft uitgedeeld was proportioneel. De raadsman heeft een beroep op noodweerexces gedaan mocht het door verdachte toegepaste geweld door de rechtbank niet als proportioneel worden aangemerkt. Gezien het feit dat de rechtbank bewezen acht dat verdachte en zijn medeverdachte de beide aangevers hebben aangevallen met een mes, mist het beroep op noodweer feitelijke grondslag. Daardoor faalt het beroep op noodweer en in het verlengde daarvan het beroep op noodweer-exces.

De raadsman van verdachte heeft ook ten aanzien het onder 3 meer subsidiair van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde een beroep op noodweer gedaan. Verdachte had gehoord dat de Turken het op hem en de medeverdachte hadden voorzien en zag dat drie van hen de medeverdachte volgden en dat zij wapens bij zich droegen. Verdachte heeft een waarschuwingsschot gelost in de hoop dat de Turken zijn medeverdachte met rust zouden laten, aldus de raadsman. Gezien de omstandigheden van het geval was het handelen van verdachte proportioneel.

De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat personen in de groep van aangever wapens bij zich droegen en dat er sprake was van onmiddellijk dreigend gevaar voor de medeverdachte van verdachte, waartegen verdachte zich diende te verdedigen. Het schieten met een vuurwapen kan dan ook niet worden beschouwd als te zijn geboden voor de noodzakelijke verdediging van – in dit geval - andermans lijf.

Daardoor faalt het beroep op noodweer, zodat dat wordt afgewezen.

Het bewezen verklaarde levert op:

1. van parketnummer 18/830344-14; parketnummer 18/221283-14, telkens:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

1. primair van parketnummer 18/830198-14:

Medeplegen van poging tot doodslag.

3 meer subsidiair van parketnummer 18/830198-14:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4 van parketnummer 18/830198-14:

Handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III.

1. en 2 van parketnummer 18/930436-13:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

1. van parketnummer 18/089928-14:

Handelen in strijd met artikel 13, lid 1, van de Wet wapens en munitie.

2 subsidiair van parketnummer 18/089928-14:

Schuldheling.

parketnummer 18/202327-13:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor hetgeen zij wettig en overtuigend te bewijzen acht, te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarden een verplicht reclasseringstoezicht, een meldplicht, een behandelverplichting bij de AFPN en het volgen van een COVA-training. Verder heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest en (bijgevolg) opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de uitspraakdatum.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting van 18 juni 2015, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich aan een reeks van strafbare feiten schuldig gemaakt, waaronder twee zware geweldsdelicten waarbij een ernstige inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Bij het medeplegen van een poging tot doodslag is het slachtoffer met een mes in het gezicht en de nek gesneden en heeft het slachtoffer op dat moment gevreesd voor zijn leven. Bij de openlijke geweldplegingen zijn beide slachtoffers door de groep van verdachte ernstig mishandeld. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweldsdelicten gedurende lange tijd daarvan psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Door het plaatshebben van dergelijke feiten op voor het publiek zichtbaar terrein nemen bovendien de gevoelens van onveiligheid toe bij diegenen die hiervan kennis nemen. Dergelijk gewelddadig gedrag in groepsverband is zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht door nabij het slachtoffer met een vuurwapen te schieten. Het slachtoffer heeft daardoor klachten aan één van zijn oren opgelopen. Daarnaast is hiermee sprake geweest van een potentieel levensgevaarlijk delict, niet alleen voor het slachtoffer, maar ook voor eventueel uitgaanspubliek dat zich gelet op tijd en plaats van het delict (omstreeks 23.30 uur in de binnenstad van [pleegplaats 1] ) op straat had kunnen bevinden. Verder heeft verdachte gehandeld in cocaïne, een voor de volksgezondheid zeer schadelijke stof, en heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan wapenbezit.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd.

De rechtbank heeft gelet op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 20 mei 2015 eerder ter zake van een openlijke geweldpleging met justitie in aanraking is geweest.

Verdachte heeft ter terechtzitting geen enkel inzicht getoond in het strafwaardige van zijn handelen en in bijvoorbeeld het gevaar dat hij voor personen heeft veroorzaakt door met een vuurwapen te schieten. Verdachte heeft niet mee willen werken aan een psychologisch onderzoek en heeft geen enkel inzicht in zijn persoon willen geven. De rechtbank kan daardoor slechts in beperkte mate het recidiverisico inschatten. Het opleggen van een behandelverplichting zoals gevorderd door de officier van justitie acht de rechtbank gelet op de houding van verdachte niet opportuun. De rechtbank acht het wel van belang dat verdachte na afloop van zijn detentie onder toezicht van de reclassering wordt gesteld en zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. De rechtbank ziet geen reden de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden te bevelen.

Een strafafdoening als bepleit door de raadsman van verdachte doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Benadeelde partij [slachtoffer 2] (twee vorderingen)

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder feit 2 van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank acht het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan niet bewezen. De benadeelde partij zal niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 3 meer subsidiair van parketnummer 18/830198-14 ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De hoogte van de vordering bedraagt

€ 1.526,50, bestaande uit € 126,50 materiële en € 1.400,00 immateriële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 1.418,50, bestaande uit immateriële schade ad € 1.400,00 en materiële schade ad
€ 18,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor het overige, te weten de kosten die betrekking hebben op de mobiele telefoon ten bedrage van € 108,00, niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voor wat betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de benadeelde partij zelf schuld heeft gehad aan het ontstaan van het feit. Voor wat betreft de kosten die betrekking hebben op de mobiele telefoon dient de vordering wegens onvoldoende onderbouwing niet-ontvankelijk te worden verklaard en voor het overige (materiële schade ten bedrage van € 18,50) heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Dit betreft de posten immateriële schade tot een bedrag van € 700,00 en materiële schade tot een bedrag van € 18,50. De rechtbank acht de vordering, die in zoverre niet dan wel onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Ten aanzien van de post mobiele telefoon ten bedrage van € 108,00 acht de rechtbank de vordering onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de volgende artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 45, 47, 57, 63, 141, 266, 267, 285, 287, 417bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 2 en 10 van de Opiumwet;

- 13, 26, 55 van de Wet wapens en munitie,

zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Vernietigt de strafbeschikking uitgevaardigd in de zaak met parketnummer 18/202327-13.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd onder:

- 2 van parketnummer 18/830344-14;

- 2 primair, subsidiair en meer subsidiair en 3 primair en subsidiair van parketnummer 18/830198-14;

- 2 primair van parketnummer 18/089928-14,

en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het ten laste gelegde onder:

- 1 van parketnummer 18/830344-14;

- 1 primair, 3 meer subsidiair en 4 van parketnummer 18/830198-14;

- 1 en 2 van parketnummer 18/930436-13;

- 1 en 2 subsidiair van parketnummer 18/089928-14;

- parketnummer 18/202327-13;

- parketnummer 18/221283-14,

bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 (één) jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich na afloop van zijn detentie zal melden bij de Reclassering Nederland op het adres Leonard Springerlaan 21 in Groningen, zo vaak en frequent als de reclassering dit nodig acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

(feit 2 van parketnummer 18/830198-14)

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

(feit 3 meer subsidiair van parketnummer 18/830198-14)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 718,50 (zegge: zevenhonderd en achttien euro en vijftig eurocent).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 718,50 (zegge: zevenhonderd en achttien euro en vijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 14 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 18,50 aan materiële schade en € 700,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2015.

W. Brandsma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.