Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3610

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
Awb 14/4304
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2016:908, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering toestemming te verlenen voor het voeren van de titel drs.

WHW. Beroep gegrond met in stand laten rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 14/4304

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2015 in de zaak tussen

[naam eiser] , te Winschoten, eiser,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Dienst Uitvoering Onderwijs), verweerster.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerster eisers verzoek om toestemming te verlenen voor het voeren van de titel doctorandus (hierna: drs.) afgewezen.

Bij besluit van 3 september 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Eiser is verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

Overwegingen

1. Eiser heeft in 1980 zijn diploma tot fysiotherapeut behaald na het volgen van de hierop gerichte hoger beroepsopleiding (hierna: hbo). In 2008 heeft eiser de (hbo) opleiding Professional Master Manuele Therapie aan de SOMT met een diploma afgerond. In 2013 heeft eiser een master na master opleiding – met een nominale opleidingsduur van 1 jaar – aan de Vrije Universiteit Brussel (hierna: VUB) afgesloten met het behalen van het diploma master of science in de Manuele Therapie. Vervolgens heeft eiser verweerster op

17 november 2013 verzocht de titel van drs. te mogen voeren.

2. Verweerster heeft aan de bestreden afwijzing van dit verzoek ten grondslag gelegd dat het niet gaat om een master maar om een master na master opleiding, een verdieping op de eerder gevolgde studie, vergelijkbaar met een post-initiële opleiding in Nederland waarvan het behalen geen recht geeft op de titel van drs.. Tevens heeft verweerster opgemerkt dat sprake is van een wezenlijk verschil tussen de door eiser gevolgde opleiding en de overeenkomstige Nederlandse opleiding, omdat hij voorafgaand aan de masteropleiding geen wetenschappelijk bachelor programma heeft gevolgd in dezelfde discipline.

3. Verweerster heeft in het verweerschrift nader toegelicht dat de bachelor opleiding (fysiotherapie) die eiser in het voorafgaande traject heeft afgerond geen wetenschappelijke maar een hoger beroepsgerichte opleiding is. Vervolgens heeft eiser nog een aantal beroepsgerichte opleidingen gevolgd, waaronder de professional master. Alleen de in België gevolgde opleiding master of science heeft een wetenschappelijk karakter. De conclusie van verweerster luidt dan ook dat het door eiser gevolgde opleidingstraject onvoldoende vergelijkbaar is met een overeenkomstige Nederlandse doctorale opleiding die recht geeft op de titel drs..

4. Naar de mening van eiser is de kwalificatie van de door hem in Vlaanderen gevolgde master na master opleiding als post-initiële opleiding niet juist, omdat volgens de Nederlands Vlaamse Accreditatieorganisatie in Vlaanderen de strikte instroomeis geldt van een eerder behaald masterdiploma. Volgens eiser dient het standaardtraject, dat een volledig universitair traject is, leidend te zijn. Meestal wordt de opleiding direct na de masteropleiding gedaan. Er moet al een universitair master niveau bereikt zijn voordat men wordt toegelaten tot de master na master studie. Eiser heeft in verband daarmee een extra leertraject gevolgd en is hiertoe contracten aangegaan met de VUB. Ter onderbouwing van het beroep wijst eiser voorts op het (positieve) deskundigen-advies (van 10 april 2014) van de Nederlandse organisatie voor internationale samenwerking in het Hoger Onderwijs (hierna: Nuffic). Volgens eiser gaat verweerster hier ongemotiveerd aan voorbij. Eiser is voorts van opvatting dat verweerster zich in zijn geval niet op de beleidsregel van

29 november 2013 had mogen baseren, omdat deze regel van een latere datum is dan die van zijn verzoek en het hierop genomen primaire besluit. Verder gaat verweerster naar de mening van eiser voorbij aan de academische gelijkstelling tussen Vlaamse en Nederlandse opleidingen voor hoger onderwijs zoals geregeld in het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Vlaamse Gemeenschap van België inzake de accreditatie van opleidingen binnen het Nederlandse en Vlaamse hoger onderwijs (hierna: Accreditatieverdrag).

5. Ingevolge artikel VI.1 van het Verdrag inzake de erkenning van getuigschriften betreffende hoger onderwijs in de Europese regio (hierna: Lissabon Conventie) erkent iedere partij, voor zover de beslissing betreffende een erkenning is gebaseerd op de kennis en vaardigheden die blijken uit de kwalificaties voor hoger onderwijs, de kwalificaties voor hoger onderwijs die zijn afgegeven op het grondgebied van een andere partij, tenzij een aanzienlijk verschil kan worden aangetoond tussen de kwalificatie waarvoor erkenning wordt gevraagd en de overeenkomstige kwalificatie op het grondgebied van de partij waar erkenning wordt gevraagd.

Ingevolge artikel 7.23, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) kan de minister aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, die niet in de in het tweede lid bedoelde ministeriële regeling is opgenomen, toestaan in de plaats van die graad in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen in Nederland een van de titels, genoemd in artikel 7.20, te voeren, indien de opleiding op grond waarvan die andere graad is verleend, naar het oordeel van de minister ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding.

De minister heeft ter uitvoering van voormelde bepaling de Beleidsregel van 17 december 2009, nr. HO&S/BS/2009/177909, inzake de afdoening van verzoeken om toestemming tot het voeren van Nederlandse titulatuur op grond van een in het buitenland behaalde graad als bedoeld in artikel 7:23, derde lid, van de WHW vastgesteld.

Volgens artikel 4.1, van de Beleidsregel kan een aanvraag worden toegewezen indien een afsluitend getuigschrift is overgelegd van een in het buitenland gevolgde hoger onderwijs opleiding die voldoet aan alle volgende criteria, waaronder – sub d – dat er geen sprake is van één of meer wezenlijke verschillen met een Nederlandse opleiding.

Volgens artikel 4.2 van de Beleidsregel is er in ieder geval sprake van wezenlijke verschillen indien:

2. er een verschil is in nominale studieduur van de in het buitenland gevolgde hoger-onderwijsopleiding ten opzichte van de Nederlandse overeenkomstige opleiding van één jaar of langer;

6. voorafgaande aan een wetenschappelijke mastergraad geen wetenschappelijk bachelors programma is gevolgd in dezelfde discipline.

In artikel 5 van de Beleidsregel is bepaald dat deze uiterlijk op 1 januari 2014 vervalt.

Bij de Beleidsregel van de minister van 29 november 2013, nr. 563603, is de Beleidsregel voor onbepaalde tijd verlengd omdat de criteria hieruit nog steeds relevant zijn voor de beoordeling van de verzoeken om toestemming tot het voeren van Nederlandse titulatuur door de Dienst Uitvoering Onderwijs en deze criteria ook voor de toekomst relevant zijn.

6. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat er op grond van de Beleidsregel van 29 november 2013 geen andere criteria zijn gaan gelden. De beroepsgrond van eiser dat verweerster zich in zijn geval niet op deze Beleidsregel heeft mogen baseren, slaagt dan ook niet.

7. De rechtbank stelt verder vast dat verweerster de Nuffic heeft verzocht advies uit te brengen met betrekking tot onder andere de vraag of het door eiser gevolgde opleidingstraject kan leiden tot het voeren van de titel van drs.. Volgens het advies van de Nuffic van 10 april 2014 bestaat aanleiding toestemming te verlenen aan eiser voor het voeren van deze titel. Bij het bestreden besluit heeft verweerster in afwijking van dit advies volhard in de afwijzing van eisers verzoek hiertoe. In het bestreden besluit heeft verweerster aangegeven dat zij het advies van de Nuffic niet altijd hoeft over te nemen, dat sprake is van een wezenlijk verschil en dat zij daarom geen aanleiding ziet van de beleidsregels af te wijken. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit deze toelichting niet af te leiden op grond waarvan verweerster bij het bestreden besluit van het advies van de Nuffic af is geweken. Daarom is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd en komt dit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard. Hierna zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

8. Ter zitting heeft verweerster nader gemotiveerd dat van het Nuffic-advies is afgeweken omdat hierin geen rekening is gehouden met het beleid volgens hetwelk twee jaar wetenschappelijk onderwijs gevolgd moet zijn om de drs. titel te mogen voeren en eiser niet aan dit vereiste voldoet. De masteropleiding van eiser aan de VUB heeft immers maar één jaar geduurd en is de enige wetenschappelijke opleiding die eiser heeft gevolgd. Er is geen wetenschappelijke bachelor opleiding aan voorafgegaan. In dit verband heeft verweerster gewezen op artikel 4.2, onder 6, van de Beleidsregels. De rechtbank leidt hieruit af dat verweersters beleid dat twee jaar wetenschappelijk onderwijs gevolgd moet zijn de vertaling vormt van het criterium dat in artikel 4.2, onder 6, van de Beleidsregels is opgenomen. Gesteld noch gebleken is dat dit beleid hiermee niet in overeenstemming is dan wel dat met dit beleid buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling is getreden.

Verweerster heeft tevens aangegeven dat niet zo interessant is dat het gaat om een master na master opleiding, die volgens verweerster vergelijkbaar is met een post-initiële opleiding. De rechtbank begrijpt hieruit dat verweerster deze vergelijking niet langer handhaaft als grond voor de bestreden weigering om eiser toestemming te verlenen voor het voeren van de titel van drs. en dat deze weigering dus alleen nog gebaseerd is op het standpunt dat niet voldaan is aan het vereiste dat twee jaar wetenschappelijk onderwijs is gevolgd.

9. In het Nuffic-advies is vermeld dat in Nederland de masteropleiding in de manuele therapie enkel op hbo-niveau master bestaat. Hiervan uitgaande overweegt de rechtbank dat de door eiser gevolgde wetenschappelijke master opleiding in de manuele therapie aan de VUB niet kan worden vergeleken met een overeenkomstige Nederlandse opleiding als bedoeld in artikel 7.23 van de WHW die van academisch niveau is en waaraan de drs. titel kan worden ontleend. Het feit dat er volgens eiser in 2015 een universitaire studie in de manuele therapie aan de SOMT is gestart, doet hier niet aan af, nu deze opleiding nog niet bestond toen hij zijn aanvraag indiende en in de Beleidsregel onder overeenkomstige opleiding wordt verstaan de opleiding zoals die op het moment van de aanvraag is (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2013:1637).

10. Verweerster erkent de academische gelijkstelling tussen Vlaamse en Nederlandse opleidingen voor hoger onderwijs, waarop eiser heeft gewezen. Verweerster betwist ook niet dat de opleiding die eiser aan de VUB heeft gevolgd een wetenschappelijke opleiding is. Hiermee is echter nog niet voldaan aan de voorwaarden die gelden om in Nederland de titel drs. te mogen voeren. Het Accreditatieverdrag dat ten grondslag ligt aan de academische gelijkstelling houdt op dit punt geen regeling in, evenmin als de Lissabon Conventie. Vorenbedoelde voorwaarden zijn opgenomen in artikel 7.23, derde lid, van de WHW en de daarop gebaseerde Beleidsregel.

11. Voor de vraag of aan deze voorwaarden is voldaan, zijn het niveau en de nominale duur van de gevolgde opleiding bepalend, zoals blijkt uit artikel 4.2 van de Beleidsregels. Niet in geschil is dat de nominale duur van de wetenschappelijke masteropleiding die eiser aan de VUB heeft gevolgd één jaar bedraagt. Onderdelen van deze opleiding waarvoor de VUB eiser vrijstelling heeft verleend, moeten worden geacht deel uit te maken van deze nominale duur en doen hier dus niets aan af. Niet gebleken is dat eiser voorafgaand aan deze opleiding een wetenschappelijk bachelors programma heeft gevolgd. Verweerster heeft terecht geen rekening gehouden met de – volgens eiser universitaire – masteropleiding die meestal aan de door hem gevolgde opleiding aan de VUB voorafgaat, aangezien hij deze masteropleiding niet zelf heeft gevolgd. Met vrijstellingen die eiser zijn verleend voor onderdelen van de vooropleiding die toegang geeft tot de opleiding die hij aan de VUB heeft afgerond, heeft verweerster eveneens geen rekening hoeven houden omdat hij deze onderdelen niet zelf heeft gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien dat verweerster hierdoor inbreuk zou maken op de bevoegdheid van de VUB om al dan niet vrijstellingen te verlenen. Verweerster heeft evenmin rekening hoeven houden met het extra leertraject dat eiser gevolgd heeft om tot de wetenschappelijke opleiding aan de VUB te worden toegelaten aangezien, nog los van het niveau van dit traject, de nominale duur van de gevolgde opleiding doorslaggevend is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster dan ook op goede gronden aangenomen dat eiser gedurende niet meer dan één jaar wetenschappelijk onderwijs heeft gevolgd en dat in zijn geval sprake is van een wezenlijk verschil met de Nederlandse opleiding als bedoeld in artikel 4.2, onder 6, van de Beleidsregels.

12. Verweerster heeft ter zitting nader toegelicht dat soms wordt afgeweken van de voorwaarde van twee jaar academische vorming indien sprake is van een samenwerkingsverband. Verweerster heeft hierbij als voorbeeld de samenwerking genoemd tussen de universiteit van Wageningen en een aantal agrarische hogescholen. Bij deze samenwerking is door middel van stuurprogramma’s voorzien in de noodzakelijke afstemming van de opleidingen op elkaar qua niveau en diepgang. Eiser heeft aangegeven dat er een samenwerkingsverband bestaat tussen de VUB en SOMT. Gesteld noch gebleken is echter dat dit samenwerkingsverband reeds bestond in 2008, toen eiser zijn opleiding bij de SOMT afrondde, en de nodige afstemming van de opleidingen op elkaar qua niveau en diepgang omvatte. Verweerster heeft naar het oordeel van de rechtbank ook niet om een andere reden aanleiding hoeven zien om in het geval van eiser van de beleidsvoorwaarde van twee jaar academische vorming af te wijken.

13. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten.

14. De rechtbank veroordeelt verweerster in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en in overeenstemming met eisers opgave op het door hem overgelegde formulier proceskosten vast op € 227,87 (€ 15,92 aan reiskosten, € 204,00 aan verletkosten en € 7,95 aan verschotten).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerster op het betaalde griffierecht van € 45,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 227,87.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 juli 2015.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden aan partijen op: