Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3410

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
C/19/108810 / KG ZA 15-15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen tuincentrum en gemeente Assen over de verplaatsing van het tuincentrum naar een andere locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/108810 / KG ZA 15-15

Vonnis in kort geding van 15 juli 2015

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2],

3. de vennootschap onder firma

[eiser 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats 3],

eisers,

hierna afzonderlijk te noemen: [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4]. en gezamenlijk [eisers],

advocaat: mr. K. van Bladeren te Groningen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ASSEN,

zetelende te Assen,

gedaagde,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. W. Boonstra te Arnhem.

1 De procedure

1.1.

[eisers] hebben de gemeente in kort geding gedagvaard tegen de terechtzitting van 19 februari 2015.

1.2.

[eisers] hebben toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: de gemeente beveelt om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis verdere uitvoering te geven aan de tussen partijen gesloten intentieovereenkomst in die zin dat een concept anterieure overeenkomst wordt toegezonden aan [eiser 3] teneinde in goed overleg tussen partijen tot een redelijke anterieure overeenkomst te komen en deze in harmonie met de intentieovereenkomst uit te voeren;

2. subsidiair: de gemeente beveelt om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis voortvarend verder te onderhandelen over de uitwerking van de door de gemeente op zich genomen verplichting om het voor beide partijen bindende advies van het IMK staande in zijn rapport van 19 maart 2012, inhoudende dat het bij voortzetting van de onderneming van [eiser 3] noodzakelijk is dat de onderneming wordt verplaatst, op te volgen en mee te werken aan de verplaatsing van de onderneming naar de door de gemeente aangeboden locatie [adres 2] tegen een volledige schadeloosstelling op basis van bedrijfsverplaatsing conform de regels van de Onteigeningswet;

3. aan het te geven bevel een dwangsom van € 10.000,-, althans een in redelijkheid vast te stellen dwangsom verbindt, welke de gemeente verschuldigd zal raken voor elke dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat de gemeente in gebreke blijft uitvoering te geven aan het gegeven bevel;

4. de gemeente in de kosten van de procedure veroordeelt.

1.3.

Ter zitting hebben beide partijen hun standpunten (nader) toegelicht, waarbij hun advocaten gebruik hebben gemaakt van pleitnotities. De gemeente heeft geconcludeerd tot:

I. afwijzing van de vorderingen van [eisers];

II. hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

III. hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na dagtekening van het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

1.4.

De behandeling van de zaak is vervolgens enige tijd aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen onderhandelingen te voeren over een oplossing van hun geschil. De behandeling is voortgezet ter terechtzitting van 17 juni 2015, ter gelegenheid waarvan partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. De advocaten van partijen hebben daarbij gebruik gemaakt van pleitnotities. Een minnelijke regeling is niet mogelijk gebleken.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is samen met zijn echtgenote, [eiser 2], in 1985 aan de [adres 1] te Assen de onderneming [bedrijf] gestart. Met ingang van 1 januari 2009 is [eiser 3] opgericht, met als vennoten [eiser 1] en [eiser 4]. In deze VOF wordt sindsdien de onderneming - een tuincentrum - uitgeoefend.

2.2.

Het perceel waarop de onderneming is gevestigd is kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] en is eigendom van [eiser 1] Het perceel is ca. 3,5 ha groot, waarvan ca. 2 ha. in gebruik is bij de onderneming.

2.3.

De weg waaraan de onderneming is gevestigd, de [vestigingsweg], is de doorgaande weg van [A] via [B] naar [C]. De plaatselijke situatie is als weergegeven op onderstaande kopie van een uittreksel van een kadastrale kaart.

[kadastrale kaart]

2.4.

In 2006 heeft de onderneming een uitbreidingsplan voor het tuincentrum opgesteld, met name gericht op vergroting van de oppervlakte voor visvijvers en visverkoop, op de nog beschikbare 1,5 vrije ha. Dit plan is destijds aan de gemeente voorgelegd.

2.5.

De gemeenteraad van Assen heeft op 27 oktober 2011 het bestemmingsplan Werklandschap Assen-Zuid vastgesteld. In dit bestemmingsplan heeft de 2 ha. van het onderhavige perceel waarop de onderneming gevestigd is de bestemming tuincentrum behouden. De 1,5 ha. waarop de onderneming haar uitbreidingsplan had geprojecteerd is echter "wegbestemd" en heeft net zoals aangrenzende percelen de bestemming (4.2.) zware industrie gekregen. Bovendien heeft de gemeente hierop een voorkeursrecht krachtens de Wet voorkeursrecht gemeenten gevestigd. Ten slotte is in het bestemmingsplan opgenomen dat de [vestigingsweg] als doorgaande weg van [A] naar [C] zal worden afgesloten. [eisers] hebben bezwaar gemaakt tegen de plannen van de gemeente.

2.6.

In november 2011 hebben de gemeente en [eisers] afgesproken dat de gemeente aan het Instituut voor Midden- en Kleinbedrijf (IMK) een advies zou vragen over de vraag of de gemeente dan wel [eisers] het bij het juiste eind had over de toekomstmogelijkheden van de onderneming binnen het nieuwe bestemmingsplan mét de voorgenomen verkeersmaatregelen. Partijen hebben over en weer verklaard de uitkomst van het door IMK op te stellen rapport te zullen accepteren.

2.7.

IMK heeft op 19 maart 2012 schriftelijk gerapporteerd. In dit rapport wordt onder meer het volgende gemeld:

"Samenvatting en conclusie

IMK verwacht dat door de realisatie van de verkeersmaatregelen en de komst van de industrie naar de huidige locatie van [bedrijf] de omzet dermate zal terugvallen, dat er geen sprake meer zal zijn van een levensvatbare bedrijfsvoering.

Mogelijke oplossingsrichting

Bedrijfsverplaatsing zal bij voortzetting noodzakelijk zijn. Een eventuele nieuwe locatie zal daarbij aan een aantal criteria moeten voldoen:

- de omgeving dient aan te sluiten op het groenimago;

- er moet voldoende ruimte zijn voor realisatie (al dan niet gefaseerd) van modeltuinen;

- er moet sprake zijn van een doorgaande weg, waarbij het zicht op het bedrijf moet worden gewaarborgd.

(…)

2. Commerciële analyse

2.1.

Omschrijving bedrijf

(…)

Plaats

Het bedrijf is gevestigd aan de [adres 1] te Assen. Deze locatie wordt herontwikkeld tot industrieterrein annex werklandschap ten behoeve van zware industrie. Op dit moment is sprake van een goede ligging aan de doorgaande weg en kan het bedrijf maximaal profiteren van de passantenstroom. Volgens een opgaaf van de gemeente Assen telde [vestigingsweg] ter hoogte van [bedrijf] in maart 2010 6 700 etmaalpassanten (motorvoertuigen). Het verkeersmodel gaat uit van gemiddeld 6 600 etmaalpassanten (motorvoertuigen). Fietsers zijn niet geteld.

In de nieuwe situatie zal de passantenstroom over andere wegen geleid worden, waardoor de locatie verslechtert. De [vestigingsweg] zal autoluw worden en naar de huidige inzichten zullen er geen andere consumentverzorgende bedrijven gevestigd worden. Door de industrievestigingen zal deze locatie, naar verwachting, geen trekkracht op een doorsnee tuincentrumbezoeker uitoefenen. Een bezoeker met specialistische wensen, die bereid is grotere bedragen te besteden, zal de locatie wel weten te vinden, maar zal naar verwachting het wegvallen van regulier bezoek niet compenseren. Volgens het verkeersmodel voor 2020 wordt uitgegaan van 3 600 etmaalpassanten (motorvoertuigen) voor de secundaire ontsluitingsweg en 2 300 etmaalpassanten (motorvoertuigen) voor de weg achter het bedrijf. De [vestigingsweg] wordt naar verwachting zoals het er nu voorstaat autoluw. Gemakshalve ervan uitgaande dat het tuincentrum gekanteld wordt om weer op de doorgaande weg aan te sluiten is het aantal passanten naar wij nu inschatten meer dan gehalveerd. Echter, dit is dan een ruwe indicatie.

De feitelijk meest interessante passantenstroom, zoals die over de [vestigingsweg] en in het verlengde de [straat] naar [B] is dan verdwenen en men zal apart een doodlopende weg op moeten. Er zal naar verwachting geen sprake zijn van een zichtlocatie.

(…)

Omzetprognose bij ongewijzigde situatie

(…)

Indien de beoogde verkeersingreep met duurzame omleiding van de verkeersstromen zal plaatsvinden, zal er naar verwachting een nadelig omzeteffect optreden. Om dit te kunnen afbakenen is er contact gezocht met een aantal organisaties uit de tuinsector en de planologische advieswereld.

(…)

Insteek vormde de huidige locatie na vestiging industrie en de gevolgen van de beoogde duurzame wegomlegging. De uitkomst van deze interviews leidt kort samengevat tot de volgende conclusies:

- Een tuincentrum is voor de consument met het groenimago een beleving en emotie. De vestiging als solitaire aanbieder op een industrieterrein past hier niet bij.

- Binnen de verkeersadvisering is ervaring met omzetten indien passantenstromen worden omgebogen. Echter, deze zijn specifiek geënt op binnensteden en clusters van grootschalige detailhandel. Voor tuincentra zijn deze modellen niet goed bruikbaar dan wel zullen deze tot discussie leiden.

(…)

- Elke ingreep in de route die leidt tot een extra actie of aandacht afleidt bij het naderen van het bekende verkooppunt leidt tot omzetverlies.

- Indien verkeersstromen gedurende een aantal maanden onderbroken zijn, er in het verzorgingsgebied meerdere aanbieders actief zijn zal de consument zich elders gaan oriënteren. Na herstel van de route(s) blijkt deze maar beperkt terug te keren.

- De omzetdaling als gevolg van drastische verkeerswijzigingen, waar passantenstromen deels verlegd zijn en ondanks goede bewegwijzering zijn substantieel. De ervaringen leren dat de omzetten dan met 20% tot zelfs 50% kunnen dalen.

Deze percentages komen IMK niet onaannemelijk voor, omdat zij die ook waarneemt in haar eigen adviespraktijk in situaties waar de verkeerssituatie tijdelijk dan wel structureel gewijzigd zijn. Op basis van voorgaande feiten mag bij een ongewijzigde opzet worden uitgegaan van een omzetdaling van naar verwachting minimaal 30%. Dit is een indicatief percentage. Tijdens de wegwerkzaamheden zal de terugloop zelfs forser zijn.

In geval van de huidige opzet en bij het over 2011 behaalde omzetniveau van € 347.000,- zal de omzet naar verwachting dan dalen tot afgerond € 242.000,-. Uitbreiding van aanbod op de huidige locatie zal in die situatie naar verwachting nauwelijks tot een omzetstijging leiden".

2.8.

Het bestemmingsplan Werklandschap Assen-Zuid is op 12 september 2012 onherroepelijk geworden.

2.9.

[eisers] en de gemeente hebben vervolgens gesproken over een verplaatsing van de onderneming naar de locatie [adres 2] te Assen. Dit terrein is eigendom van de gemeente. Op 25 september 2013 hebben [eisers] en de gemeente overleg gevoerd over het sluiten van een intentieovereenkomst. Hierna zijn verdere onderhandelingen gevoerd, waarbij concepten van de te sluiten intentieovereenkomst tussen partijen zijn uitgewisseld. Op 20 november ([eisers]) en 16 december 2013 (de gemeente) hebben partijen de uiteindelijke intentieovereenkomst ondertekend.

2.10.

In de intentieovereenkomst is onder meer bepaald:

Intentieovereenkomst Gemeente Assen - [eisers]

De ondergetekenden:

De gemeente Assen (…)

en

1. de heer [eiser 1] en mevrouw [eiser 2] (…)

2. de vof [bedrijf]

(…)

hebben het volgende overwogen:

(…)

3. op 12 september 2012 is het bestemmingsplan werklandschap Assen-Zuid onherroepelijk geworden. Dit bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om het gebied aan beide zijden van de [vestigingsweg] te ontwikkelen tot een werklandschap (bedrijventerrein);

4. In het bestemmingsplan werklandschap Assen-Zuid is het eigendom van [eisers] bestemd als "Bedrijventerrein uit te werken" en "Bedrijf-wonen", met een aanduiding "tuincentrum" ter plaatse van het tuincentrum;

5. Na vaststelling van het bestemmingsplan werklandschap Assen-Zuid door de gemeenteraad heeft [eisers] beroep ingediend. [eisers] was van mening dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de belangen van het tuincentrum. De uitspraak van 12 september 2012 door de Raad van State is bij partijen bekend;

6. [eisers] was reeds voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan van mening dat zijn bedrijf niet levensvatbaar kon worden voortgezet en achtte het noodzakelijk om de onderneming te verplaatsen. De gemeente en [eisers] hebben dienaangaande afgesproken, dat deze stelling aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf, ofwel het IMK, zou worden voorgelegd. De gemeente heeft aangegeven zich bij voorbaat te zullen conformeren aan de conclusie van het IMK rapport. Het IMK-rapport (d.d. 19 maart 2012) bevat de conclusie dat [eisers] het tuincentrum niet levensvatbaar kan voortzetten als gevolg van het bestemmingsplan;

7. De gemeente en [eisers] zijn overeengekomen dat de eigendomsoverdracht van het perceel [adres 1] en de verplaatsing van de onderneming van [eisers] zal plaatsvinden tegen een volledige schadeloosstelling op basis van reconstructie (bedrijfsverplaatsing) conform de regels van de Onteigeningswet;

8. In een zoektocht naar een nieuwe locatie heeft de gemeente een locatiestudie uitgevoerd voor de nieuwe vestiging van een tuincentrum in Assen. Na het in ogenschouw nemen van de in beginsel beschikbare locaties, heeft [eisers] aangegeven de verplaatsing van de onderneming naar de locatie [adres 2] als enige optie binnen de gemeente Assen te beschouwen. De locatie [adres 2] is in eigendom van de gemeente en het vergt nog een aanpassing van de bestemming om de vestiging van een tuincentrum mogelijk te maken;

9. De gemeente en [eisers] zijn op basis van de bovenstaande overwegingen in goed overleg tot de volgende overeenkomst gekomen;

en zijn het volgende overeengekomen:

1. Anterieure overeenkomst

1.1.

Partijen verplichten zich jegens elkaar een anterieure overeenkomst te sluiten betreffende de verplaatsing van de onderneming van de locatie [adres 1] te Assen naar de door [eisers] gekozen nieuwe plaats van vestiging, de locatie [adres 2] te Assen. Partijen hebben al onderzoek naar deze locatie gepleegd en de risico's in verband met de voorgenomen verplaatsing geïnventariseerd.

1.2.

De anterieure overeenkomst zal in ieder geval inhouden de kooptransacties betreffende de locaties [adres 1] en [adres 2], beiden gelegen te Assen, met de daar bij behorende voorwaarden. Als koopprijs voor deze locaties zal aangehouden worden de taxatiewaarden van deze locaties, zoals deze door de taxateur Riemeijer zullen worden getaxeerd. Als oppervlak zal voor beide locaties worden aangehouden het huidige oppervlak van perceel [kadastrale aanduiding], dan wel het oppervlak dat [eisers] wenselijk acht voor de uitoefening van zijn bedrijf.

1.3.

De anterieure overeenkomst wordt gesloten onder de opschortende voorwaarde, dat het College van Burgemeester en Wethouders instemt met de overeenkomst en de gemeenteraad besluit het benodigde krediet beschikbaar te stellen.

1.4.

Na ondertekening van de anterieure overeenkomst vervallen alle rechten en verplichtingen voor partijen over en weer uit deze overeenkomst, en hebben partijen ter zake jegens elkaar niets meer te vorderen.

2. Taxatieopdracht

2.1.

Aan de taxateur, de heer A.B. Riemeijer te Groningen, zullen partijen de opdracht verstrekken om te komen tot een taxatie van de schadeloosstelling volgens de regels van de Onteigeningswet bij voortzetting en verplaatsing van de onderneming van [adres 1] te Assen naar [adres 2] te Assen, alsmede de koopprijzen voor de beide locaties.

2.2.

De onafhankelijke taxatie houdt in een bepaling van de waarde voor de onroerende zaken gelegen en staande aan de [adres 1], [vestigingsplaats], zijnde een woning, tuincentrum en grasland, kadastraal bekend (….), alsmede de kosten van verplaatsing van de onderneming van [eisers], en verdere eventueel daarmee samenhangende kosten.

De taxatie van de heer Riemeijer zal betreffen een volledige schadeloosstelling op basis van reconstructie overeenkomstig het bepaalde in artikel 40 tot en met 41a van de Onteigeningswet en de daarop gebaseerde jurisprudentie.

De onafhankelijke taxatie houdt verder in een bepaling van de waarde voor de onroerende zaken van de locatie [adres 2], waarnaar [eisers] voornemens is zijn activiteiten te verplaatsen. Hierbij zal de taxateur uit moeten gaan van het feit dat de gewenste bestemming reeds is gerealiseerd.

(…)

3. Bestemmingswijziging [adres 2] te Assen

3.1.

Zodra mogelijk zal [eisers] bij de Gemeente indienen een ontvankelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning en een plan waaruit de financiële haalbaarheid van zijn voornemen om de onderneming naar [adres 2] te Assen te verplaatsen en aldaar te exploiteren blijkt.

3.2.

Direct na ontvangst van de in 3.1. genoemde stukken zal de gemeente met voortvarendheid de benodigde planologische procedure(s) opstarten en doorlopen.

Alle hieraan verbonden kosten komen voor rekening van de gemeente.

3.3.

De toezegging van de Gemeente om zich maximaal in te spannen om de verplaatsing van de onderneming van [eisers] naar [adres 2] te faciliteren en te bevorderen houdt niet in een garantie, dat het doorlopen van de benodigde administratieve en bestuursrechtelijke procedures zonder meer leidt tot de vestiging van de onderneming op [adres 2] te Assen. Voor het geval dat de verplaatsing naar [adres 2] niet haalbaar blijkt, hebben partijen in art 6.2. een regeling getroffen.

(…)

5. Regeling voor het geval de procedure van het bestemmingsplanprocedure vertraging oploopt

5.1.

Partijen verwachten dat bij een verloop van de procedure zonder vertraging de procedure vanaf de indiening van de aanvraag van een omgevingsvergunning de doorlooptijd zal belopen van circa 8 tot 12 maanden.

5.2.

Partijen zullen bij vertragingen in de procedure de uitkomst ervan afwachten.

(…)

6. Regeling voor het geval, dat partijen gezamenlijk moeten vaststellen dat de voorgenomen bestemmingsplanwijziging voor [adres 2] te Assen niet haalbaar is

6.1.

In gezamenlijkheid kunnen partijen tot de conclusie komen dat de voorgenomen bestemmingsplanwijziging [adres 2] ondanks de maximale inspanning van de Gemeente niet meer in redelijkheid als haalbaar beschouwd kan worden, en een verplaatsing van de onderneming naar [adres 2] te Assen onmogelijk is.

6.2.

Indien binnen een termijn van een jaar na de datum van ondertekening van deze overeenkomst komt vast te staan, dat de verplaatsing van de onderneming van [eisers] naar de nieuwe locatie om welke reden dan ook geen doorgang zal vinden, is de gemeente bereid om aan [eisers] een schadevergoeding te voldoen ter vergoeding van de door [eisers] gemaakte kosten en van de bedrijfsschade, welke [eisers] lijdt dan wel nog zal lijden als gevolg van de in de toekomst nog te nemen verkeersmaatregel betreffende de huidige locatie van de onderneming van [eisers] en de realisatie van ruimtelijke plannen door de gemeente op of bij die locatie.

Uitgangspunt is daarbij de overname van de onroerende zaken aan de [adres 1] door de Gemeente en schadeloosstelling op basis van reconstructie zoals in artikel 2.2. bedoeld, met dien verstande dat de waarde van de onroerende zaken aan de [adres 2] geen rol meer zullen spelen.

6.3.

Alsdan zal de koopovereenkomst betreffende [adres 2] zijn ontbonden en de verplichting van de gemeente om aan [eisers] een andere locatie aan te bieden zijn vervallen. Alsdan staat het [eisers] vrij buiten de Gemeente Assen te zoeken naar een geschikte locatie.

7. Duur overeenkomst

7.1.

Deze intentieovereenkomst eindigt per 1 juli 2014, tenzij partijen met betrekking tot de nieuwe locatie [adres 2] te Assen reeds eerder een anterieure overeenkomst, zoals in artikel 1 bedoeld, hebben getekend en de opschortende voorwaarden van deze overeenkomst zijn komen te vervallen.

7.2.

Indien de overeenkomst eindigt conform het in lid 1. bepaalde zullen partijen jegens elkaar geen rechten of aanspraken meer hebben en ter zake van het bij deze overeengekomene finaal zijn gekweten.

2.11.

De raadsfractie van het CDA in de gemeente Assen en omwonenden van de locatie hebben in of omstreeks februari 2014 bij de gemeente bezwaren geuit tegen de voorgenomen verplaatsing van het tuincentrum van [eisers] naar de locatie [adres 2]. Op raadsvragen van het CDA hebben burgemeester en wethouders op 24 februari 2014 laten weten:

"1. Is het college daadwerkelijk van plan om het tuincentrum [eisers] op de genoemde locatie voor bedrijfsvoering toestemming te geven? En zo ja, waarom?

Antwoord: n.a.v. de locatiestudie is duidelijk geworden dat [adres 2] planologische beperkingen heeft. Desondanks heeft de familie [eisers] voor deze locatie gekozen, terwijl de planologische beperkingen herhaaldelijk benoemd zijn. De familie [eisers] heeft aangegeven haar bedrijfsvoering binnen deze beperkingen te willen inrichten.

Het College wil meewerken aan het opstarten van de planologische procedure en de benodigde onderzoeken als voortvloeisel uit de toezegging die is gedaan tijdens de raadsvergadering van 27 oktober 2011. De intentieverklaring gaat over het opstarten van de benodigde procedure.

2. Waarom staat het college achter een voorstel om het bestemmingsplan ter zake aan te laten passen?

Antwoord: Tijdens de raadsvergadering van 27 oktober 2011 heeft de raad erop aangedrongen dat het College zich tot het uiterste zou inspannen om een geschikte oplossing voor de familie [eisers] te vinden, binnen de gemeentegrenzen van Assen. Uit de locatiestudie die vervolgens is uitgevoerd heeft de familie [eisers] zelf deze locatie als enige geschikte locatie aangemerkt (…)"

2.12.

Partijen hebben de hiervoor genoemde taxateur bij brief van 29 april 2014 opdracht gegeven om tot de in de intentieovereenkomst genoemde taxatie over te gaan, op basis van een volledige schadeloosstelling conform de regels van de Onteigeningswet.

2.13.

De advocaat van [eisers] heeft de gemeente bij brief van 29 april 2014 aangeschreven over de intentieovereenkomst. Daartoe wordt in deze brief medegedeeld:

"(…) Tevens maak ik van de gelegenheid gebruik om aandacht te vragen voor art. 7.1. van de intentieovereenkomst.

Wij zullen ofwel voor 1 juli 2014 een anterieure overeenkomst ondertekend gereed moeten hebben ofwel voor 1 juli overeengekomen zijn om de termijn te verlengen. Mijns inziens zouden wij beide moeten doen: werken aan de anterieure overeenkomst én voor alle zekerheid de termijn verlengen. (…)".

2.14.

In vervolg hierop heeft de advocaat van [eisers] de gemeente bij e-mail van 15 mei 2014 medegedeeld:

"Kunt u mij ook al informeren over de anterieure overeenkomst en het door mij geopperde verplaatsen van de datum 1 juli 2014 in de intentieovereenkomst?".

2.15.

Bij e-mail van 27 juni 2014 heeft de advocaat van [eisers] de gemeente medegedeeld:

"In mei hebben wij contact gehad aangaande de anterieure overeenkomst en de noodzakelijke verplaatsing van de datum 1 juli 2014 in de intentieovereenkomst.

Wij waren het eens over de vanzelfsprekendheid van de verplaatsing van deze datum, maar hebben geen nieuwe datum bepaald.

Omdat ik toch wel graag iets op schrift heb, heb ik nu een datum geprikt. Gezien het verloop van het proces heb ik als nieuwe datum 1 januari 2015 geprikt.

Zoudt u mij deze datum willen bevestigen zodat dit in onze dossiers vastligt.

Heeft u reeds een concept anterieure overeenkomst beschikbaar die U als basis zou willen gebruiken?

Zo ja, dan verzoek ik U deze mij ook toe te mailen. (…)".

2.16.

[eisers] hebben bij de gemeente geen aanvraag voor een omgevings-vergunning voor de nieuwbouw van de onderneming op de locatie [adres 2] ingediend, als bedoeld in (artikel 3.1. van) de intentieovereenkomst. Evenmin hebben [eisers] bij de gemeente een haalbaarheidsplan voor de voorgenomen bedrijfsverplaatsing en/of de exploitatie van de onderneming op de locatie [adres 2] bij de gemeente ingediend. In het verlengde daarvan heeft de gemeente geen planologische procedure opgestart ten behoeve van de locatie [adres 2].

2.17.

De gemeente heeft [eisers] bij brief van 25 september 2014 medegedeeld:

"Ter bevestiging van hetgeen in ons gesprek van afgelopen vrijdag, 19 september 2014, is besproken delen wij u het volgende mede:

- de gemeente heeft geen behoefte om de intentieovereenkomst, die per 1 juli 2014 is geëindigd, te verlengen;

- de in de intentieovereenkomst genoemde verplaatsing van uw bedrijf naar [adres 2] roept veel (maatschappelijke) weerstand op, waardoor dit scenario onzeker is geworden;

- voor de gemeente is verplaatsing van uw bedrijf niet noodzakelijk;

- wanneer uw bedrijf op de huidige locatie gevestigd blijft willen wij, teneinde de conclusie uit het IMK-rapport een plek te geven, met u in overleg treden over een financiële bijdrage. In dit verband kan gedacht worden aan een bijdrage in de gemaakte kosten van onderzoeken en tekeningen en in de schade ten gevolge van omzetderving in de afgelopen jaren en toekomstige jaren. (…)".

2.18.

Op 6 oktober 2014 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eisers] en de wethouders Vlieg en Smit van de gemeente. Naar aanleiding daarvan heeft de gemeente [eisers] bij brief van 30 oktober 2014 medegedeeld:

"(…) In dit overleg is aangegeven dat de gemeente het niet mogelijk acht de planologische procedure voor [adres 2] succesvol te doorlopen. De gemeente Assen is bereid om met u mee te denken over oplossingen op de huidige locatie.

Wij willen in dit verband zorgen voor een goede aansluiting van uw bedrijf op de hoofdinfrastructuur van het werklandschap Assen-Zuid.

Ook zijn wij bereid om onderzoek te doen naar een andere situering van categorie 4 bedrijven in de directe omgeving van uw bedrijf.

Graag willen wij bovenstaande punten in een vervolgoverleg met u bespreken".

2.19.

Bij brief van gelijke datum heeft de gemeente aan [eisers] bericht:

"(…) De gemeente Assen is uiteraard bereid om samen met u te zoeken naar oplossingen op de huidige locatie, om recht te doen aan de conclusies van het IMK-rapport. Over de mogelijkheden waarop dit concreet gemaakt zou kunnen worden hebben wij met u gesproken op 17 oktober jl. In navolging op dat gesprek kunnen wij u melden dat wij mogelijkheden zien om uw bedrijf op een goede manier te kunnen aansluiten op de hoofdinfrastructuur van het werklandschap Assen-Zuid. Ook zijn wij bereid om onderzoek te doen naar een andere situering van categorie 4 bedrijven in de directe omgeving van uw bedrijf. Graag willen wij bovenstaande punten in een vervolgoverleg met u bespreken.

Vanzelfsprekend blijft het voorstel dat wij gedaan hebben in onze brief van 25 september 2014 staan. De suggestie die wij in voorliggende brief doen beschouwen wij derhalve als een tweede mogelijkheid om tegemoet te komen aan de knelpunten die u ziet".

2.20.

De gemeente heeft [eisers] bij brief van 14 januari 2015 medegedeeld:

"Zoals eerder mondeling toegezegd bevestigen wij hierbij dat de gemeente Assen de familie [eisers] volledig zal betrekken bij alle communicatiemomenten die gehouden worden rondom de ontwikkeling van het Werklandschap Assen Zuid en bijbehorende ontsluitingen op de A28.

Ook zullen wij u actief informeren over het beschikbaar komen van (nieuwe) openbare informatie over de ontwikkeling van het Werklandschap, zoals bijvoorbeeld de formele rapportages die het college van burgemeester en wethouders elke kwartaal naar de gemeenteraad stuurt.

Tenslotte hebben wij toegezegd dat u nadrukkelijk op de hoogte wordt gesteld inzake formele besluiten die het college in de toekomst neemt, zoals een verkeersbesluit, indien die besluiten relevant voor u zijn. (…)".

2.21.

Na de eerste behandeling van onderhavige kort geding procedure hebben partijen onder leiding van een onafhankelijke derde, mr. H.J. de Groot te Groningen, op 19 mei 2015 gesproken over alternatieve locaties voor verplaatsing van de onderneming van [eisers] Hierbij zijn diverse locaties de revue gepasseerd.

2.22.

Op 2 juni 2015 heeft de gemeente aan [eisers] kenbaar gemaakt dat, wat het college van burgemeester en wethouders betreft, de locatie [adres 3] en de omdraaiing van het bedrijf op de huidige locatie de overgebleven alternatieve locatiemogelijkheden zijn.

3 Het standpunt van [eisers]

3.1.

leggen het volgende aan hun primaire vordering ten grondslag. Partijen zijn een intentieovereenkomst aangegaan om de te nemen stappen in het traject leidende tot verplaatsing van de onderneming van [eisers] vorm te geven. De gemeente dient deze intentieovereenkomst onverkort na te komen. Volgens [eisers] heeft de gemeente de uitvoering van de intentieovereenkomst in 2014 zodanig belemmerd dat zij het onmogelijk heeft gemaakt dat de in artikel 1 van de intentieovereenkomst voorziene anterieure overeenkomst tot stand is gekomen. Thans beroept de gemeente zich op de in artikel 7 lid 1 van de overeengekomen einddatum van de intentieovereenkomst, 1 juli 2014. Dat beroep dient gezien voornoemd handelen van de gemeente te falen in het licht van artikel 6:23 lid 2 BW. Redelijkheid en billijkheid verlangen dat deze (tijds)voorwaarde als niet vervuld wordt beschouwd, nu de gemeente - die bij deze vervulling kennelijk belang had - de vervulling teweeg heeft gebracht. Bovendien tast het door de gemeente gedane beroep op de tijdsbepaling in de intentieovereenkomst niet de uitgangspunten aan waarop de intentieovereenkomst is gebaseerd en dus óók niet de verplichting van de gemeente om de onderneming van [eisers], op kosten van de gemeente conform de daarvoor geldende regels van de Onteigeningswet, te verplaatsen naar de locatie [adres 2] te Assen.

3.2.

Ter onderbouwing van de subsidiaire vordering stellen [eisers] het volgende. Indien de intentieovereenkomst onverhoopt geëindigd zou zijn, blijven de uitgangspunten waarop deze was gebaseerd tussen partijen gelden. Krachtens deze uitgangspunten blijft de gemeente verplicht om de verplaatsing naar de locatie [adres 2] te Assen samen met [eisers] te regelen en de verplaatsingskosten voor haar rekening te nemen. Aangezien genoemde verplaatsing hoe dan ook geregeld moet worden, is de gemeente gehouden om terstond weer met [eisers] in onderhandeling te treden over het bereiken van een daarop betrekking hebbende regeling.

3.3.

Er dient een dwangsom te worden verbonden aan het jegens de gemeente uit te spreken (primaire dan wel subsidiaire) bevel, nu de gemeente te kennen heeft gegeven de intentieovereenkomst niet meer te willen nakomen, dat het tuincentrum maar op de huidige locatie moet blijven zitten en dat men geen geld heeft voor de overeengekomen bedrijfsverplaatsing. Gelet op een en ander bestaat de gerechtvaardigde vrees dat de gemeente zal blijven tegenstribbelen en dat ook na een veroordelend vonnis door de gemeente zal worden volhard in het vertragen van de nakoming van de gemaakte afspraken. De enige remedie die bij die stand van zaken overblijft, is oplegging van een dwangsom aan de gemeente, aldus [eisers]

4 Het standpunt van de gemeente

4.1.

[eisers] hebben geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De gevraagde voorziening is niet klemmend. Er is geen noodzaak voor het op stel en sprong sluiten van een anterieure overeenkomst inzake de bedrijfsverplaatsing. Bovendien hebben [eisers] de gemeente in september 2014 al laten weten dat men een gerechtelijke procedure zou entameren indien niet aan hun eisen zou worden voldaan. De gemeente heeft daarop destijds meteen geantwoord niet aan die eisen te zullen voldoen. Vervolgens hebben [eisers] de gemeente pas vijf maanden later in kort geding betrokken. Zij hadden evenzo goed al een bodemprocedure kunnen entameren.

4.2.

Toewijzing van één van de vorderingen van [eisers] zal leiden tot zeer hoge kosten voor de gemeente en grote sociale onrust rondom de locatie [adres 2] te Assen. Deze kosten en onrust zijn onnodig geweest indien de bodemrechter later tot een andersluidend oordeel zou komen. [eisers] vorderen immers het faciliteren en financieren van de bedrijfsverplaatsing naar de locatie [adres 2]. Dit terwijl zij weten dat deze locatie naar verwachting planologisch, milieutechnisch en verkeerstechnisch onhaalbaar zal zijn én maatschappelijk en bestuurlijk zeer gevoelig ligt. De provincie is bijvoorbeeld voornemens om een reactieve aanwijzing te geven als het gemeentebestuur een bestemmingsplanwijziging wil doorvoeren om de vestiging van het tuincentrum van [eisers] op deze locatie mogelijk te maken. Indien de gemeente wordt gedwongen om mee te werken aan bedrijfsverplaatsing naar de locatie [adres 2], volgt nog een langdurige procedure omdat daarvoor een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is, waartegen naar verwachting bezwaar en beroep zal worden aangetekend. Ook zullen er planschadeverzoeken worden ingediend indien er een bestemmingsplanwijziging komt.

4.3.

De intentieovereenkomst heeft geen werking meer tussen partijen, nu de duur ervan verstreken is, per 1 juli 2014. Daarmee is de gemeente niet langer gehouden tot nakoming van de daaruit voortvloeiende verplichtingen. Hierbij dient te worden bedacht dat de intentieovereenkomst tot stand is gekomen na langdurige onderhandelingen waarbij beide partijen door juristen werden bijgestaan. Kennelijk waren ook [eisers] zich ten volle bewust van de einddatum 1 juli 2014, gelet op de daaraan voorafgaande correspondentie die hun advocaat aan de gemeente heeft gericht. Het beroep van [eisers] op artikel 6:23 lid 2 BW faalt, omdat de gemeente geen invloed had op het verstrijken van de einddatum van de intentieovereenkomst.

4.4.

[eisers] verkeren in schuldeisersverzuim, nu zij niet zijn nagekomen de in de intentieovereenkomst opgenomen verplichtingen om een aanvraag voor een omgevingsvergunning, en haalbaarheidsplannen voor bedrijfsverplaatsing en de exploitatie van de onderneming op de locatie [adres 2] bij de gemeente in te dienen. Als gevolg daarvan kon de gemeente op haar beurt geen planologische procedure starten ten behoeve van die locatie. Zonder die planologische procedure kan er geen anterieure overeenkomst tot stand komen. Bovendien dient voorafgaand aan een anterieure overeenkomst eerst de taxatie van makelaar Riemeijer te worden afgewacht, aan de hand waarvan de grondprijzen kunnen worden vastgesteld. Het is aan [eisers] te wijten dat het tot dusverre nog niet tot een taxatie is gekomen. Zij hebben de opdracht aan de taxateur eenzijdig beëindigd. Waar [eisers] in schuldeisersverzuim verkeren, kunnen zij geen nakoming van de intentieovereenkomst - voor zover die nog zou bestaan - door de gemeente vorderen. De gemeente beroept zich voor dat geval op artikel 6:60 BW, ertoe strekkende dat zij van haar verbintenis is bevrijd wegens het schuldeisersverzuim aan de zijde van [eisers]

4.5.

De subsidiair gevorderde voorziening is niet toewijsbaar. De afspraak in de considerans van de intentieovereenkomst dat de gemeente zich committeert aan de conclusies uit het IMK-rapport - dat de onderneming van [eisers] niet levensvatbaar kan worden voortgezet op de huidige locatie - houdt niet in dat de gemeente verplicht is om mee te werken aan de verplaatsing van de onderneming naar de locatie [adres 2]. De conclusies van het IMK-rapport waren er immers op gebaseerd dat bij realisatie van een verkeersmaatregel op de [vestigingsweg] en bij komst van de toegelaten industrie de omzet van de onderneming sterk zal afnemen. Noch het één noch het ander is thans aan de orde. Buiten de intentieovereenkomst om hebben partijen géén afspraak over de bedrijfsverplaatsing naar de locatie [adres 2]. De gemeente is buiten de intentieovereenkomst om dus niet gehouden om een verplaatsing van de onderneming van [eisers] te faciliteren en financieel (geheel) te compenseren.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding om allereerst in te gaan op de vraag of de tussen partijen gesloten intentieovereenkomst ook ná 1 juli 2014 nog gelding heeft. Deze vraag dient naar voorlopig oordeel bevestigend te worden beantwoord. Vooropgesteld dient te worden dat in artikel 7.1. van de intentieovereenkomst een concrete einddatum voor deze overeenkomst is opgenomen, 1 juli 2014. Deze einddatum geldt in elk geval niet, indien voordien een anterieure overeenkomst tussen partijen is gesloten. Die uitzondering is hier echter niet aan de orde. In beginsel zou de intentieovereenkomst dan ook per 1 juli 2014 eindigen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de intentieovereenkomst echter stilzwijgend verlengd.

Daarvoor is redengevend dat [eisers] op grond van gedragingen van de gemeente hebben mogen aannemen dat de intentieovereenkomst ook na de periode waarvoor deze was aangegaan nog doorliep (vgl. HR 19 oktober 2007, LJN:BA6755). Voorafgaand aan de einddatum van de intentieovereenkomst heeft de advocaat van [eisers] de gemeente herhaaldelijk gewezen op de naderende einddatum van de overeenkomst en de gemeente tot actie dienaangaande gemaand, om tot termijnverlenging te komen. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente daarop op enigerlei wijze (afwijzend) heeft gereageerd. Pas bij brief van 25 september 2014 heeft de gemeente zich voor de eerste keer op het standpunt gesteld dat zij zich per 1 juli 2014 niet meer aan de intentieovereenkomst gebonden achtte, terwijl het alleszins voor de hand én op de weg van de gemeente had gelegen dat zij [eisers] - in het licht van de daarover aan haar gerichte correspondentie - tijdig in kennis had gesteld van haar standpunt dat de overeenkomst per 1 juli 2014 zou eindigen. Dit stilzitten aan de zijde van de gemeente heeft naar voorlopig oordeel bij [eisers] in de gegeven omstandigheden het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat de intentieovereenkomst óók na 1 juli 2014 nog gelding tussen partijen zou hebben. Opmerking verdient voorts nog dat de gemeente en [eisers] niet lang vóór die datum, bij brief van 29 april 2014, aan de taxateur zijn opdracht hadden verstrekt om de grondprijzen respectievelijk een schadeloosstelling te taxeren, conform de intentieovereenkomst. Kennelijk achtte de gemeente nakoming van de intentieovereenkomst toen nog alleszins opportuun.

5.2.

Vervolgens dient te worden vastgesteld welke verplichtingen er voor beide partijen uit de intentieovereenkomst voortvloeien. Daartoe komt het aan op de uitleg van de intentieovereenkomst. De voorzieningenrechter overweegt dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 januari 1981, NJ 1981, 635). Daarbij komt ook betekenis toe aan de aard van de transactie, de omvang en gedetailleerdheid van het contract en de wijze van totstandkoming ervan. In het onderhavige geval is sprake van een overeenkomst tussen professionele partijen, terwijl die partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst werden bijgestaan door (deskundige) juristen. Als uitgangspunt dient daarom beslissend gewicht te worden toegekend aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van de woorden van de omstreden bepaling, gelezen in het licht van de overige, voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst.

5.3.

Allereerst is de considerans van de intentieovereenkomst van belang. Daarin is immers de achtergrond van de in de intentieovereenkomst opgenomen afspraken opgenomen. Blijkens de considerans bevat het IMK-rapport de conclusie dat [eisers] de onderneming niet levensvatbaar kunnen voortzetten (op de huidige locatie, [adres 1] te Assen) als gevolg van het thans geldende bestemmingsplan. Voorts volgt uit de considerans dat de gemeente en [eisers] zijn overeengekomen dat de eigendomsoverdracht van het perceel [adres 1] en de verplaatsing van de onderneming van [eisers] zullen plaatsvinden tegen een volledige schadeloosstelling op basis van reconstructie (bedrijfsverplaatsing) conform de regels van de Onteigeningswet. Ten slotte volgt - voor zover van belang - uit de considerans dat de locatie [adres 2] te Assen, eigendom van de gemeente, als verplaatsingslocatie wordt aangemerkt. Uit punt 9 van de considerans kan worden afgeleid dat partijen tegen de achtergrond van hetgeen in de considerans is bepaald de afspraken als neergelegd in de intentieovereenkomst hebben gemaakt.

5.4.

De intentieovereenkomst moet vervolgens aldus worden begrepen dat partijen een aantal stappen zijn overeengekomen ten behoeve van de verplaatsing van het bedrijf van [eisers] naar de locatie [adres 2]:

(i) partijen zullen een zogeheten anterieure overeenkomst sluiten, die de kooptransactie inhoudt betreffende de locaties [adres 1] en [adres 2] te Assen, met de daarvoor geldende voorwaarden (artikel 1.1. en 1.2.);

(ii) de - in de anterieure overeenkomst op te nemen - koopprijs voor de locaties dient te worden bepaald op basis van de door de taxateur Riemeijer vast te stellen taxatiewaarden (artikel 1.2, tweede alinea). Genoemde taxateur moet tevens de totale schadeloosstelling berekenen volgens de regels van de Onteigeningswet bij voortzetting en verplaatsing en de onderneming (artikel 2.1. en 2.2.).

(iii) [eisers] zullen bij de gemeente een aanvraag indienen voor een omgevingsvergunning en een plan waaruit de financiële haalbaarheid blijkt van het voornemen om de onderneming naar de locatie [adres 2] te verplaatsen en aldaar te exploiteren (artikel 3.1.). Na ontvangst van die stukken dient de gemeente de benodigde planologische procedure op te starten en te doorlopen (artikel 3.2.);

(iv) Na ontvangst van het taxatierapport en na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan voor de locatie [adres 2] zullen partijen het moment van juridische overdracht van de beide locaties bepalen (artikel 4.1.);

(v) indien verplaatsing van de onderneming naar de locatie [adres 2] niet haalbaar blijkt, dan geldt artikel 6.2. van de intentieovereenkomst (artikel 3.3.).

5.5.

De primaire vordering van [eisers] strekt ertoe dat de gemeente verplicht wordt om ter uitvoering van de intentieovereenkomst een concept anterieure overeenkomst aan [eisers] toe te zenden, als - naar de voorzieningenrechter begrijpt - basis voor onderhandelingen over een uiteindelijke anterieure overeenkomst en de aldus te sluiten redelijke anterieure overeenkomst vervolgens in overeenstemming met de intentieovereenkomst uit te voeren. Deze vordering is om meerdere redenen niet toewijsbaar. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

5.5.1.

Allereerst hebben [eisers] het spoedeisend belang bij het treffen van een onmiddellijke voorziening in kort geding ter zake niet aannemelijk gemaakt. Met de gemeente is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen klemmende noodzaak is gebleken voor het op de kortst mogelijke termijn komen tot een anterieure overeenkomst. De discussie tussen partijen over de status van de intentieovereenkomst en de anterieure overeenkomst speelt al geruime tijd, in elk geval sinds september 2014. [eisers] hebben toen een kort geding blijkbaar niet meteen opportuun geacht. In de tussentijd hadden zij ook een bodemprocedure tegen de gemeente aanhangig kunnen maken. Tegen die achtergrond valt - zonder voldoende toelichting dienaangaande, die ontbreekt - niet in te zien waarom thans opeens uit hoofde van onverwijlde spoed een ordemaatregel geboden zou zijn. Aan [eisers] kan overigens worden toegegeven dat het bestemmingsplan ertoe heeft geleid dat een gedeelte van hun huidige perceel is "wegbestemd" ten behoeve van industrie. Daardoor kan men op de [adres 1] niet (meer) uitbreiden. Echter, niet gebleken is dat [eisers] thans concrete uitbreidingsplannen voor deze locatie hebben die op korte termijn in gang kunnen worden gezet. Bovendien is er vooralsnog geen aanleiding om te veronderstellen dat de door de gemeente in eerder stadium genoemde verkeersmaatregelen ten aanzien van de [vestigingsweg] - waardoor de bereikbaarheid van het tuincentrum in het gedrang zou komen - binnenkort geëffectueerd zullen worden. Kortom, niet aannemelijk is vooralsnog dat [eisers] thans reeds concreet nadeel ondervinden van het feit dat zij nog op de oude locatie [adres 1] zijn gevestigd, welk nadeel een voorziening in de door hen gewenste zin zou rechtvaardigen.

5.5.2.

Daarnaast verliezen [eisers] uit het oog dat voorafgaand aan het sluiten van een anterieure overeenkomst eerst een taxatie moet hebben plaatsgevonden, aan de hand waarvan vervolgens de precieze voorwaarden van de anterieure overeenkomst - zoals de koopprijs van de betreffende gronden - kunnen worden ingevuld. Zodanige taxatie heeft echter nog niet plaatsgevonden. Zonder de aanwezigheid van een dergelijke taxatie kunnen [eisers] niet van de gemeente verlangen dat deze een concept anterieure overeenkomst aan hen toezendt. De gemeente kan zonder genoemde taxatie geen, althans voldoende invulling geven aan een concept anterieure overeenkomst.

5.5.3.

Ten slotte stelt de voorzieningenrechter vast dat [eisers] - in strijd met artikel 3.1. van de intentieovereenkomst - tot dusverre hebben nagelaten om bij de gemeente een aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning. Evenmin hebben zij een plan waaruit de financiële haalbaarheid van het voornemen om de onderneming naar de locatie [adres 2] te verplaatsen en aldaar te exploiteren blijkt ingediend bij de gemeente. Daarmee hebben zij zelf verhinderd dat er door de gemeente een planologische procedure voor de voor vestiging van de onderneming op deze locatie noodzakelijke bestemmingsplanwijziging kon worden gestart. Zolang deze stukken niet door [eisers] bij de gemeente zijn ingediend, kunnen zij niet van de gemeente verlangen dat deze een concept anterieure overeenkomst aan hem toezendt. Onderdeel van de in artikel 3.1. van de intentieovereenkomst op [eisers] gelegde verplichtingen is immers dat zij een haalbaarheidsplan voor de bedrijfsverplaatsing naar en de exploitatie op de nieuwe locatie [adres 2] bij de gemeente indienen. Indien [eisers] dit haalbaarheidsplan niet indienen, heeft verder onderhandelen over de anterieure overeenkomst geen zin. Zonder haalbaarheidsplan is de gemeente niet gehouden tot medewerking aan de voorgenomen bedrijfsverplaatsing naar de locatie [adres 2].

5.6.

De subsidiaire vordering tot dooronderhandeling is ingesteld onder de voorwaarde dat de voorzieningenrechter van oordeel zou zijn dat de intentieovereenkomst geëindigd is. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt het tegendeel. Daarmee is de voorwaarde waaronder de subsidiaire vordering is ingesteld niet vervuld en komt de voorzieningenrechter niet aan de behandeling van die vordering toe.

5.7.

De gevraagde voorzieningen zullen derhalve worden geweigerd.

5.8.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

De weigering van de gevraagde voorzieningen laat onverlet dat partijen over en weer nog steeds gebonden zijn aan de intentieovereenkomst, strekkende tot verplaatsing van de onderneming van [eisers] naar de locatie [adres 2]. Het is thans aan partijen om - rekening houdende met elkaars gerechtvaardigde belangen - de uitvoering van de intentieovereenkomst verder vorm te geven. Daarover merkt de voorzieningenrechter op, dat het betoog van de gemeente dat verplaatsing van de onderneming naar de locatie [adres 2] niet haalbaar is, voorshands niet voldoende overtuigt. De gemeente heeft zich in de intentieovereenkomst, in beginsel, gecommitteerd om mee te werken aan een dergelijke bedrijfsverplaatsing en om daartoe een planologische procedure te starten (na indiening van de vereiste stukken). Aan die verplichting kan de gemeente zich niet zomaar onttrekken. Blijkens de sub 2.11. geciteerde antwoorden op raadsvragen realiseert de gemeente zich dat de planologische procedure niet zonder slag op stoot zal gaan, maar acht zij zich jegens [eisers] evenwel gebonden om aan een planologische procedure mee te werken. In dit kort geding heeft de gemeente niet voldoende, aan de hand van onderliggende bescheiden, onderbouwd dat dit geen haalbare kaart (meer) is. Bedacht dient ook te worden dat de gemeente zich in de intentieovereenkomst verbonden heeft om een maximale inspanning te verrichten om de vestiging van het tuincentrum van [eisers] op de locatie [adres 2] mogelijk te maken. Anderzijds, zo lang [eisers] geen omgevingsvergunning aanvragen voor de locatie [adres 2] en zij geen haalbaarheidsplan bij de gemeente indienen, is verplaatsing naar de locatie [adres 2] sowieso niet mogelijk. [eisers] zullen ter zake dus eerst zelf in beweging moeten komen, om de gemeente in staat te stellen om de overeengekomen planologische procedure te starten.

5.9.

Ter zitting is ook gesproken over mogelijke verplaatsing van het bedrijf van [eisers] naar de alternatieve locatie [adres 3], indien verplaatsing naar de locatie [adres 2]. Die locatie valt echter buiten de reikwijdte van de ingestelde vorderingen, die zien op de locatie [adres 2]. Overigens verdient nog aandacht dat partijen in artikel 6.2. van de intentieovereenkomst een regeling hebben getroffen, voor het geval de locatie [adres 2] niet haalbaar zou blijken te zijn.

5.10.

[eisers] zullen als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden vastgesteld op:

- vast recht € 613,00

- salaris advocaat € 1.632,00 (2 x tarief € 816,00, wegens twee zittingen)

---------------

€ 2.245,00

5.11.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, alsmede de gevorderde nakosten, zijn toewijsbaar als hierna in het dictum te melden.

6 BESLISSING

De voorzieningenrechter:

1. weigert de gevraagde voorzieningen;

2. veroordeelt [eisers] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, aan de zijde van de gemeente vastgesteld

op € 2.245,00, te voldoen binnen veertien dagen na heden, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na heden tot aan de dag der voldoening;

3. veroordeelt [eisers], eveneens hoofdelijk, in de nakosten ad € 131,00 zonder betekening van dit vonnis vermeerderd met € 68,00 in geval van betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, vanaf het verstrijken van deze termijn tot aan de dag der voldoening;

4. verklaart het vonnis voor wat betreft de veroordelingen sub 2. en 3. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Postma als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

343/MP