Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3346

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-06-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
18.830207-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

het plegen van ontuchtige handelingen buiten echt met iemand beneden de leeftijd van 16 jaar. Strafmaat.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830207-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

19 juni 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 juni 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.J. Wildeman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 29 augustus 2013 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en [pleegplaats 3], in elk geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het

- ( tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of

- aanraken van (een van) de borst(en) van die [slachtoffer] en/of

- aanraken van de vagina van die [slachtoffer] en/of

- tonen van zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer] en/of

- laten vastpakken, althans aanraken van zijn (stijve) penis door die [slachtoffer]

en/of

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer].

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 29 augustus 2013, opgenomen op pagina 26 e.v. van dossier nummer PL01ML-2013080659 d.d. 21 mei 2014 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [naam].

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 1 juni 2013 tot en met 29 augustus 2013 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en [pleegplaats 3], met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het

- ( tong)zoenen van die [slachtoffer] en

- aanraken van de borsten van die [slachtoffer] en

- aanraken van de vagina van die [slachtoffer] en

- tonen van zijn (stijve) penis aan die [slachtoffer] en

- laten vastpakken van zijn (stijve) penis door die [slachtoffer] en

- zich laten aftrekken door die [slachtoffer].

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren. Daarnaast heeft de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van

3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar gevorderd. Aan die voorwaardelijke straf moeten de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandeling bij de AFPN worden verbonden. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de ernst van het feit en de persoon van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de aard en de frequentie van de ontuchtige handelingen. Verdachte had een affectieve relatie met [slachtoffer] en de ontuchtige handelingen vonden plaats met wederzijds goedvinden.

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een taakstraf tussen de 180 en 240 uren, waarvan de helft voorwaardelijk. Het opleggen van bijzondere voorwaarden heeft geen meerwaarde, nu verdachte reeds begeleid wordt door de [instelling].

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het hem betreffende uittreksel uit de justitiƫle documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is gedurende een periode van ruim twee maanden een seksuele relatie aangegaan met [slachtoffer], een destijds veertienjarig meisje. Als volwassene had verdachte zich bewust dienen te zijn van de ongelijkheid in hun verhouding en de ongepastheid van de seksuele handelingen. Verdachte heeft zich kennelijk slechts laten leiden door zijn eigen lustgevoelens en heeft hiermee een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat een deels voorwaardelijke werkstraf van na te noemen duur passend en geboden is. De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie heeft gevorderd, nu de ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in het kader van een affectieve relatie tussen verdachte en [slachtoffer]. Verdachte heeft geen relevante documentatie en het gaat bovendien om een feit van inmiddels bijna twee jaar oud. Deze omstandigheden hebben de rechtbank er tevens toe gebracht om een voorwaardelijke taakstraf in plaats van een voorwaardelijke gevangenisstraf aan verdachte op te leggen en de proeftijd te bepalen op twee jaar.

In tegenstelling tot de reclassering en de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting op te leggen, omdat verdachte de strafwaardigheid van zijn handelen inmiddels inziet en al geruime tijd begeleid wordt door de [instelling].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 100 uren onbetaalde arbeid.

Bepaalt, dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 50 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.M. Oostdam, voorzitter, mrs. F.J. Agema en

J. van Bruggen, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2015.

Mr. Oostdam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.