Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3344

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-06-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
18/720011-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor meerdere bedreigingen, belaging, mishandeling partner en overtreding van een gedragsaanwijzing

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,184A,285,300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/720011-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 juni 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats 1], [woonadres],

thans gedetineerd in de [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 mei 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 december 2014

te [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Menameradiel,

een persoon genaamd [slachtoffer 1] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft

verdachte opzettelijk dreigend de woorden geuit: "Ik ben gisteren bij je thuis

geweest, ik rijt je open, ik maak je hartstikke dood en ik stop je in een cel

dan kan je haar neuken", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

2.

hij op of omstreeks 3 december 2014 en/of 6 december 2014, in elk geval in de

maand december 2014

te [pleegplaats 1] en/of te [pleegplaats 2], (althans) in de gemeente Menameradiel,

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven

krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van

strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 02 november 2014 gegeven

door de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland,

immers heeft verdachte opzettelijk zich begeven in de nabijheid van de woning

van [slachtoffer 1] en/of heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] telefonisch

benaderd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2014 tot en met 12 januari 2015,

te [pleegplaats 3], (althans) in de gemeente Leeuwarden, en/of te [pleegplaats 2], (althans)

in de gemeente Menameradiel,in elk geval in Nederland,

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de

persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd, [naam 2] (werknemer

jeugdbescherming Veilig Thuis), in elk geval van een ander, met het oogmerk

die [naam 2], in elk geval die ander, te dwingen iets te doen, niet te

doen, te dulden (te weten, onder meer, contact met zijn dochter(s) tot stand brengen) en/of vrees aan te jagen, door vrijwel dagelijks die

[naam 2] te bestoken met intimiderende en beledigende sms-berichten;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 9 juli 2014,

te [pleegplaats 2], (althans) in de gemeente Menameradiel,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk

mishandelend verdachtes levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer 2].

[slachtoffer 2], de keel heeft dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of

geschopt en/of getrapt en/of een gevulde drinkbeker, althans een zwaar en/of

hard voorwerp, tegen/in haar knieholte heeft gegooid, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 1 november 2014,

te [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 4] en/of [pleegplaats 1], (althans) in de gemeente Menameradiel

en/of te [pleegplaats 3], (althans) in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in de

provincie Friesland,

meermalen, op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, (telkens) een

vrouw, genaamd [slachtoffer 2] en/of (telkens) een man, genaamd [slachtoffer 1]

, (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk

voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd -zakelijk

weergegeven-:"het liefst snijd ik je nu de strot door" (waarbij verdachte op

dat moment een mes in zijn hand hield) en/of "had ik het mes maar in mijn

handen dan zou ik je je strot door snijden" en/of "ik rij je van de weg af"

en/of "als je een ander hebt ben je binnen 5 minuten dood" en/of dat hij haar

wil vermoorden en/of dat hij haar een vinger af zou snijden en/of dat hij haar

in de fik zou steken en/of haar open wil snijden en/of haar kapot wil maken,

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking

en/of

voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd -zakelijk

weergegeven-:"ik maak je dood" en/of "ik steek je huis in brand" en/of "alles

heb ik al klaar en voor mekaar om jou te vermoorden, ik snijd je open" en/of

"hij gaat er aan" (waarna verdachte (vervolgens) met een honkbalknuppel,

althans een hard (slag)voorwerp, in de auto richting de woonplaats van die

[slachtoffer 1] rijdt) en/of "al kost het mij jaren, hij gaat er aan en zijn

dochters ook" en/of "ik maak ze kapot of ik laat ze in elkaar schoppen" en/of

"ik maak hem kapot" en/of "dit is geen bedreiging, maar een belofte" en/of dat

hij zijn ex-vrouw en haar familie kapot zou maken en/of dat hij die vent zou

afmaken en/of dat zijn ex-schoonvader een groot probleem had en zou sterven

en/of dat hij hem letterlijk en figuurlijk total loss zou schoppen, althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking, welke bedreigingen hem rechtstreeks zijn aangedaan en/of hem via (een) derde(n), te weten de politie en/of zijn dochter(s) hebben bereikt.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het onder 1., 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

- oplegging van de bijzondere voorwaarde van reclasseringstoezicht, ambulante behandeling door de Forensische Poli van de GGZ, een contactverbod met [slachtoffer 2] alsmede haar kinderen en [slachtoffer 1], zolang de reclassering dat noodzakelijk acht met inachtneming van eventuele toekomstige beslissingen van de kinderrechter, alsmede Elektronisch Toezicht waarbij de reclassering in samenspraak met verdachte een dagschema met tijdstippen vast zal stellen, gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd;

- dadelijke uitvoerbaarheid van de genoemde bijzondere voorwaarden;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen honkbalknuppel;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot een bedrag van

€ 850,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en afwijzing van het overige;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot een bedrag van

€ 500,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en afwijzing van het overige.

Beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat niet wettig bewezen is dat verdachte [slachtoffer 1] opzettelijk heeft bedreigd met de ten laste gelegde bedreigende woorden, nu de aangifte niet wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen waaruit zou blijken welke woorden door verdachte zijn gebruikt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 mei 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2014170155-1, d.d. 3 december 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1];

3. een geschrift, zijnde een kopie van de gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstig belastend gedrag, d.d. 2 november 2014.

Ten aanzien van feit 3.

De rechtbank overweegt het volgende.

Belaging is ingevolge artikel 285b lid 2 van het Wetboek van Strafrecht een klachtdelict, wat betekent dat niet tot vervolging wordt overgegaan, tenzij een klacht is ingediend. Een klacht bestaat krachtens artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering uit een aangifte met een verzoek tot vervolging.

De klacht dient door de klachtgerechtigde in persoon, of door een ander, daartoe door de klachtgerechtigde van een bijzondere schriftelijke volmacht voorzien, te worden ingediend.

Op 13 januari 2015 heeft [naam 1] aangifte van (onder meer) belaging gedaan. Zij heeft deze aangifte in haar hoedanigheid van manager van de afdeling Jeugdbescherming van Veilig Thuis (voorheen Bureau Jeugdzorg) gedaan. In haar aangifte heeft zij verklaard dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op het persoonlijke leven van een werknemer van de jeugdbescherming van Veilig Thuis, [naam 2]. Vervolgens heeft [naam 1] een klacht ingediend en verzocht tot vervolging over te gaan.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 13 januari 2015 blijkt dat [naam 2] aan de verbalisant 148 sms-berichten heeft getoond. Verder heeft [naam 2] verklaard dat de berichten hem veel deden: het belemmerde hem in al zijn werkzaamheden, de berichten stoorden hem in zowel zijn werk als ook persoonlijk. Hij vond de berichten beledigend, opdringerig en dwingend.

De rechtbank leidt uit hetgeen hiervoor is overwogen af dat [naam 2] in zijn hoedanigheid van medewerker jeugdbescherming door verdachte is belaagd, dat hij hier veel last van heeft (gehad) en dat het ook de wil van [naam 2] is dat verdachte zal worden vervolgd.

De rechtbank acht derhalve het openbaar ministerie ontvankelijk in haar vervolging.

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde feit de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 mei 2015;

2. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2014170155-16, d.d. 13 januari 2015, inhoudende de aangifte van [naam 1];

3. het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal nr. 2014170155-20, d.d. 13 januari 2015, inhoudende de verklaring van verbalisant [naam 3].

Met betrekking tot feit 4.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014145351 Z, gesloten op 18 november 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014073401-1, d.d. 21 juli 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als aangifte van [slachtoffer 2]:

Ik doe aangifte van mishandeling gepleegd tegen mij door mijn vriend [verdachte].

Tussen zondag 25 mei en donderdag 29 mei 2014 ben ik meerdere malen door [verdachte] mishandeld. Ik ben in deze dagen meerdere malen door [verdachte] bespuugd en hard tegen mijn benen geschopt. [verdachte] heeft meerdere malen met kracht mijn keel dichtgeknepen. Ik kreeg dan geen adem.

Van het letsel van de mishandelingen in de week van 25 tot 29 mei zijn door mijn zus [naam 4] en vriendin [naam 5] foto's gemaakt. Ik zal ervoor zorgen dat u deze foto's krijgt.

1.2.

een letselverklaring met foto's, op 24 juli 2014, opgemaakt en ondertekend door [naam 6], arts bij de GGD Friesland, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Medische informatie betreffende:

Naam [slachtoffer 2]

Voornamen [slachtoffer 2].

Geboortedatum [geboortedatum 2]

Adres [adres 1]

Woonplaats [woonplaats 2]

Datum onderzoek 24-07-2014

Aanvullende informatie met betrekking tot het incident.

Mevrouw [slachtoffer 2] is op 3 juni 2014 bij haar huisarts [naam 7], te [plaats 1], geweest. Zij heeft een kopie van het consult d.d. 03-06-2014, afgedrukt op 21-07-2014 aan ons gegeven.

Citaat dossier huisarts:

Haematomen van ca 3x5 cm linker onderbeen mediaal en lateraal, knieholte rode striem (iets tegenaan gegooid) en rechter laterale dijbeen. Punt (duim) grote haematomen linker onderarm volair en dorsaal en links hoog mediaan in hals nog een restje duimhaematoom en zwelling met nog recht blauwgroen verkleuring wang links (gestompt).

Mevrouw [slachtoffer 2] heeft de digitale foto's, waarop de letsels te zien zijn, ons ter beschikking gesteld. Twee foto's, gemaakt door een vriendin, zijn genomen op 20-05-2014. Op 2-6-2014 heeft haar zus foto's gemaakt van de letsels.

De authenticiteit van de foto's is bepaald door de digitale informatie van de foto's te bestuderen. Daarnaast werden de aangeleverde foto's met letsels op basis van lichaamskenmerken (zoals bijvoorbeeld moedervlekken) beoordeeld of het gefotografeerde letsel daadwerkelijk bij mevrouw [slachtoffer 2] hoort.

Ten tijde van het spreekuur waren er geen letsels meer zichtbaar op het lichaam van betrokkene.

Letselbeschrijving

De beoordeling van de letsels is gebaseerd op de door betrokkene aangeleverde foto's.

De kwaliteit van de foto's is goed genoeg om de letsels te kunnen beschrijven en beoordelen.

Foto 1 en 2: 20 mei 2014; linkerknieholte; paars/rode verkleuring, passend bij onderhuidse bloeduitstorting.

Foto 4: 2 juni 2014, linker onderarm, geel/bruin verkleuring passend bij een onderhuidse bloeduitstorting.

Foto 5: 2 juni 2014; rechterbeen; verscheidene onderhuidse bloeduitstortingen met verschillende grootte, kleur en vorm.

Foto 7: 2 juni 2014; linkeronderbeen/knie; verscheiden onderhuidse bloeduitstortingen.

Interpretatie van de letsels:

Verspreid over de verschillende ledematen zijn gebieden van verschillende grootte en vorm met onderhuidse bloeduitstortingen zichtbaar. Deze worden veroorzaakt door inwerking van uitwendig geweld en kunnen worden veroorzaakt door bijvoorbeeld slaan, schoppen, stompen, stoten enz.. Het totale beeld van het aantal letsels, de vormen, de verspreiding over het lichaam, de aard van de letsels en de locaties past beter bij toegebrachte letsels dan accidenteel.

De huisarts beschrijft in zijn dossier dat hij een duimgrote bloeduitstorting in de hals van betrokkene heeft gezien. Zijn bevinding zou haar verhaal van dichtknijpen van de keel bij betrokkene bevestigen.

Conclusie

De geconstateerde letsels kunnen zijn ontstaan op het moment zoals mevrouw [slachtoffer 2] heeft verklaard en kunnen passen bij de door haar gegeven toedracht.

1.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014135052-11, d.d. 1 november 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

V: Snap jij dat [slachtoffer 2] redenen heeft om bang voor jou te zijn?

A: Ik snap het wel want ik kan heel fel uit de hoek komen.

Ik heb, voordat zij bij mij wegging, wel eens een nagenoeg volle kinderdrinkbeker in haar richting gegooid. Deze kwam in haar knieholte terecht. Ik denk dat de afstand hooguit een meter was. Ik gooide op mijn hardst in de hoop dat ze zou schrikken en ophouden met dat gezeur en gezeik.

V: Ik heb gehoord dat je haar eens bij de strot zou hebben gehad.

A: Dat was vlak voordat ze bij mij wegging. Ik heb haar toen rechtstreeks met mijn hand bij haar strot gepakt en tegen de muur op gezet. Ik was heel erg boos. Ik heb er ook geen spijt van. Ik heb haar daarna bij haar jurkje gepakt en nog bij de kast omhoog gezet. Ze heeft me tot het uiterste gedreven.

1.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014135052-12, d.d. 2 november 2014, opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

V: [slachtoffer 2] geeft aan dat zij meerdere malen door jou zou zijn mishandeld.

A: Ik heb haar twee keer bij de keel gepakt. Ik heb eens tegen haar borstbeen gedrukt. Toen kwam ze boven tegen de kast aan.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 4. ten laste feit met uitzondering van het gooien van de drinkbeker. Ten aanzien van het dichtknijpen van de keel en het schoppen of trappen heeft de raadsman aangevoerd de foto's in het procesdossier ontoereikend zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De foto's voldoen niet aan de forensische norm en de medicus heeft slechts aangegeven dat het mogelijk is gegaan zoals door aangeefster is aangegeven.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hij aangeefster tweemaal bij de keel heeft gepakt en tegen haar borstbeen heeft gedrukt. Ten aanzien van de foto's overweegt de rechtbank dat de deskundige heeft verklaard dat de foto's -hoewel deze niet voldoen aan de forensische norm- voldoende zijn om een oordeel op te baseren. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman op dit punt.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank het onder 4. tenlastegelegde worden bewezen.

Met betrekking tot feit 5.

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer 2014145351 Z, gesloten op 18 november 2014, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

1.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014135052-5, d.d. 1 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Ik hoorde op 31 oktober 2014 te [pleegplaats 2] dat verdachte [verdachte] zei: 'Ik neem ontslag en hij gaat er aan.' Ik vermoed dat [verdachte] met 'hij' doelt op zijn ex-schoonvader [slachtoffer 1]. Ik zag dat verdachte plots een honkbalknuppel in zijn rechterhand had en hard wegrende. Ik zette met een onopvallend dienstvoertuig de achtervolging in op de verdachte. Ik vermoedde dat de verdachte naar de woning zou gaan van zijn ex-schoonvader. Toen ik [pleegplaats 2] uitreed, zag ik voor mij een witte personenauto met zeer hoge snelheid van rechts komen. Ik zag dat een opvallend politievoertuig ook de witte auto achtervolgde. Ik zag dat de witte auto plots tot stilstand kwam op de parkeerplaats. Ik zag dat de bestuurder uitstapte en ik herkende deze als [verdachte]. Ik hoorde dat hij onder andere zei: 'Al kost het mij jaren, hij gaat er aan. En zijn dochters ook'. Ik vermoedde dat hij hiermee zijn ex-vrouw [slachtoffer 2] bedoelde en haar zus [naam 4].

Op dinsdag 14 oktober 2014 verklaart [verdachte] aan mij dat hij vals beschuldigd wordt door zijn ex-vrouw en haar familie. Vervolgens hoor ik hem zeggen: 'ik maak ze kapot of ik laat ze in elkaar schoppen.' 'Mijn ex-schoonvader heeft op mij en mijn kind ingereden. Als justitie geen passende straf voor hem heeft, dan straf ik hem en maak ik hem kapot.' Ik wijs [verdachte] op het feit dat hij bedreigingen uit. [verdachte] antwoordt hierop: 'Het is geen bedreiging, dit is een belofte.'

1.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014135052-6, d.d. 31 oktober 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op 31 oktober 2014 was ik te [pleegplaats 1]. Tijdens het vervoer van de brug bij [pleegplaats 1], waar [verdachte] aangehouden is, tot het arrestantencomplex te [pleegplaats 3], heb ik hem verschillende bedreigingen horen uiten. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat zijn ex-schoonvader een groot probleem had en zou sterven.

1.3.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014118915-1, d.d. 17 oktober 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als aangifte van [slachtoffer 2]:

Op zondag 17 augustus 2014 troffen mijn ex-man [verdachte] en ik elkaar bij het tankstation [bedrijfsnaam 1] in [pleegplaats 3] in verband met de overdracht van de kinderen.

Ik hoorde dat mijn ex-man tegen mij zei: 'denk maar niet dat je sneller bent dan mij, ik rij je van de weg af.' Ik ben toen overstuur weggereden.

Op zondag 31 augustus 2014 bevonden wij ons weer bij tankstation [bedrijfsnaam 1]. Ik hoorde toen dat mijn ex-man tegen mij zei dat hij mij wilde vermoorden.

Op maandag 15 september 2014 stonden ik en mijn ex op de carpoolplaats bij [pleegplaats 2]. Ik hoorde dat hij tegen mij schreeuwde dat hij een vinger van mij zou afsnijden. Onze jongste dochter was er bij. Ook hoorde ik dat hij tegen mij zei: 'als jij een ander hebt, ben je binnen vijf minuten dood.'

Op 21 september 2014 was er wederom een overdracht van de kinderen. Ik hoorde dat mijn ex tegen mij zei dat als er een ander komt, ik dan niet lang meer zal leven. Ook hoorde ik dat mijn ex-man tegen mij zei dat ik naast [naam 8] kom te liggen, want hij steekt mij zo in de fik. [naam 8] ligt momenteel in het brandwondencentrum in [plaats 2].

Donderdag 16 oktober 2014 belde mijn ex mij boos op. Ik hoorde toen dat hij zei dat hij mij in de fik wilde steken. Ik hoorde dat hij tegen mij zei dat hij mij open wilde snijden. Ik hoorde dat hij zei: 'waar wil je dood, zeg het maar'. 'Waar zal ik jou in de fik steken'.

'Waar moet ik jou open snijden'. 'Neem maar afscheid, ik maak je kapot'. 'Ik zal er van genieten, als je dat maar weet. Ik kom er zelfs op klaar'.

Ik ben heel erg bang voor mijn ex. Ik ben bang dat hij zijn bedreigingen zeker ten uitvoer zal brengen.

1.4.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014118915-4, d.d. 1 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van verbalisant:

Op dinsdag 21 oktober 2014 belde ik met [verdachte]. Ik heb [verdachte] uitgelegd wat het Veiligheidshuis is en dat alle ketenpartners in overleg gaan om tot beter overleg en omgang met zijn ex-vriendin [slachtoffer 2] te komen. [verdachte] was nauwelijks te onderbreken en hij dreigde zijn ex-vrouw en haar familie kapot te maken.

1.5.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014135052-1, d.d. 2 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als aangifte van [slachtoffer 1]:

U vertelt mij net dat [verdachte] is aangehouden nadat hij naar mij op weg was met een honkbalknuppel. Ook vertelt u mij dat hij diverse uitlatingen heeft gedaan waaruit blijkt dat hij mij wat aan wil doen. Sinds zo'n twee maanden weet ik via mijn dochters dat hij mij met de dood bedreigt. In eerste instantie dacht ik dat hij niks zou doen. Maar ik heb wel altijd het gevoel gehad dat er een moment zou komen dat hij wel wat zou doen. Mijn angst is dat hij mij wat aan doet maar ook vooral [slachtoffer 2] of [naam 9]. Zodra ik een auto hoor ben ik er mee bezig en denk ik dat het [verdachte] zou kunnen zijn. Ik laat de buitenverlichting 's avonds ook branden.

Ik heb van twee telefoongesprekken wat dingen opgeschreven, zodat u een beeld krijgt van wat hij tegen mij zegt. Op dinsdag 28 oktober 2014 omstreeks 21.05 uur belde hij mij. Hij zei o.a.: 'maak je dood', 'alles heb ik al klaar en voor mekaar om jou te vermoorden', 'ik snij je open, dan kom ik klaar'. Ik kan u vertellen dat ik na deze gesprekken er gewoon beroerd van was. Ik weet niet meer wat ik moet doen.

1.6.

de door verdachte op de terechtzitting van 21 mei 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb bij één van de overdrachtsmomenten tegen [slachtoffer 2] gezegd dat als ze er met mijn kinderen vandoor gaat, ik mijn auto voor haar auto steek en haar van de weg druk.

1.7.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014135052-11, d.d. 1 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

V: Snap jij dat [slachtoffer 2] redenen heeft om bang voor jou te zijn?

A: Ik snap het wel want ik kan heel fel uit de hoek komen.

Op 31 mei 2014 vertelde [slachtoffer 2] mij dat ze naar [bedrijfsnaam 2] zou gaan, maar kwam vervolgens niet weer terug. Ik heb toen de politie gebeld en mijn schoonvader [slachtoffer 1]. Ik heb toen gezegd tegen hem dat als hij nog eens dreigde mijn kinderen af te pakken, ik hem letterlijk en figuurlijk total loss schop.

1.8.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer 2014135052-14, d.d. 3 november 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

V: Je bent vrijdagavond 31 oktober 2014 aangehouden omdat je bedreigingen hebt geuit jegens je schoonvader. Wat wilde je met die honkbalknuppel?

A: Ik wilde hem te lijf gaan met die honkbalknuppel althans in ieder geval de ramen eruit slaan.

V: Vanaf 31 mei 2014 heb jij diverse bedreigingen geuit jegens [slachtoffer 2] ?

A: Ik heb van alles tegen haar gezegd. Dat ik haar af zou maken als ze de kinderen bij me weg gaat houden.

Redengeving bewezenverklaring

De rechtbank acht de in de bewijsmiddelen genoemde feiten en omstandigheden redengevend voor hetgeen bewezen is verklaard en op grond daarvan heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

2.

hij op 3 december 2014 en 6 december 2014, te [pleegplaats 2], in de gemeente Menameradiel,

opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 02 november 2014 gegeven door de officier van justitie in het arrondissement Noord-Nederland, immers heeft verdachte opzettelijk die [slachtoffer 1] telefonisch benaderd;

3.

hij in de periode van 1 november 2014 tot en met 12 januari 2015, te [pleegplaats 3], in de gemeente Leeuwarden, en te [pleegplaats 2], in de gemeente Menameradiel, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een persoon, genaamd, [naam 2] (werknemer jeugdbescherming Veilig Thuis), met het oogmerk die [naam 2] te dwingen iets te doen, te weten, onder meer, contact met zijn dochter(s) tot stand brengen en vrees aan te jagen, door vrijwel dagelijks die [naam 2] te bestoken met intimiderende en beledigende sms-berichten;

4.

hij in de periode van 1 mei 2014 tot en met 9 juli 2014, te [pleegplaats 2], in de gemeente Menameradiel, meermalen, op verschillende tijdstippen, telkens opzettelijk mishandelend verdachtes levensgezel, te weten [slachtoffer 2], de keel heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en geschopt en getrapt en een gevulde drinkbeker, tegen haar knieholte heeft gegooid, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

5.

hij in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 1 november 2014, te [pleegplaats 2] en [pleegplaats 4] en [pleegplaats 1], in de gemeente Menameradiel en te [pleegplaats 3], in de gemeente Leeuwarden, meermalen, op verschillende tijdstippen, een vrouw, genaamd [slachtoffer 2] en een man, genaamd [slachtoffer 1], telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd -zakelijk weergegeven: "ik rij je van de weg af" en "als je een ander hebt ben je binnen 5 minuten dood" en dat hij haar wil vermoorden en dat hij haar een vinger af zou snijden en dat hij haar in de fik zou steken en haar open wil snijden en haar kapot wil maken, en voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd -zakelijk weergegeven-:"ik maak je dood" en "alles heb ik al klaar en voor mekaar om jou te vermoorden, ik snijd je open" en "hij gaat er aan" waarna verdachte vervolgens met een honkbalknuppel in de auto richting de woonplaats van die [slachtoffer 1] rijdt en "al kost het mij jaren, hij gaat er aan en zijn dochters ook" en "ik maak ze kapot of ik laat ze in elkaar schoppen" en "ik maak hem kapot" en "dit is geen bedreiging, maar een belofte" en dat hij zijn ex-vrouw en haar familie kapot zou maken en dat hij die vent zou afmaken en dat zijn ex-schoonvader een groot probleem had en zou sterven en dat hij hem letterlijk en figuurlijk total loss zou schoppen, welke bedreigingen hem rechtstreeks zijn aangedaan of hem via derden, te weten de politie en zijn dochters hebben bereikt.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2.

Opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.

3 .

Belaging

4.

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel, meermalen gepleegd.

5.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

en

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende enige maanden schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel. Voorts heeft hij haar en haar vader meermalen bedreigd en zich niet gehouden aan de hem gegeven gedragsaanwijzing. Ook heeft hij zich gedurende enige maanden schuldig gemaakt aan de belaging van een medewerker van Jeugdzorg. Verdachte is daarbij zeer dwingend opgetreden jegens aangevers en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen belangen.

De rechtbank tilt zwaar aan deze inbreuk op de privélevens van zijn (ex)partner, haar vader en de medewerker van Jeugdzorg door verdachte. De rechtbank stelt vast dat verdachte ter zitting geen tot weinig besef heeft getoond van het ongeoorloofde van zijn handelen. Mede op grond daarvan acht de rechtbank het recidiverisico groot.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat door de Forensische Polikliniek GGZ bij verdachte een stoornis in de impulscontrole alsmede antisociale trekken en PTSS zijn vastgesteld. De reclassering veronderstelt dat deze vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek maakt dat verdachte over onvoldoende copingvaardigheden beschikt die hem in staat stellen op een adequate manier om te gaan met zijn machteloosheid, boosheid en zijn gevoel om niet gehoord te worden, daar waar het gaat om zijn kinderen en zijn rol als vader daarin. Hij laat zich vooral leiden door zijn emoties en heeft het gevoel niets meer te verliezen te hebben. De reclassering maakt zich zorgen en kan escalaties in de toekomst niet uitsluiten. Zij schat het recidiverisico in als hoog gemiddeld. De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen, waaronder een contact- en locatieverbod. Tot slot adviseert de reclassering dadelijke uitvoerbaarheid van het toezicht en de bijzondere voorwaarden.

Ter terechtzitting heeft de reclassering daarnaast geadviseerd gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd elektronisch toezicht op te leggen, gelet op het recente overtreden van de bijzondere voorwaarden, gesteld bij de schorsing van de voorlopige hechtenis, door verdachte.

De rechtbank heeft gelet op de omstandigheid dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 1 april 2015 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank is op grond van de ernst van de bewezen verklaarde feiten, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, van oordeel dat de eis van de officier van justitie passend en geboden is. De omstandigheid dat de rechtbank één feit minder bewezen acht dan de officier van justitie, maakt dat niet anders. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel voorwaarden ter voorkoming van herhaling verbinden, inhoudende een meldingsgebod, een behandelverplichting en een contactverbod.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat een elektronisch toezicht verbonden dient te worden aan een locatieverbod, zoals tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte ook reeds het geval was, mede in verband met de uitvoerbaarheid van een dergelijk toezicht.

Dadelijke uitvoerbaarheid

De rechtbank zal, gelet op artikel 14e van het Wetboek van Strafrecht, bepalen dat de hierna te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

De rechtbank is van oordeel dat aan dit criterium wordt voldaan nu verdachte wordt veroordeeld voor mishandeling en bedreiging. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte een bedreigende situatie heeft gecreëerd voor de slachtoffers. Ook is in dit verband van belang het recidivegevaar zoals naar voren komt uit het reclasseringsadvies en de omstandigheden die hebben geleid tot opheffing van verdachtes schorsing uit de voorlopige hechtenis, kort voor de terechtzitting in deze zaak.

Inbeslaggenomen goed

De rechtbank acht de inbeslaggenomen de honkbalknuppel, Adirondack 302sf, kleur beige, vatbaar voor verbeurdverklaring nu met dit voorwerp feit 5. is begaan en deze toebehoort aan verdachte.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van de aan verdachte onder 4. en 5. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht dat deel van de vordering, dat onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

[slachtoffer 1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van de aan verdachte onder 2. en 5. ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde immateriële schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend.

De rechtbank acht dat deel van de vordering, dat onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, nu de vordering in zoverre onvoldoende is onderbouwd.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 57, 184a, 285, 285b, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2., 3., 4. en 5. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 220 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 in Leeuwarden;

2. dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Forensische Polikliniek GGZ op de tijden en plaatsen als door of namens die kliniek aan te geven, teneinde zich te laten behandelen;

3. dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] [naam 11], [naam 9], [naam 10] en [slachtoffer 1], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, met inachtneming van eventuele beslissingen van de kinderrechter;

4. dat veroordeelde gedurende de proeftijd zich niet ophoudt in een cirkel met een straal van: 1500 meter rond [adres 2], [plaats 3] (adres [slachtoffer 2]) en 500 meter rond [adres 1], [plaats 4] (adres ex-schoonzus/zwager),

waarbij veroordeelde zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarde, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen honkbalknuppel Adirondack 302sf, kleur beige.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 850,00 (zegge: achthonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 850,00 (zegge: achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M. Jansen en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 juni 2015.

w.g.

Brinksma

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Jansen

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Vlietstra

locatie Leeuwarden,

Postma-Westerhof