Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3286

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
18.267186-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

“Werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor daders van openlijke geweldpleging en wederrechtelijke vrijheidsberoving, gepleegd door drie mannen die in het openbaar een jongeman sloegen en schopten en hem vervolgens tegen zijn wil hardhandig in één van hun auto’s plaatsten”

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,141,282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/267186-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

11 juni 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

28 mei 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Eefting, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.I. de Ruiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 oktober 2014, te [pleegplaats],

openlijk, te weten op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op

of aan een openbare weg, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer],

welk geweld bestond uit het slaan en/of het schoppen tegen het lichaam van

die [slachtoffer] en/of het optillen (bij/onder de oksels) van die [slachtoffer]

en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met kracht in het gezicht,

althans tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen en/of met kracht tegen

de/een be(e)n(en) te schoppen en/of te trappen, tengevolge waarvan die [slachtoffer]

op de grond is gevallen;

2.

hij op of omstreeks 17 oktober 2014, te [pleegplaats],

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd

gehouden, immers heeft hij verdachte en/of zijn mededader(s) hardhandig

vastgepakt en/of meegetrokken en/of meegesleurd en/of (vervolgens) in een

voertuig gesleurd en/of gezet en/of vervoerd en/of meegenomen.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte samen met twee medeverdachten aangever heeft mishandeld. Ieder van hen had daarin een significant aandeel. Deze mishandeling vond voor een ieder zichtbaar plaats aan de openbare weg. Er is dan ook sprake van openlijke geweldpleging. Aangever is, nadat hij was mishandeld, door verdachte en zijn medeverdachten tegen zijn wil in een auto gezet en naar zijn woning vervoerd. Dit ging niet zachthandig. Hoewel het een kort ritje was, was wel sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het de vraag is of deze situatie valt onder wat de wetgever heeft bedoeld met wederrechtelijke vrijheidsberoving, gelet op de zeer korte afstand en duur van het ritje in de auto, het feit dat aangever kennelijk niet heeft geprobeerd uit de auto te komen, en het feit dat de getuige niet heeft verklaard dat het in de auto zetten ook met geweld gepaard ging. Als dit al wederrechtelijke vrijheidsberoving oplevert, is het de lichtste vorm.

Beoordeling van het bewijs

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank past met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2014, opgenomen op p. 22 e.v. van dossier nummer 2014171685 d.d. 5 december 2014 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank heeft bij de beoordeling van het onder 2 ten laste gelegde acht geslagen op de inhoud van de volgende bewijsmiddelen, in de wettelijke vorm opgemaakt, zakelijk weergegeven.

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 22 oktober 2014, opgenomen op p. 22 e.v. van dossier nummer 2014171685 d.d. 5 december 2014 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

Nadat ik op 17 oktober 2014 klappen en schoppen had gekregen, werd ik in het onbekende voertuig gesleurd.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 26 november 2014, opgenomen op p. 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte:

Ik heb [slachtoffer] toen hardhandig de auto ingewerkt.

De door verdachte op de terechtzitting afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

We pakten [slachtoffer] bij zijn oksels en hebben hem voor in de auto gezet.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 28 november 2014, opgenomen op p. 43 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1]:

We hebben de jongen met zijn drieën hardhandig in het busje gezet, want hij wilde niet mee.

Een proces-verbaal van verhoor d.d. 20 november 2014, opgenomen op p. 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2]:

Toen die jongen bij mij in de auto is gezet, is dit heus niet zachthandig gegaan. Zo graag wilde hij ook niet mee in de auto.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank overweegt dat wanneer iemand tegen diens wil hardhandig in een auto wordt gezet om hem mee te nemen, al is dat maar van korte duur, dit wederrechtelijke vrijheidsberoving oplevert. Uit de jurisprudentie blijkt dat de wetgever, mede gelet op het feit dat naast het van de vrijheid beroven ook het daarvan beroofd houden strafbaar is gesteld, doelt op het iemand doen vertoeven zonder dat de dader daartoe gerechtigd is op een plaats waarvan of waaruit deze zich niet op ieder gewenst moment kan verwijderen, ook al bestaat bij de dader niet het opzet om de toestand van vrijheidsbeneming zich te doen uitstrekken over een langere tijd. Van 'van de vrijheid beroofd houden' is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Verdachte zal van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 17 oktober 2014, te [pleegplaats], openlijk, te weten op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, genaamd [slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en het schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer] en het optillen (bij/onder de oksels) van die [slachtoffer] en vervolgens meermalen met kracht in het gezicht slaan of stompen en met kracht tegen de benen schoppen en/of trappen, tengevolge waarvan die [slachtoffer] op de grond is gevallen;

2.

hij op 17 oktober 2014, te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk

[slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte en zijn mededaders, die [slachtoffer] hardhandig vastgepakt en meegetrokken en/of meegesleurd en vervolgens in een voertuig gesleurd en/of gezet.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde levert op:

  1. het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

  2. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat het ernstige feiten betreft, dat zij - gezien de opstelling van verdachte ter zitting - een recidivekans aanwezig acht, en dat verdachte de aanvoerder was in het geheel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een matiging van de op te leggen taakstraf en het achterwege laten van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Van een recidivekans blijkt niet, verdachte is first offender en heeft zichzelf direct na het voorval gemeld bij de politie. Bovendien moet de voorgeschiedenis die verdachte met het slachtoffer had worden meegewogen in de straf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met twee vrienden de ex-vriend van zijn dochter met zijn bus achtervolgd en hem, toen hij hem te pakken had gekregen, mishandeld door hem te schoppen en te slaan. Vervolgens, nadat de jongen was afgetuigd, is hij hardhandig en tegen zijn wil door verdachte en zijn vrienden in het busje van één van de medeverdachten gezet. Dit betreffen ernstige feiten, waarbij verdachte zonder verder nadenken heeft besloten voor eigen rechter te spelen in een situatie waarin hij meende dat zijn dochter onrecht was aangedaan door het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte dit aan. Dergelijke feiten rechtvaardigen in beginsel een gevangenisstraf. De rechtbank houdt rekening met het feit dat de wederrechtelijke vrijheidsberoving er één is van de lichtste vorm en met het feit dat verdachte geen strafblad heeft. Mede gelet daarop zal de rechtbank de duur van de gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie matigen en deze in geheel voorwaardelijke vorm opleggen. Daarnaast acht de rechtbank een forse taakstraf passend. Bij de bepaling van de hoogte daarvan heeft de rechtbank mede de leidende en initiërende rol van verdachte in het geheel meegewogen.

Vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde)

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 25,-- aan materiële schade en € 350,-- aan immateriële schade.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het materiële gedeelte van de vordering kan worden toegewezen, maar dat de benadeelde partij in het immateriële gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien er in de optiek van verdachte sprake is van een soort van eigen schuld.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die niet dan wel onvoldoende gemotiveerd door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank zal tot slot ook de hoofdelijkheid bepalen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 141 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij (m.b.t. het onder 1 bewezen verklaarde)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 375,-- (zegge: driehonderdvijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 375,-- (zegge: driehonderdvijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 oktober 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 25,-- aan materiële schade en € 350,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. J.J. Schoemaker, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 juni 2015.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.