Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3091

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-06-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
18.830126-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor ontuchtige handelingen, mede bestaande uit seksueel binnendringen, gepleegd met minderjarige gedurende enkele jaren

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,245
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/830126-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 juni 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

13 februari 2015 en 26 mei 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. de Groene, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 juni 2003 tot 4 juni 2007, op diverse

data en/of tijdstippen, te [pleegplaats], (in elk geval) in het arrondissement

Noord Nederland, (meermalen) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]),

die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had

bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

(meermalen):

- met die [slachtoffer] getongzoend en/of

- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht

en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en/of

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen, met dien verstande dat de periode waarin de handelingen hebben plaatsgevonden moet worden beperkt tot het tijdvak van augustus 2005 tot 4 juni 2007. Immers, in augustus 2005 is de tante van het slachtoffer overleden, en het was in de periode nadat zij was overleden dat het misbruik begon. Dit volgt uit de verklaring van de moeder van het slachtoffer. Uit de verklaring van verdachte zelf blijkt dat het misbruik begon toen het slachtoffer 14 jaar was (in 2005), hetgeen daarbij aansluit.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het ten laste gelegde voor zover betrekking hebbende op de feitelijke handelingen de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering. Hetgeen aan inhoud is opgenomen heeft enkel betrekking op de ten laste gelegde periode, nu verdachte de feitelijke handelingen heeft bekend.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober 2013, opgenomen op p. 13 e.v. van dossier nummer 2013091254 d.d. 10 maart 2014, van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [slachtoffer]:

Het is begonnen toen ik 12 of 13 jaar oud was en het stopte toen ik 17 jaar was. Ik weet dat omdat mijn tante [naam] toen ziek werd en thuis lag. Toen ik 13 jaar was, gaf hij me een tongzoen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de aangifte bewezen kan worden verklaard dat de ontuchtige handelingen gedurende de gehele ten laste gelegde periode hebben plaatsgehad. Aangeefster is er duidelijk over wanneer het misbruik begon en koppelt dit aan een gebeurtenis die veel impact op haar had, namelijk de ziekte van haar tante. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de aangifte, ook op dit punt. Door de raadsvrouw wordt het begin van het misbruik gekoppeld aan het overlijden van deze tante, maar uit de aangifte blijkt dat rond het ziektestadium daaraan voorafgaand het misbruik begon. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw. Daarbij merkt de rechtbank wel op dat de meest ernstige vorm van ontuchtig handelen zich in de periode vanaf het moment dat aangeefster 14 jaar oud was, in 2005, heeft voorgedaan. Daarmee houdt de rechtbank rekening bij de bepaling van de straf.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij in de periode van 4 juni 2003 tot 4 juni 2007 op diverse data en tijdstippen, te [pleegplaats], meermalen met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen:

- met die [slachtoffer] getongzoend en

- zijn penis en/of vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht

en

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en

- zijn penis in de anus van die [slachtoffer] gebracht.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

AVAS-verweer

Door de raadsvrouw is bepleit dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, nu verdachte door zijn beperkingen niet in staat zou zijn zich het ongeoorloofde en verwijtbare van zijn gedrag in te zien. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De rechtbank verstaat dit verweer als een beroep op dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezen verklaarde: verdachte zou niet hebben geweten dat zijn gedragingen strafbaar zijn. Voor het honoreren van een dergelijk verweer moet aannemelijk zijn dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was (HR 9 maart 2004, NJ 2004/675, LJN AO1490). De rechtbank is van oordeel dat van die situatie geen sprake is. Verdachte wist dat hij seks had met een minderjarig meisje, ook al vond hij haar er volwassen uitzien, en had zich, ook ondanks zijn beperkingen, kunnen en moeten realiseren dat zijn gedrag ongeoorloofd was. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een situatie waarin verdachte verontschuldigbaar heeft gedwaald ten aanzien van de ongeoorloofdheid en verwijtbaarheid van zijn gedragingen. Niet gebleken is dat de beperkingen van verdachte van dien aard zijn dat hij in het geheel niet in staat kan worden geacht om zich het ongeoorloofde karakter van zijn gedragingen te realiseren. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw.

Toerekeningsvatbaarheid

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 18 mei 2015, opgemaakt door drs. J. Hamel, psycholoog.

De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat er bij verdachte sprake is van een zwakbegaafd intelligentieniveau en een persoonlijkheidsstoornis NAO. De zwakbegaafdheid en de persoonlijkheidsstoornis beïnvloedden verdachtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Het seksueel misbruik bood voor verdachte een mogelijkheid zich te ontladen van stress die zijn huwelijk met zich meebracht. Hij werd niet door innerlijke remmingen of controlemechanismen bijgestuurd, omdat deze onvoldoende aanwezig zijn in zijn persoonlijkheid. Daarbij speelt de zwakbegaafdheid ook een rol. Verdachte is minder goed in staat zich in anderen in te leven en zich te realiseren wat iets voor een ander betekent. Geadviseerd wordt om verdachte op grond van zijn problematiek als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve strafbaar, nu ten opzichte van verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafoplegging

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren. Aan het voorwaardelijk gedeelte dienen bijzondere voorwaarden te worden verbonden, inhoudende een meldplicht, een ambulante behandeling en een gedragsinterventie. Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat het een ernstig feit is, waarbij verdachte de lichamelijke integriteit van het slachtoffer heeft geschonden voor zijn eigen behoeftebevrediging. Ook heeft hij het vertrouwen dat het slachtoffer en haar ouders in hem hadden gesteld als vriend van de familie, geschonden. Het misbruik heeft een enorme impact op het leven van het slachtoffer gehad en zij heeft er nu nog steeds veel last van. De officier van justitie heeft rekening gehouden met het feit dat verdachte first offender is en dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is. Behandeling gericht op zijn persoonlijkheidsproblematiek is nodig, alsmede een langdurig reclasseringstoezicht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden die zijn voorgesteld door de reclassering en de psycholoog, met een kortere proeftijd dan door de officier van justitie is gevorderd, namelijk twee jaren. Verdachte zal, gezagsgetrouw als hij is, immers zijn behandeling afronden, de omstandigheden waaronder hij destijds het feit heeft gepleegd zijn in positieve zin gewijzigd en het recidiverisico wordt als laag ingeschat. Ook moet rekening worden gehouden met de ouderdom van het feit, de verminderde toerekeningsvatbaarheid en het feit dat verdachte first offender is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer, de dochter van een toenmalige kennis, gedurende enkele jaren seksueel misbruikt. Daarmee heeft verdachte haar lichamelijke, maar ook geestelijke integriteit op grove wijze geschonden ter bevrediging van zijn eigen lusten. Het misbruik heeft ook nu nog grote impact op het leven van het slachtoffer, zo blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Voor een dergelijk feit, mede gelet op de periode waarin het misbruik plaatsvond en de frequentie van de seksuele handelingen, acht de rechtbank een gevangenisstraf op zijn plaats. Daarbij houdt de rechtbank er rekening mee dat, hoewel de bewezen verklaarde periode langer is, de periode waarin het misbruik het meest ingrijpend was, lag tussen 2005 en 2007. De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat verdachte geen strafblad heeft en dat hij verminderd toerekeningsvatbaar is. Ook wanneer de rechtbank al deze factoren in aanmerking neemt, volstaat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals bepleit door de raadsvrouw, niet. Deze strafmodaliteit doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De rechtbank zal wel een gedeelte van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen, teneinde te bevorderen dat verdachte wordt behandeld en begeleid door de reclassering. Daarbij zal een lange proeftijd worden bepaald, zoals geadviseerd door de deskundige. De rechtbank zal de tijd gedurende welke de behandeling en de gedragsinterventie binnen die proeftijd plaats kunnen vinden wel beperken tot de gebruikelijke twee jaren. Door een langere proeftijd te bepalen kan het reclasseringstoezicht daarna, indien nodig, worden voortgezet.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De vordering bestaat uit € 1.180,-- aan materiële schade en

€ 6.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering zal worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de materiële schade primair betoogd dat de vordering moet worden afgewezen, nu de eigen bijdrage niet door het slachtoffer zelf is betaald, maar door haar ouders, zodat zij zelf geen schade heeft geleden. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen tot een bedrag van € 815,40, nu de klachten waarvoor het slachtoffer is behandeld deels ook al bestonden voordat het misbruik begon, en dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Met betrekking tot de immateriële schade heeft de raadsvrouw betoogd dat deze moet worden gematigd tot een bedrag van € 3.000,--, gezien de kortere periode die de raadsvrouw bewezen acht en omdat niet vast staat dat de emotionele schade geheel het gevolg is van het seksueel misbruik.

Beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade voor een gedeelte voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering derhalve gedeeltelijk gegrond en voor toewijzing vatbaar, vermeerderd met de wettelijke rente. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de materiële schade, die door de verdediging uitdrukkelijk en gemotiveerd is betwist, dat, nu niet vaststaat dat degene die de vordering heeft ingediend (het slachtoffer) zelf de eigen bijdrage heeft voldaan, niet kan worden vastgesteld of door de benadeelde partij rechtstreeks schade is geleden. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering voor zover deze de materiële schade betreft.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de immateriële schade dat zij een bedrag van

€ 5.000,-- redelijk acht als schadevergoeding voor het door verdachte toegebrachte leed.

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 15 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op vijf jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

 dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

 dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

 dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

 dat veroordeelde zich binnen 5 dagen volgend op zijn ontslagdatum uit detentie meldt bij de reclassering van het Leger des Heils op het adres Damsterdiep 271 in Groningen, en zich daarna zolang en zo frequent de reclassering dit noodzakelijk acht, blijft melden;

 dat veroordeelde zich gedurende maximaal 2 jaren van de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord Nederland (AFPN), of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven;

 dat veroordeelde gedurende maximaal 2 jaren van de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, indien de reclassering of de AFPN of soortgelijke instelling dit noodzakelijk acht, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt veroordeelde mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2007.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt veroordeelde in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2007, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien veroordeelde aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.R. Bosker, voorzitter, mr. M.J. Oostveen en

mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juni 2015.

Mrs. Bosker en Krijger zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.