Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3088

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
18.730029-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt een man uit [woonplaats] die als penningmeester van een stichting meerdere malen gelden van die stichting heeft verduisterd. Verdachte maakte zonder toestemming van de andere bestuursleden jarenlang bedragen over aan zijn eenmanszaak. De rechtbank verwerpt het verweer dat de betalingen als leningen moeten worden aangemerkt, nu er niet gebleken is van leenovereenkomsten of van rente- of aflossingsbetalingen. Aan verdachte wordt de maximale werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Verder moet hij het verduisterde geld terugbetalen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57,321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730029-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 juni 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [woonadres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2015.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Gart, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E. Boelen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2009 tot en met 14 november 2014 te [pleegplaats], althans in de gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, opzettelijk (in totaal) 62.925 euro, in elk geval meermalen, althans eenmaal, een hoeveelheid geld, geheel of ten dele toebehorende aan de [Stichting], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geld verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester en/of bestuurslid van die Stichting, onder zich had, (telkens)

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Vordering officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd:

- veroordeling voor het ten laste gelegde;

- oplegging van een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [Stichting] tot een bedrag van € 69.640,00 alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag.

Bewijsoverwegingen

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij meermalen gelden, die hij als penningmeester voor [Stichting] ([afkorting]) beheerde, heeft verduisterd. De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe betoogd dat niet kan worden bewezen dat er sprake was van wederrechtelijke toe-eigening. Het bestuur zou verdachte carte blanche hebben gegeven om het vermogen van de stichting naar eigen inzicht te beheren, teneinde daarmee voor de stichting een jaarlijks rendement te bewerkstelligen. Het bestuur zou verder de hand hebben gelicht met alle bepalingen van de statuten. Zij zou tekort zijn geschoten in haar controlefunctie. De rechtbank overweegt het volgende.

Verdachte had als penningmeester van [Stichting], als enige, toegang tot het vermogen van de stichting. Uit de hierna opgenomen bewijsmiddelen blijkt - en verdachte heeft dit ook niet betwist - dat hij tussen 1 december 2009 en 1 december 2011 een groot aantal bedragen heeft overgemaakt van de bankrekening van [Stichting] naar de bankrekening van zijn eenmanszaak, [bedrijfsnaam]. Onder deze betalingen bevinden zich tweeëntwintig transacties met de omschrijving 'korte bedrijfslening' of 'korte bedrijfsfinanciering'.

Blijkens de statuten van de stichting behoeft iedere financiële transactie buiten de officiële begroting om de goedkeuring van het integrale bestuur. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen toestemming van de overige bestuursleden heeft gekregen voor de overschrijvingen met de omschrijving 'korte bedrijfslening' of 'korte bedrijfsfinanciering'. Het staat naar het oordeel van de rechtbank daarom vast dat verdachte deze betalingen wederrechtelijk heeft verricht. Dat het bestuur mogelijkerwijs tekort is geschoten in haar controlefunctie doet daar niet aan af. Verdachte had zich in zijn hoedanigheid als penningmeester te houden aan de statutaire bepalingen omtrent het beheer van de financiën.

Ook overigens is niet gebleken dat verdachte carte blanche zou hebben gekregen van de overige bestuursleden. De stelling van verdachte dat was afgesproken dat hij de gelden van [Stichting] zou gaan beleggen om meer rendement te behalen, is niet aannemelijk geworden. Daartegenover staat dat uit verklaringen van de overige bestuursleden wel blijkt dat zij verdachte regelmatig hebben gevraagd opheldering te geven over de stand van zaken aangaande het vermogen, en inzicht te geven in de cijfers, hetgeen verdachte telkens niet deed.

Verdachte en zijn raadsman hebben verder betoogd dat verdachte de voormelde betalingen aan zijn eigen administratiekantoor te goeder trouw heeft verricht in de veronderstelling dat deze betalingen, als korte bedrijfsleningen, een positief rendement zouden opleveren voor de stichting. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat, zou het verweer van de raadsman worden gevolgd en zouden de betalingen derhalve worden aangemerkt als leningen, dit niet zou afdoen aan de wederrechtelijkheid van de betalingen. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest

HR 12 mei 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZD1034), waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat het zonder toestemming van de rechthebbende verstrekken van geldleningen uit een door de verdachte beheerd vermogen moet worden aangemerkt als het zich wederrechtelijke toe-eigenen van die gelden. Naar het oordeel van de rechtbank kan er echter in de onderhavige zaak in het geheel niet van leningen worden gesproken. Buiten de bij de betalingen vermelde omschrijvingen, biedt het dossier hiervoor geen enkele steun. Zo blijkt niet dat er leenovereenkomsten zijn opgemaakt of dat er afspraken zijn gemaakt omtrent de duur van de lening, de rente of de aflossing. Ook heeft er geen begin van aflossing noch enige rentebetaling plaatsgevonden.

Verdachte heeft tweeëntwintig maal zonder toestemming van het bestuur gelden aan het vermogen van de stichting onttrokken. Deze gelden kwamen rechtstreeks ten goede aan de eenmanszaak van verdachte en werden daarmee onderdeel van het vermogen van verdachte. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich deze gelden telkens opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Naast de tweeëntwintig betalingen aan [bedrijfsnaam] met de omschrijving 'korte bedrijfslening' of 'korte bedrijfsfinanciering', bevat het in het dossier opgenomen betalingsoverzicht diverse overboekingen naar [bedrijfsnaam] met een andersluidende omschrijving. Ten aanzien van die betalingen kan, naar het oordeel van de rechtbank, niet buiten redelijke twijfel worden uitgesloten dat het bestuur daarvoor op enig moment wel toestemming heeft gegeven, bijvoorbeeld toen in het kader van de projecten '[naam 1]' en '[naam 2]' bepaalde goederen via het administratiekantoor van verdachte werden aangeschaft. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank verduistering ten aanzien van de betalingen met een andere omschrijving dan 'korte bedrijfslening' of 'korte bedrijfsfinanciering' daarom niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte hiervan vrijspreken.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past bij de beoordeling van het ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 22 mei 2015 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was in de periode 2009 tot en met 2014 penningmeester van de [Stichting] ([afkorting]). Ik heb vele bedragen onder vermelding van 'korte bedrijfslening' en 'korte bedrijfsfinanciering' overgemaakt van de bankrekening van de [Stichting] naar de bankrekening van mijn eenmanszaak, [bedrijfsnaam] te [pleegplaats]. Ik heb deze overschrijvingen niet met de andere bestuursleden besproken en had hiervoor derhalve geen uitdrukkelijke toestemming.

2. De inhoud van een zaaksdossier, OPS-dossiernummer PL0200-2014023616, gesloten op 25 januari 2015, bestaande uit diverse processen-verbaal waaronder:

2.1.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02SV-2014023616-1, d.d. 6 maart 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam 3]:

Ik doe namens het bestuur van [Stichting] ([afkorting]) te [pleegplaats] aangifte van verduistering. [verdachte] was sinds 4 juni 2009 penningmeester van genoemde stichting. Bestuurslid [naam 4] heeft de boekhouding doorgenomen en een overzicht gemaakt van alle transacties die zijn gemaakt sinds het penningmeesterschap van [verdachte]. Hieruit werd ons inzichtelijk dat sinds 8 december 2009 herhaaldelijk bedrijfsleningen zijn verstrekt aan [bedrijfsnaam], een bedrijf van [verdachte]. De laatste lening aan [bedrijfsnaam] is verstrekt op 8 november 2011. Het bestuur is op geen enkele wijze geïnformeerd over de bedrijfsleningen, die uit gelden van [afkorting] zijn verstrekt aan [bedrijfsnaam]. Er is [verdachte] geen toestemming verleend deze bedrijfsleningen aan zijn eigen bedrijf [bedrijfsnaam] te verstrekken.

2.2.

een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL02CD-2014023616-4, d.d. 18 juni 2014 opgemaakt in wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van [naam 3]:

Er zijn geen korte bedrijfsleningen door [verdachte] terugbetaald, noch hebben wij hier rente voor ontvangen.

2.3.

een geschrift, te weten een overzicht van betalingen, opgesteld door [naam 4], opgenomen op pagina 57 e.v. van het zaaksdossier, onder meer inhoudende:

In de periode van 8 december 2009 tot en met 8 november 2011 zijn er 22 maal bedragen overgemaakt van [Stichting] naar [bedrijfsnaam] met steeds als omschrijving 'korte bedrijfslening' of 'korte bedrijfsfinanciering', waarbij het totaal van deze overschrijvingen € 49.500,00 bedraagt.

2.4.

een geschrift, te weten de Statuten van [Stichting] ([afkorting]), opgenomen op pagina 30 e.v. van het zaaksdossier, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Buiten de goedgekeurde begroting mogen geen uitgaven worden gedaan. Indien een uitgave onverwijld noodzakelijk blijkt, brengt de penningmeester deze aangelegenheid onmiddellijk ter beslissing in het bestuur. Het vermogen mag niet worden aangewend voor speculatieve beleggingen en/of deelnemingen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 1 december 2011 te [pleegplaats], in de gemeente Franekeradeel, opzettelijk meermalen een hoeveelheid geld (in totaal € 49.500,00) toebehorende aan de [Stichting], welk geld verdachte telkens anders dan door misdrijf, te weten als penningmeester van die Stichting, onder zich had, telkens

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Verduistering, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem door Reclassering Nederland opgemaakte rapportage van 18 mei 2015, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich als penningmeester van een stichting meermalen schuldig gemaakt aan het verduisteren van gelden van die stichting. Door zo te handelen heeft verdachte, voor zijn eigen financiële gewin, op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij in zijn hoedanigheid van penningmeester genoot. Door het handelen van verdachte is de [Stichting], een charitatieve instelling, ernstig gedupeerd. Verdachte heeft ter terechtzitting op geen enkele wijze verantwoordelijkheid willen nemen voor het laakbare van zijn handelen. Dit alles neemt de rechtbank verdachte bijzonder kwalijk.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. De reclassering geeft in haar rapportage aan dat verdachte door grote geldschulden in een slechte financiële positie verkeert. Op de overige leefgebieden is geen sprake van noemenswaardige problemen. De reclassering ziet derhalve geen aanleiding om gedragsinterventies of een reclasseringscontact te adviseren.

Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS) als uitgangspunt. Gelet op de hoogte van het totaal verduisterde bedrag, het ernstige misbruik van vertrouwen en het feit dat de gedupeerde een liefdadigheidsinstelling is, is oplegging van de maximale taakstraf passend en geboden. Omdat verdachte first offender is, zal de rechtbank verdachte niet tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordelen. Oplegging van genoemde taakstraf met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand doet, naar het oordeel van de rechtbank, recht aan de gepleegde feiten.

Benadeelde partij

[Stichting] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden materiële schade ten gevolge van de aan verdachte ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten alsmede de gronden waarop deze berust.

De rechtbank zal een deel van de gevorderde schade toewijzen, te weten het deel dat gelijk is aan het bedrag waarvan ten aanzien van verdachte is bewezen verklaard dat hij dit heeft verduisterd, met aftrek van het deel dat verdachte reeds aan de benadeelde partij heeft terugbetaald, te weten € 250,00. De rechtbank acht het hierna toe te wijzen deel van de gestelde schade voldoende aannemelijk geworden en in zodanig verband met de door verdachte gepleegde strafbare feiten dat het aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering - die onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken - derhalve tot een bedrag van € 49.250,00 gegrond en voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal daarnaast de schadevergoedingsmaatregel opleggen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

De rechtbank zal de vordering voor zover het de overige materiële schade betreft niet-ontvankelijk verklaren, nu deze ten aanzien van dat deel van de schade onvoldoende is onderbouwd. Aanhouding van het onderzoek teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen haar vordering nader te onderbouwen, zou naar het oordeel van de rechtbank - gelet op het belang van een voortvarende strafrechtspleging - een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [Stichting] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 49.250,00 (zegge: negenenveertigduizendtweehonderdvijftig euro).

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Stichting], te betalen een bedrag van € 49.250,00 (zegge: negenenveertigduizendtweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 281 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [Stichting], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Dölle, voorzitter, mr. G.C. Koelman en

mr. E.G.C. Groenendaal, rechters, bijgestaan door mr. J.C. Huizenga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 juni 2015.

Mr. Groenendaal is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

w.g.

Dölle

VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Koelman

de griffier van de rechtbank Noord-Nederland,

Huizenga

locatie Leeuwarden,