Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3046

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
18.820065-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veelpleger opnieuw veroordeeld tot ISD maatregel voor de duur van 2 jaren voor winkeldiefstal, nadat eerdere ISD en andere behandelinterventies niet tot het gewenste resultaat hadden geleid.”

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Groningen

Parketnummer: 18/820065-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

22 mei 2015 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans preventief gedetineerd in de [verblijfplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

18 mei 2015.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Akkerman.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 14 februari 2015, te [pleegplaats], althans in de gemeente

Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening, in of uit een

winkel/pand, gelegen aan de [straat]), heeft weggenomen een Guess (Eau

de toilette) cadeauset, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [bedrijfsnaam], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 14 februari 2015, te [pleegplaats], althans in de gemeente

Groningen, opzettelijk een Guess (Eau de Toilette) cadeauset, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijfsnaam], in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte uit

de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende(n) had genomen onder

gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd(e) goed(eren) te

betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat/die goed(eren)

anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft

toegeëigend.

Bewijsvraag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank past met betrekking tot het primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe, met inachtneming van het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering.

De bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting afgelegd;

Een proces-verbaal van aangifte d.d. 14 februari 2015, opgenomen op p. 16 e.v. van dossier nummer PL0100-2015045054 d.d. 16 februari 2015 van Politie Noord-Nederland, inhoudende de verklaring van [naam], namens [bedrijfsnaam].

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 14 februari 2015, te [pleegplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, uit een winkel, gelegen aan de [straat]), heeft weggenomen een Guess (Eau

de toilette) cadeauset, toebehorende aan [bedrijfsnaam].

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten hersteld. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

diefstal

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd voor het primair ten laste gelegde de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) op te leggen voor de duur van twee jaren. Daarbij heeft de officier van justitie aangevoerd dat aan de wettelijke voorwaarden voor ISD is voldaan en uit het schriftelijk advies van de reclassering van 18 mei 2015 en de mondelinge nadere toelichting door de opsteller van dat advies ter zitting blijkt, dat het wederom opleggen van ISD noodzakelijk is omdat eerdere behandelinterventies en andere vormen van justitiële druk niet het gewenste resultaat hebben gehad. De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen het bepalen van een tussentijdse beoordeling.

Standpunt verdediging

Verdachte en haar raadsman hebben zich niet verzet tegen oplegging van de maatregel ISD en hebben daarbij aangegeven dat verdachte nu een betere motivatie heeft dan voorheen om zich te laten behandelen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht af te trekken van de duur van de maatregel, alsmede te bepalen dat er na vier maanden een tussentijdse toetsing zal plaatsvinden. Voorts is verzocht om zo mogelijk vervroegd vonnis te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte reclasseringsrapportage, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Winkeldiefstallen veroorzaken veel overlast en ergernis bij winkeliers, die bovendien kosten moeten maken ter beveiliging van hun zaak om dit soort feiten te voorkomen. Verdachte heeft met haar handelen geen respect getoond voor andermans eigendommen.

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel veroordeeld terwijl het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan. De veiligheid van personen of goederen eist bovendien het opleggen van de maatregel.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat is uitgebracht door de Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN) in het voorlichtingsrapport d.d. 18 mei 2015, onder meer inhoudende dat verdachte al meerdere klinische en ambulante trajecten heeft gevolgd ter behandeling van haar (heftige en langdurige) verslavingsproblematiek. Verdachte heeft, na de haar in 2012 opgelegde ISD, welke maatregel in mei 2014 eindigde, ambulante hulp aangeboden gekregen, maar het bleek voor haar niet haalbaar daar op een goede wijze gebruik van te kunnen maken. Sinds de afloop van de ISD heeft de VNN waargenomen dat het middelengebruik en het gedrag van verdachte steeds zorgwekkender is geworden. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en het is gewenst en noodzakelijk, wil dit risico met enig succes worden teruggedrongen, dat verdachte zich laat behandelen in een klinische setting. Omdat eerdere behandelinterventies en verschillende vormen van justitiële druk niet het gewenste effect hebben gehad, is er geen andere optie dan om opnieuw de ISD-maatregel op te leggen, aldus de reclassering.

De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor vermogensdelicten, ook weer nadat de vorige ISD-maatregel was geëindigd. Het feit waarvoor zij nu veroordeeld wordt, is bovendien gepleegd in de proeftijd van een vonnis van 6 oktober 2014.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat zij gemotiveerd is om opnieuw in het kader van de voorgestelde maatregel een klinische behandeling te ondergaan.

Gelet op een en ander acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de noodzaak van voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel na aanvang van de executie van de maatregel dient te worden beoordeeld, maar acht een termijn van vier maanden daarvoor te kort en zal deze termijn op zes maanden bepalen.

Uit het rapport van de VNN blijkt dat omtrent de persoon van verdachte (in het kader van de reeds ondergane ISD maatregel) al uitgebreid is gerapporteerd. Daarnaast blijkt daaruit dat ook al bekend is welke (klinische) behandeling voor verdachte geïndiceerd is, namelijk een behandeling in het [instelling] te [plaats]. Gelet hierop en gelet op het feit dat verdachte ook zelf voor deze behandeling openstaat zal de rechtbank bij het bepalen van de duur van de maatregel als na te melden rekening houden met de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren;

gelast dat de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel zes maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient te worden beoordeeld;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde maatregel geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.E. Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. L.H.A.M. Voncken en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. A.J. van Baren, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 mei 2015.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.