Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:3031

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
C/17/141658/ KG ZA 15-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verstrekking overbruggingslening door bank: overbruggingslening is een tijdelijke financiering; opzegging krediet door de bank; voorwaarden in het kader van BBZ-lening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/141658 / KG ZA 15-118

Vonnis in kort geding van 25 juni 2015

in de zaak van

1 de vennootschap onder firma [A],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

3. [C],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK SNEEK-ZUIDWEST FRIESLAND U.A.,

gevestigd te Sneek,

gedaagde,

advocaat mr. J. Stoker te Leeuwarden.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [A], [B] en [C] en gezamenlijk [D] worden genoemd. Gedaagde zal hierna de Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de akte overlegging producties van de zijde van de Rabobank;

  • -

    de mondelinge behandeling op 21 mei 2015;

  • -

    de pleitnota van de zijde van [D];

  • -

    de pleitnota van de zijde van de Rabobank;

  • -

    de aanhouding om partijen in de gelegenheid te stellen tot een minnelijke regeling met elkaar te komen;

  • -

    de brief van 8 juni 2015 van de zijde van [D], waarin is aangegeven dat partijen niet tot een schikking zijn gekomen en waarin zij verzoeken vonnis te wijzen;

  • -

    de brief van 15 juni 2015 van de zijde van [D];

  • -

    de brief van 17 juni 2015 van de zijde van de Rabobank.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1.

[A] is een onderneming die zoetwatervis rookt en droogt.

2.2.

[B] en [C] zijn eigenaren van [A].

2.3.

[B] dreef de onderhavige onderneming aanvankelijk met zijn thans ex-echtgenote, [E] (hierna te noemen: [E]).

2.4.

Tussen [B] en de Rabobank bestaat sedert ongeveer 1995 een kredietrelatie.

2.5.

Bij brief van 8 december 2008 heeft de Rabobank aan [B] en [E] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Op 23 maart 2006 heeft de bank u een financieringsvoorstel gedaan, door u op 28 maart 2006 geaccepteerd, onder andere inhoudende een lening ad € 100.000,-- af te lossen uit de door u terug te ontvangen BTW.

In strijd met de met u gemaakte afspraken is door u terug ontvangen BTW zonder overleg met de bank niet afgelost conform afspraak doch anders besteed.

Zoals u medegedeeld is dit voor de bank onacceptabel.

Om uw probleem op te lossen heeft de bank u op 27 novemebr 2007 een voorstel gedaan. Dit voorstel is door u niet geaccepteerd.

Door uw handelswijze heeft u de continuïteit van uw onderneming ernstig in gevaar gebracht. Ten eerste besteed u ons toekomende middelen op andere wijze en vervolgens treft u geen adequate regeling om uw probleem op te lossen."

2.6.

Vanwege de ontbinding van de vennootschap onder firma met [E], de inbreng in de vennootschap onder firma met [C] en de herfinanciering van de overbruggingslening, heeft de Rabobank bij brief van 25 augustus 2009 het volgende - voor zover van belang - aan [B] en [C] geschreven:

"In dit voorstel wordt uw huidige financiering tot een bedrag groot EUR 360.000,00 geherfinancierd. De resterende lening ad EUR 458.842,00 en de rekening-courant worden middels wijzigingsakten ingebracht in de nieuwe vennootschap onder firma.

Voorts wordt de akte van verpanding vernieuwd in verband met de inbreng in de nieuwe onderneming en worden er akten aangeboden betreffende het ontvlechten van de financieringsrelatie met [E].

Voorwaarde voor de verstrekking is:

 De onroerende zaak aan de [adres 1] wordt geheel overgeschreven op naam van [F] conform overeengekomen in het echtscheidingsconvenant.

 De bank ontvangt een kopie van de leningsovereenkomst met Sterk.

Na verstrekking van dit financieringsvoorstel zijn de financieringsmogelijkheden bij de bank bereikt. Voor investeringen in het pand en eventueel bedrijfskapitaal kan BBZ-lening een alternatief zijn.

Ik wijs u er op dat u inmiddels 2,5 jaar achterstallig bent in de aflossing van uw overbruggingslening. De bank heeft deze lening ook inmiddels opgeëist en u in gebreke gesteld. Indien u niet op zeer korte termijn tot aflossing van deze lening overgaat, bijvoorbeeld middels het accepteren van deze aanbieding, zal de bank overgaan tot opzegging en incasso van de financiering aan u."

2.7.

In het bij brief van 25 augustus 2009 bijgevoegde financieringsvoorstel is het volgende - voor zover van belang - opgenomen:

"De financiering bestaat uit:

Geldlening van : EUR 225.000,00

Krediet van : EUR 125.000,00

(…)

Hoofdpunten geldlening van EUR 225.000,00

Rente : Variabel Plus thans 8,55% per jaar

Rentevervaldag : telkens per maand achteraf te voldoen op de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand

Looptijd : tot uiterlijk 01-12-2009

Voorziene opnamedatum : 25-08-2009

Aflossing uiterlijk op 01-12-2009 of zoveel eerder als de verkoop en levering plaatsvindt van het pand aan de [adres 2]. De gehele verkoopopbrengst dient te worden afgelost bij de bank.

(…)

De geldlening mag uitsluitend worden gebruikt voor de herstructurering van de financiering alsmede de omzetting van de V.o.f.

(…)

De bestaande zekerheden blijven gehandhaafd."

2.8.

Op 25 augustus 2009 hebben [B] en [C] het financieringsvoorstel ondertekend.

2.9.

Bij brief van 18 september 2009 heeft de Rabobank aan [A] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"De bank heeft middels haar financieringsvoorstel d.d. 25 augustus 2009 een voorstel gedaan ter zake de vervallen en opgeëiste overbruggingslening. Voor de voorwaarden van deze financiering verwijs ik u naar betreffend financieringsvoorstel.

De bank heeft u aangegeven dat zij van mening is dat uw werkkapitaal onvoldoende is doch dat de bank geen ruimte ziet deze bancair te financiering. Naar de mening van de bank is uw bancaire financiering in verhouding tot uw ondernemingsomvang te groot. Om deze reden heeft zij ook als voorwaarde gesteld dat uw pand aan de [adres 2] verkocht dient te worden waarmee de financiering wordt vermindert.

Voor extra werkkapitaal heeft de bank u gewezen op de mogelijkheden van een Bbz-lening of wellicht risicodragend kapitaal van een informal investor."

2.10.

Op 8 september 2009 heeft [D] bij de gemeente Wymbritseradiel (hierna te noemen: de gemeente) bijstand aangevraagd in de vorm van een bedrijfskapitaal op grond van artikel 78f van de Wet werk en bijstand en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004).

2.11.

De gemeente heeft in het kader van de aanvraag van de Bbz-lening advies gevraagd aan het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (hierna te noemen: het IMK). [G], adviseur bij het IMK (hierna te noemen: [G]), heeft een adviesrapport uitgebracht. In zijn rapport van 23 oktober 2009 heeft [G] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"In 2006 is een nieuw bedrijfspand betrokken, waardoor de ver- en bewerking van vis belangrijk is verbeterd. Mede hierdoor kon een belangrijke omzetverbetering worden gerealiseerd. Dissonant in dit geheel was het feit dat bij de bouw van het pand een miscalculatie is gemaakt voor wat betreft de technische installatie. Deze bleek circa € 100.000 duurder uit te vallen. Hiervoor kon geen passende financiering worden gevonden. Bovendien is betrokkene geconfronteerd met een echtscheiding, op grond waarvan zijn ex-partner en medevennoot moest worden uitgekocht. Hoewel recentelijk een herfinanciering heeft plaatsgevonden, kampt het bedrijf met een ernstig liquiditeitstekort. Er is een omvangrijke achterstand in de betaling van leveranciers. De continuïteit van het bedrijf wordt hiermee ernstig bedreigd. Bovendien vergt de expansie van het bedrijf investering in voorraad en debiteuren.

In verband met de herfinanciering heeft de Rabobank een tijdelijke financiering verstrekt van

€ 225.000. Hierbij is de eis gesteld dat deze lening op 1 december 2009 moet worden afgelost, waarbij de middelen vrij gemaakt moeten worden uit de verkoop van het voormalige bedrijfspand [adres 3]. Dit pand staat inmiddels te koop, doch het is vooralsnog de vraag of verkoop op deze termijn zal lukken. Door verkoop van het pand zou de winstcapaciteit van het bedrijf belangrijk kunnen verbeteren, waardoor ook de aflossingscapaciteit rooskleuriger wordt. Op basis van een dynamische exploitatie prognosticeren wij voor 2009 een kredietbehoefte van € 125.000. Hierbij is het echter wel noodzakelijk dat aanvullend wordt gefinancierd.

De omzet vertoont de laatste jaren een stijgende lijn. Ook in het huidige jaar is sprake van een toenemende omzet. Wij prognosticeren een doorgaande stijging, welke met name verder kan doorgroeien als de missie in Rusland zal slagen. Voor 2009 en 2010 verwachten wij een redelijk resultaat, waarbij aan de verplichtingen kan worden voldaan en in de kosten voor het bestaan kan worden voorzien. Daarbij is vooralsnog aangenomen dat het pand [adres 3] pas in 2010/2011 kan worden verkocht.

(…)

2.2

Aanbevelingen aan [B] en mevrouw [C]

 Zich te concentreren op de huidige exploitatie en optimalisering van rendement.

Productontwikkeling achterwege te laten tot hiervoor middelen uit de exploitatie kunnen worden vrijgemaakt.

 Zorg te dragen voor een zo snel mogelijke verkoop van het winkelpand.

(…)

Financiering

In de financieringsbehoefte kan worden voorzien door het verstrekken van een lening in het kader van het Bbz 2004 van € 125.000. Daarnaast dient de huidige financier bereid te zijn de limiet op het rekening-courantkrediet te verhogen naar € 150.000. Daarnaast is het noodzakelijk dat de overige leningen van de bank gehandhaafd blijven. Dit geldt ook voor de recent verstrekte lening van

€ 225.000. Wel achten wij het noodzakelijk dat betrokkene zo snel mogelijk overgaat tot verkoop van het pand [adres 3]. Na verkoop kan voornoemde lening worden afgelost, hetgeen een gunstig effect heeft op de exploitatie, door het wegvallen van de verschuldigde rente. Eventuele overwinst op het pand kan in mindering worden gebracht op het rekeningcourantkrediet. Omdat verkoop van het pand niet direct is te realiseren, hebben wij in 2010 nog rekening gehouden met de aanwezigheid hiervan en een tijdelijk exploitatie van de winkel.

(…)

VOORGESTELDE VOORWAARDEN KREDIETVERLENING

Naam: [B] en [C] te [woonplaats]

Wij vinden dat onderstaande voorwaarden aan de bijstandsverlening verbonden moeten

worden:

(…)

Opschortende voorwaarden

 Handhaving van de totale hypotheek o/g van € 452.500 afgesloten bij de Rabobank te Sneek onder de voorwaarde dat de aflossingsverplichting gedurende de totale looptijd van de Bbz-lening gehandhaafd blijft op € 19.000 per jaar.

 Handhaving van de totale lening alg van € 225.000 afgesloten bij de Rabobank te Sneek onder de voorwaarden dat de aflossing niet eerder ingaat dan na verkoop van het pand [adres 3].

 Bepaling dat het krediet in rekeningcourant afgesloten bij de Rabobank te Sneek met een huidige kredietlimiet van € 125.000 wordt verhoogd tot een limiet van € 150.000 en gehandhaafd blijft onder de voorwaarde dat de inperkingsverplichting gedurende de totale looptijd van de Bbz-lening nihil zal zijn.

(…)"

2.12.

Bij besluit van 4 november 2009 heeft de gemeente aan [B] en [C] kenbaar gemaakt dat zij heeft besloten aan hen een bedrijfskapitaal in de vorm van een geldlening te verstrekken tot een bedrag van € 125.000,00. In haar besluit heeft de gemeente het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Het bedrijfskapitaal dient te worden aangewend voor het voldoen van de crediteuren en de te maken promotiekosten in Rusland.

De rente van de geldlening bedraagt 8% gedurende de gehele looptijd van de lening (…). De looptijd van de geldlening is ten hoogste 10 jaar (…).

(…)

Wij betalen het bedrijfskapitaal pas uit als u hebt voldaan aan de volgende, opschortende voorwaarden:

a. Handhaving van de totale hypotheek ad € 452.500,00 afgesloten bij de Rabobank te Sneek onder de voorwaarde dat de aflossingsverplichting gedurende de totale looptijd van de Bbz-lening gehandhaafd blijft op € 19.000,00 per jaar.

b. Handhaving van de totale lening ad € 225.000,00 afgesloten bij de Rabobank te Sneek onder de voorwaarden dat de aflossing niet eerder ingaat dan na verkoop van het pand [adres 3].

c. Bepaling dat het krediet van de rekening-courant afgesloten bij de Rabobank te Sneek met een huidige kredietlimiet van € 125.000,00 wordt verhoogd tot een limiet van € 150.000,00 en gehandhaafd blijft onder de voorwaarde dat de inperkingsverplichting gedurende de totale looptijd van de Bbz-lening nihil zal zijn.

(…)"

2.13.

Bij brief van 16 december 2009 heeft de Rabobank aan [D] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Hierbij deel ik u inzake de toe te kennen BBZ-lening het volgende mede:

De bank is akkoord met de volgende (opschortende) voorwaarden:

 De lening groot € 425.500,- wordt gehandhaafd bij een aflossingsniveau van € 19.000,- per jaar te voldoen in maandelijkse termijnen.

 De lening groot € 225.000,- wordt gehandhaafd als overbruggingslening inzake de voorgenomen verkoop van het pand [adres 3]. Bij verkoop dient de volledige verkoopopbrengst van het pand aangewend te worden als aflossing op genoemde lening.

 De kredietfaciliteit op uw rekening courant wordt verhoogd van € 125.000,- naar

 € 150.000,- vrij van inperkingen.

 Er wordt een 2-de hypotheek gevestigd op het pand [adres 1] t.b.v. de gemeente.

Een en ander wordt binnenkort aan u voorgelegd middels een offerte."

2.14.

Op 23 december 2009 hebben [B] en [C] een financieringsvoorstel van Rabobank ondertekend. Het financieringsvoorstel ziet op de verlening van een krediet van

€ 150.000,00.

2.15.

Op 19 januari 2010 hebben [B] en [C] de "Wijziging geldleningsvoorwaarden (bedrijfsfinancieringen)" ondertekend. Daarin is het volgende - voor zover van belang - opgenomen:

"in aanmerking nemende dat:

 de (rechtsvoorganger(s) van de) bank blijkens het financieringsvoorstel d.d. 25 augustus 2009 en geaccepteerd d.d. 25 augustus 2009 (mede) aan de debiteur een geldlening groot

€ 225.000,00 heeft verstrekt,

 de debiteur de bank heeft verzocht om uitstel van aflossing van de hiervoor vermelde geldlening,

 de bank ter zake als vermeld van de debiteur op de hierna vermelde ingangsdatum in hoofdsom nog te vorderen heeft een bedrag groot € 225.000,00 hierna te noemen: de geldlening,

 de debiteur en de bank enige voorwaarden van de geldlening wensen te wijzigen.

verklaren te zijn overeengekomen:

Met ingang van 1 januari 2010 (hierna te noemen: ingangsdatum) gelden voor de geldlening de volgende voorwaarden. Voor zover in deze overeenkomst en de daarin van toepassing verklaarde algemene en bijzondere voorwaarden van de reeds voor de geldlening geldende voorwaarden niet is afgeweken, blijven deze van kracht.

Aflossing

Het gehele bedrag van de geldlening moet ineens worden terugbetaald op 1 februari 2013."

2.16.

Bij brief van 14 februari 2013 heeft de Rabobank aan [B] het volgende - voor zover van belang - medegedeeld:

"Enige weken geleden heeft u van ons een aflossingsnota ontvangen t.b.v. lening [nummer]. Tot op heden is betaling, ook na een herinneringsnota, achterwege gebleven. Zoals u bekend, is bij de herfinanciering van uw bedrijf als voorwaarde gesteld dat het woon / winkelpand binnen twee jaar verkocht zou zijn. Meermalen bent u erop gewezen dat u de verkoop op een adequate manier en tegen een marktconforme prijs ter hand diende te nemen. Tot op heden is dit niet gebleken.

Nogmaals geef ik u dringend aan een zodanige verkoopprijs te hanteren dat verkoop binnen uiterlijk een halfjaar te realiseren is. Tot die tijd zal de huidige financiering gehandhaafd blijven tegen de thans geldende condities. Hierbij wijs ik u erop dat, gezien de reeds verstreken aflossingsdatum, aan u extra rente inzake achterstallige aflossing in rekening gebracht zal worden tot het moment van verkoop van de woning."

2.17.

Bij brief van 15 april 2013 heeft de Rabobank aan [A] medegedeeld dat de kredietlimiet per 15 april 2013 is vastgesteld op een bedrag van

€ 131.000,00. Nadien is de kredietlimiet vastgesteld op de volgende bedragen:

  • -

    30 mei 2013 € 150.000,00

  • -

    27 juni 2013 € 149.500,00

  • -

    29 juli 2013 € 140.000,00

  • -

    19 augustus 2013 € 125.000,00.

2.18.

Bij brief van 25 juni 2013 heeft [B] de Rabobank het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Met [H] is indertijd afgesproken om het pand [adres 3] te verkopen en dan het bedrag van € 225.000,- met de opbrengst hiervan af te lossen.

Door de crisis op de vastgoedmarkt is dit, ondanks dat we de vraagprijs fors omlaag hebben gebracht, nog niet gerealiseerd.

Ik verzoek u daarom ook de lening nog niet op te eisen. De makelaar is enige tijd niet actief geweest omdat er een serieuze koper in beeld was. Deze kon echter de financiering niet rond krijgen, zodat de koop niet is doorgegaan. Inmiddels is de makelaar weer actief met pand op de markt."

2.19.

De Rabobank heeft [B] bij brief van 1 juli 2013 het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Onder verwijzing naar uw brief d.d. 25 juni jl. deel ik u mede dat uw brief een onjuiste weergave van de met u gemaakte afspraken is.

Met u is op 19 januari 2010 de afspraak gemaakt dat de gehele lening uiterlijk 1 februari 2013 afgelost zou zijn. U bent hiertoe in gebreke gebleven. De bank is u tegemoet gekomen door u een halfjaar uitstel te verlenen tot 1 augustus 2013.

Door u wordt een verbinding gelegd met het pand dat u voornemens zou zijn te verkopen. Dat is onjuist. De bank heeft in 2010 u uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld om binnen een zeer ruim tijdbestek van 3 jaar te zoeken naar alternatieven, aangezien destijds ook al geruime tijd de verkoop van het pand niet succesvol was gebleken.

Ik verzoek u derhalve tijdig zorg te dragen voor voldoende saldo op uw rekening-courant."

2.20.

[B] heeft de Rabobank bij brief 2 juli 2013 onder meer geschreven dat het niet waarschijnlijk is dat het pand aan [adres 3] voor 1 augustus 2013 is verkocht en dat het voor hem daarom niet mogelijk is om de lening ten bedrage van € 225.000,00 af te lossen.

2.21.

De Rabobank heeft [B] bij brief van 4 juli 2013 het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Betreffende verkoop van het pand aan [adres 3] is met u in 2006 al afgesproken dat deze verkocht zou worden en de opbrengst op uw financiering afgelost.

Dat deze verkoop na 7 jaar nog altijd niet is gerealiseerd betekent dat u onvoldoende verkoopinspanningen hebt gepleegd, zoals, onder andere door mijzelf, u ook meermalen is medegedeeld.

Met de verstrekking van de BBZ-lening heeft de bank de toen al gestarte incasso-activiteiten opgeschort en uw achterstallige lening geherfinancierd. Daarbij heeft de bank u maar liefst 3 jaar de tijd te geven om tot aflossing door verkoop te komen. Ondanks de ruime tijd die de bank u heeft gegeven heeft u geen verkoop gerealiseerd.

De bank kan niet anders dan constateren dat bij u onvoldoende het besef aanwezig is dat uw schulden drastisch teruggebracht dienen te worden, onder andere uit verkoop van het niet voor uw onderneming noodzakelijke goederen.

(…)

De bank heeft zich jegens u immer redelijk opgesteld. Ondanks dat u na 7 jaar het pand nog altijd niet heeft verkocht heeft tot heden niet geresulteerd is het beëindigen van de financiering aan u, hoewel dat punt inmiddels wel naderbij komt."

2.22.

Op 31 juli 2013 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden over de aflossing van de lening ten bedrage van € 225.000,00. Vervolgens hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd over voorstellen om tot een oplossing in dezen te komen.

2.23.

In de brief van 31 juli 2013, die naar aanleiding van het gesprek op 31 juli 2013 is opgesteld, heeft de Rabobank aan [B] onder meer het volgende geschreven:

"In ons gesprek geeft u aan dat u van mening bent dat de rente tarieven welke de bank in rekening brengt buiten proportie zouden zijn en dat u uitsluitend aan dat u bereid bent de bank een bedrag af te lossen dat, weliswaar naar boven afgerond, overeenkomt met de besparing van uw rentekosten.

Ik heb u aangegeven dat uw rentetarief is gebaseerd op uw risicorating, welke slecht is. De risicorating wordt bepaald aan de hand van uw financiële resultaten, uw financiële positie en de waarde van het onderpand. Voorts is de lang lopende overbruggingslening daarin niet een positieve factor. Naar aanleiding van de recent ontvangen jaarcijfers zullen wij binnenkort een revisie uitvoeren, waarin wij uw tarieven opnieuw zullen beoordelen. Hierin wordt tevens meegewogen op welke wijze wij tot een overeenstemming komen terzake de overbruggingslening. Naar de mening van de bank is de oorzaak van uw hoge renteverplichtingen vooral gelegen in het uitblijven van de verkoop van het pand."

2.24.

Op 1 augustus 2013 heeft [I], accountmanager Bijzonder Beheer bij de Rabobank (hierna te noemen: [I]) per e-mailbericht het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Feit is dat u een tijdelijke lening heeft ontvangen ter overbrugging tijdens de verkoop van het pand. Daarvoor heeft u ruim 3 jaar de tijd gekregen, tot uiterlijk 1 februari 2013.

Door u is in die periode het pand niet verkocht en door u is niet de moeite genomen om met de bank over mogelijke oplossing te spreken.

Medio februari 2013 heeft de bank u 6 maanden extra tijd gegeven om alsnog tot een oplossing te komen.

Vandaag is deze er altijd nog niet."

2.25.

Bij brief van 16 augustus 2013 heeft de Rabobank [B] het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat u niet beseft dat u in verzuim bent en wat dit voor gevolgen voor u heeft. Niet alleen bent u een achterstalligheidsrente verschuldigd van 1% per maand, ook is de bank bevoegd om op elk moment haar zekerheden te gelde te maken door executoriale verkoop.

Dat u in verzuim bent is veroorzaakt doordat u nalatig bent in de nakoming van de door u met de bank gemaakte afspraken en niet tijdig in gesprek met de bank bent gegaan voor aanpassing hiervan. Dit ondanks dat de bank u hiervoor ruim in de gelegenheid heeft gesteld.

Klaarblijkelijk bent u niet doordrongen van de ernst van uw situatie. Uit uw brief begrijp ik dat u niet instemt met mijn voorstel. U blijft aandringen op rente verlaging, waarvan ik u heb aangegeven dat dit niet aan de orde is en kan zijn zolang u jegens de bank in verzuim bent.

(…)

De bank zal zich beraden over de te nemen vervolgstappen en behoud zich jegens u alle rechten voor."

2.26.

Op 21 augustus 2013 heeft [C] de Rabobank per e-mailbericht verzocht het krediet aan te passen naar een bedrag van € 140.000,00, zodat betalingen die nog niet waren afgeschreven, konden worden gedaan.

2.27.

[I] heeft [C] per e-mailbericht van 22 augustus 2013 geschreven dat het krediet is bepaald aan de hand van de debiteuren en de voorraad verminderd met de crediteuren en dat een (tijdelijke) uitbreiding van het krediet behandeld moet worden als een aanvraag, waarvoor het gebruikelijke proces moet worden doorlopen.

2.28.

Bij brief van 10 september 2013 heeft de Rabobank aan [B] medegedeeld dat de kredietlimiet per 10 september 2013 is vastgesteld op een bedrag van € 150.000,00.

2.29.

De Rabobank heeft [D] bij brief van 6 februari 2014 het volgende geschreven:

"De bank is al geruime tijd met u in gesprek terzake de achterstand in de aflossing van lening nummer [nummer], groot € 225.000,-.

De bank heeft u hierin een voorstel gedaan, gedateerd 24 december 2013, welke door u is afgewezen ondanks dat deze voor u verbeterde condities bevat.

Nu u ons voorstel, met name voor wat betreft de tarieven, definitief heeft afgewezen blijft de bestaande situatie gehandhaafd.

Derhalve verzoek ik u binnen 2 weken de achterstallige aflossing alsnog te voldoen. In afwachting hierop heeft de bank uw kredieten opgeschort, zodat u hierover niet meer kunt beschikken."

2.30.

Vervolgens heeft de Rabobank [A] op 11 februari 2014 een financieringsvoorstel gedaan. In de begeleidende brief is het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Het voorstel omvat een tweetal zaken:

1. Het opnieuw vaststellen van uw rekening-courant krediet. In dit voorstel wordt uw kredietlimiet niet meer gerelateerd aan uw debiteuren en voorraad. De limiet is bepaald op € 125.000,-. Voorts is de debetrente met 0,7% en de kredietprovisie met 0,2% verlaagd.

2. Een wijziging geldlening oorspronkelijk € 225.00,-

Voor deze lening wordt de aflossing gewijzigd van ineens per 1-2-2013 in € 1.500,- per maand, ingaande 1-3-2014 en aflossing uit verkoop pand [adres 3], uiterlijk 1-1-2015.

De rente voor deze lening wordt gewijzigd van 7,2% variabel in 5,9% variabel."

2.31.

[D] heeft het door de Rabobank gedane voorstel geaccepteerd. De Rabobank heeft [D] bij brief van 19 februari 2014 nog het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"De voorwaarden in genoemd financieringsvoorstel zijn onvoorwaardelijk en dienen derhalve volledig te worden nagekomen, inclusief de aflossing van de genoemde geldlening uiterlijk op 1 januari 2015. Wij zullen u aan deze voorwaarden houden.

Indien u het met het handelen van de bank in dezen niet eens bent, staat het u uiteraard vrij daarover te procederen en dit aan de rechter voor te leggen. Wij zien een dergelijke procedure met vertrouwen tegemoet."

2.32.

Naar aanleiding van een klacht heeft de Rabobank [B] en [C] bij brief van 28 maart 2014 bericht dat zij bereid is de kredietlimiet weer te verhogen tot een bedrag van

€ 150.000,00. De Rabobank heeft [D] op 5 mei 2014 een wijziging van het financieringsvoorstel van 11 februari 2014 toegezonden, waarbij de kredietlimiet is gewijzigd van € 125.000,00 naar € 150.000,00. [B] en [C] hebben deze wijziging voor akkoord getekend.

2.33.

In het kader van de afhandeling van de namens [D] ingediende klacht heeft Rabobank bij brief van 9 april 2014 aan de adviseur van [D], [K]

(hierna te noemen: [K]), onder meer het volgende geschreven:

"Bullit 3: Wij hebben reeds herhaaldelijk aan u ([B] en [C]) laten weten dat het pand verkocht dient te worden en dat wij uw inspanningen daartoe onvoldoende vinden. Een pand dat in ruim 5 jaar niet kan worden verkocht, is bijvoorbeeld kennelijk niet goed in de markt gezet en dat heeft de bank meermaals met u besproken. Voor de bank is de grens dan ook bereikt; de financiering die tijdelijk van aard was, zal tijdelijk van aard blijven. Aan het eind van de huidige looptijd zullen wij aflossing eisen c.q. zal er niet verder worden verlengd."

2.34.

Bij brief van 25 juni 2014 heeft de Rabobank aan [K] onder meer het volgende geschreven:

"Tariferingswijze van de bij de bank afgenomen producten

Ik begrijp dat uw cliënt de geboden rente van de bank te hoog vindt en dat hij vanwege zijn huidige financiële situatie moeite heeft met het betalen van deze rente. Helaas kan ik aan het geboden rentetarief niets veranderen. De hoogte van deze rente is afhankelijk van verschillende factoren. Deze factoren zijn: het risico dat de bank loopt bij de kredietverstrekking, de looptijd van de geldlening, de aanvraag van de financiering en het doorlopende beheer hiervan. Ik wil u hierbij meegeven dat de adviesrente die wordt gehanteerd en de opslagen die daar eventueel bovenop komen voor alle klanten in een vergelijkebare situatie hetzelfde zijn.

De bank doet een onderzoek naar de risico's van een zakelijke financiering. Indien het risico voor de bank hoger is, moet de klant ook een hoger tarief betalen. Ik realiseer me dat dit voor uw cliënt tegenstrijdig is, omdat hij zich reeds in een financieel moeilijke situatie bevindt en een hogere rente voor hem leidt tot hogere maandlasten.

De rentetarieven die zijn opgenomen in het voorstel dat de bank heeft gedaan, zijn tot stand gekomen op basis van de gegevens van de onderneming van uw cliënt die de bank op dat moment voorhanden had. Op het moment dat hierin veranderingen optreden, zoals bijv. verlaging van de openstaande vorderingen of een stijging van de winst in 2014, worden de risico's van de onderneming opnieuw beoordeeld."

2.35.

Op 23 september 2014 is bij deze rechtbank namens [D] een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend.

2.36.

Bij beschikking van 13 november 2014 is het voorlopig getuigenverhoor toegestaan. Het voorlopig getuigenverhoor heeft op 3 februari 2015 plaatsgevonden.

2.37.

[I] heeft ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard:

"Het IMK rapport ken ik en ook de opschortende voorwaarden die daar in staan. Het overbruggingskrediet was tijdelijk en zou worden afgelost na verkoop van het pand. Het pand zou op een zo kort mogelijke termijn worden verkocht, in ieder geval binnen 1 à 2 jaar. In de akte van de wijziging van de geldlening heb ik er uiteindelijk 3 jaar van gemaakt. Ik heb in die periode geen contact gehad met de gemeente; ik heb nooit contact gehad met de gemeente. Ik heb de termijn wel besproken met [G] en ook met [B], ik weet nog dat hij blij was met de periode van 3 jaar, dat viel hem mee."

2.38.

Bij brief van 16 februari 2015 heeft de gemeente aan mr. A. Woertman, de voormalig advocaat van [D], het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"De voorwaarde houdt in dat een eerder door de Rabobank verstrekt overbruggingskrediet zou

worden gehandhaafd, gekoppeld aan de voorgenomen verkoop van het pand [adres 3].

Wij hebben geen besluit genomen waarbij wij die voorwaarde intrekken, dus staat deze nog

overeind. Iets anders is dat er tussen de Rabobank en [B] in 2009 mogelijk andere afspraken

zijn gemaakt over de datum waarop het overbruggingskrediet uiterlijk moet worden zijn afbetaald.

Dit is een aangelegenheid tussen [B] en de bank.

De Rabobank is akkoord gegaan met onze eerder genoemde voorwaarde en heeft één en ander aan

[B] voorgelegd via een offerte. In die offerte waarover de gemeente niet beschikt, zou een

uiterste datum staan waarop de algehele aflossing van het overbruggingskrediet zou moeten

plaatsvinden. In dit licht moet u de opmerking in de brief van 8 januari jl. plaatsen waar gezegd

wordt dat wij ons kunnen voorstellen dat de Rabobank de overbruggingslening terugbetaald wenst

te krijgen."

2.39.

De Rabobank heeft [B] en [C] bij brief van 19 maart 2015 het volgende - voor zover van belang - geschreven:

"Het is u bekend dat de aan u verstrekte overbruggingsfinanciering meerdere keren is verlengd; voor de goede orde merkt de bank op dat de wilsovereenstemming ter zake de einddatum daarvan is gebleken uit de handtekeningen die u onder de betreffende documenten heeft geplaatst. In dit verband wijst de bank ook op de verklaring die [I] heeft afgelegd; hij heeft verklaard dat u blij was met het feit dat in de akte wijziging geldleningsvoorwaarden (die u begin 2010 heeft ondertekend) was opgenomen dat de overbruggingsfinanciering zou eindigen op 1 februari 2013. Het standpunt van de gemeente is u inmiddels ook duidelijk. Ook de gemeente is kennelijk de mening toegedaan dat, anders dan u stelt, het geen ‘open eind’ is en de bank gerechtigd is om de overbruggingsfinanciering op te eisen.

Met inachtneming van de met uw advocaat gemaakte afspraken gaat de bank thans over tot de opeising van de aan u verstrekte overbruggingsfinanciering; de bank verzoekt u bij deze dan ook - en voor zover nodig sommeert zij u hierbij - om de overbruggingsfinanciering ad EUR 225.000,-- uiterlijk 6 weken na dagtekening van deze brief algeheel voldaan te hebben aan de bank door middel van creditering van de tussenrekening van de bank met nummer NL76RABOO37(5641507 o.v.v. “aflossing overbruggingsfinanciering [B] en [C] / [L].”

(…)

Onder voorbehoud van alle rechten, ook het recht om over te gaan tot de algehele opzegging van de financieringsrelatie, merk ik ten slotte het volgende op. De bank heeft meerdere keren aangegeven de zaak te willen oplossen; de contouren van een mogelijke regeling zijn onder andere geschetst in de vorengenoemde c-mail d.d. 13 oktober jl. De bank geeft nog steeds de voorkeur aan het bereiken van een regeling in der minne, maar indien u daarvoor niet openstaat, dan zal de bank zo nodig bijvoorbeeld overgaan tot executie."

3 Het geschil

3.1.

[D] heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Rabobank veroordeelt tot:

  1. het zich onthouden van het publiceren van de aanzegging van de veiling van het pand van [D] aan [adres 3];

  2. het zich onthouden van de door de Rabobank aangezegde executie(veiling) van het pand van [D] aan [adres 3], althans de executie uit hoofde van het recht van hypotheek van Rabobank op voornoemd pand op te schorten, beide totdat de Bbz-lening zal zijn geëxpireerd, dan wel in de bodemprocedure daarover zal zijn beslist;

  3. integrale nakoming van de voorwaarden zoals vermeld in de brief van de Rabobank aan [D] van 16 december 2009, gedurende de looptijd van de Bbz-lening tot 30 november 2019, althans tot een door de voorzieningenrechter te bepalen datum, meer specifiek:

 voortzetting van de geldleenovereenkomst met nummer [nummer]

(€ 225.000,00) als overbruggingslening inzake de voorgenomen verkoop van het pand aan [adres 3], onder de voorwaarde, dat bij verkoop van dat pand de volledige verkoopopbrengst van het pand zal worden aangewend als aflossing op genoemde lening;

 zich te onthouden van inperking van de kredietfaciliteit van rekening-courantnummer [nummer] ten bedrage van € 150.000,00.

4. beëindiging van het onderbrengen van [D] bij de afdeling Bijzonder Beheer van de Rabobank (sedert 2008) met alle daaraan gekoppelde kosten- en renteverhogingen;

5. het betalen van een dwangsom van € 10.000,00, met een maximum van

€ 500.000,00, voor iedere dag dat de Rabobank niet voldoet aan een of meerdere veroordelingen, hierboven onder 1 tot en met 4 genoemd;

6. betaling van een voorschot ten bedrage van € 15.604,68 ten aanzien van de ten onrechte geheven kredietprovisie, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

7. betaling van een voorschot voor buitengerechtelijke kosten voor adviseurs ten bedrage van € 21.292,02 exclusief BTW, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

8. betaling van een voorschot van € 22.500,00 met betrekking tot de ten onrechte als aflossing door de Rabobank geïncasseerde bedragen van € 1.500,00 per maand sedert maart 2014, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

9. betaling van de proceskosten, alsmede de nakosten.

3.2.

De Rabobank heeft verweer gevoerd.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De standpunten van partijen en de beoordeling daarvan

4.1.

Bij dagvaarding heeft [D] aangegeven dat de Rabobank het pand aan [adres 3] (hierna te noemen: het pand) zal laten veilen op 24 juni 2015 en dat die executieveiling zal worden geadverteerd op 23 mei 2015. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft de Rabobank verklaard dat de veiling van het onderhavige pand zal plaatsvinden in september 2015, omdat het pand zonder toestemming van de Rabobank verhuurd blijkt te zijn, en dat de aankondiging daarvan vier weken daarvoor zal worden gepubliceerd.

4.2.

Ten aanzien van het spoedeisend belang overweegt de voorzieningenrechter dat de aanwezigheid daarvan door de Rabobank niet is betwist en dat het spoedeisend belang afdoende gegeven is met het feit dat de veiling zal plaatsvinden in september 2015 en de publicatie daarvan in augustus 2015 zal plaatsvinden. [D] moet dan ook geacht worden een spoedeisend belang te hebben bij zijn vorderingen.

4.3.

[D] heeft zich - samengevat - op het standpunt gesteld dat de Rabobank in strijd met de voorwaarden, die de gemeente heeft bepaald in het kader van de verstrekking van de Bbz-lening, heeft gehandeld door de voorwaarden verbonden aan de geldlening ten bedrage van € 225.000,00 te wijzigen onder meer in die zin dat de geldlening ineens moet worden terugbetaald tegen een bepaalde datum of dat op de geldlening maandelijks moet worden afgelost en door de limiet van het rekening-courantkrediet meerdere malen in te perken. Volgens [D] heeft de Rabobank ingestemd met de voorwaarden dat de geldlening ten bedrage van € 225.000,00 wordt gehandhaafd als overbruggingslening inzake de voorgenomen verkoop van het pand en dat de kredietfaciliteit wordt verhoogd van

€ 125.000,00 naar € 150.000,00. [D] heeft voorts gesteld dat de Rabobank vanwege de omstandigheid dat [A] onder het toezicht van de afdeling Bijzonder Beheer is geplaatst ten onrechte een zeer hoge rente heeft berekend, hetgeen de liquiditeitspositie van [A] niet ten goede kwam.

4.4.

De Rabobank heeft ten verwere - samengevat - aangevoerd dat zij gerechtigd is tot opeising van de overbruggingslening over te gaan. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de betreffende lening voor bepaalde tijd is verstrekt en dat [D] er niet van uit heeft kunnen gaan dat hij deze lening pas behoefde af te lossen nadat het pand zou zijn verkocht. Dat hij daarvan niet heeft mogen uitgaan, blijkt, aldus de Rabobank, uit het feit dat de overbruggingslening al enkele keren voor bepaalde tijd was verlengd, dat het IMK uitging van een verkoop van het pand in 2010 dan wel 2011 en dat [D] de overeenkomst "Wijziging geldleningsvoorwaarden" heeft getekend, die hem ten opzichte van het IMK-rapport nog ruim een jaar extra de tijd gaf om het pand te verkopen. Voorts heeft de Rabobank in het kader van haar verweer gesteld dat ook de gemeente blijkens haar brief van 16 februari 2015 ervan uitgegaan is dat de Rabobank tot opeising van de lening kan overgaan en dat de Rabobank niet in strijd met de brief van 16 december 2009 heeft gehandeld door met [D] een concrete einddatum overeen te komen. Tot slot heeft de Rabobank een beroep gedaan op de (aanvullende) werking van de redelijkheid en billijkheid. Volgens de Rabobank is het nooit de bedoeling van partijen geweest om van de lening een lening voor onbepaalde tijd te maken en heeft [B] minimaal 6 jaar de tijd gehad om het pand te verkopen, zodat het gerechtvaardigd is dat zij thans wenst dat de lening wordt afgelost.

4.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. In haar besluit van 11 november 2009 heeft de gemeente bepaald dat zij het bedrijfskapitaal pas uitbetaalt als [B] en [C] hebben voldaan aan onder meer de opschortende voorwaarde dat de totale lening ten bedrage van € 225.000,00 afgesloten bij de Rabobank te Sneek wordt gehandhaafd onder de voorwaarde dat de aflossing niet eerder ingaat dan na verkoop van het pand. De Rabobank heeft bij brief van 16 december 2009 aangegeven dat zij akkoord is met de (opschortende) voorwaarde dat de lening ten bedrage van € 225.000,00 wordt gehandhaafd als overbruggingslening inzake de voorgenomen verkoop van het pand. Daarbij heeft zij aangegeven dat bij verkoop de volledige verkoopopbrengst van het pand aangewend dient te worden als aflossing op genoemde lening. Vervolgens zijn de Rabobank enerzijds en [D] anderzijds op 19 januari 2010 schriftelijk een wijziging van de geldleningsvoorwaarden overeengekomen met betrekking tot de lening van € 225.000,00. Daarbij is onder meer overeengekomen dat het gehele bedrag van de geldlening ineens moet worden terugbetaald op 1 februari 2013.

4.6.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat de voorwaarden als zodanig die de gemeente in het kader van de verstrekking van de Bbz-lening heeft gesteld, jegens [D] gelden en de Rabobank niet binden. De Rabobank was immers geen partij bij het besluit van 11 november 2009. Daar komt bij dat Rabobank nimmer heeft aangegeven in te stemmen met de voorwaarden die de gemeente heeft gesteld aan de verstrekking van de Bbz-lening aan [D] Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van een handelen door Rabobank in strijd met bedoelde voorwaarden dan ook geen sprake. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat het aan [D] was om ervoor te zorgen dat de voorwaarde die de gemeente jegens [D] had gesteld omtrent de lening van

€ 225.000,00 ook in zijn relatie met de Rabobank overeen te komen. In haar brief van 16 december 2009 heeft de Rabobank duidelijk aangegeven dat zij de lening ten bedrage van € 225.000,00 wil handhaven als overbruggingslening inzake de voorgenomen verkoop van het pand. Vervolgens zijn [D] en de Rabobank in januari 2010 met elkaar een wijziging van de geldleningsovereenkomst overeengekomen, waarbij aan de geldlening - door het bepalen van een concrete einddatum waarop aflossing van die lening dient plaats te vinden, te weten 1 januari 2013 - een tijdelijk karakter is toegekend. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat [G] in zijn rapport heeft aangegeven dat de Rabobank een tijdelijke financiering ten bedrage van € 225.000,00 heeft verstrekt en dat [I] in het kader van het voorlopig getuigenverhoor heeft verklaard dat hij de termijn van 3 jaar heeft besproken met [B] en dat [B] blij was met de periode van 3 jaar, omdat hem dat meeviel. [D] heeft dit niet gemotiveerd betwist. Zowel uit het voorgaande als uit het feit dat het om een overbruggingslening gaat, blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het om een tijdelijke financiering gaat. Niet gebleken is dat [D] en de Rabobank zijn overeengekomen dat de aflossing van de geldlening afhankelijk zou worden gesteld van de verkoop van het pand. Gelet op de onder de feiten weergegeven brieven en e-mailberichten van de Rabobank, de door [D] ondertekende financieringsvoorstellen en de "Wijziging geldleningsvoorwaarden" en de door [I] afgelegde verklaring, die door [D] niet gemotiveerd is betwist, is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook voor [D] kenbaar moet zijn geweest dat de financiering van tijdelijke aard was en dat daaraan een concrete eindtermijn was verbonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de Rabobank dan ook niet gehouden worden tot voortzetting van de geldleningsovereenkomst gedurende de looptijd van de Bbz-lening. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat de Rabobank in strijd met de overeengekomen voorwaarden voornemens is de kredietfaciliteit van rekening-courantnummer [nummer] ten bedrage van € 150.000,00 in te perken. De voorzieningenrechter zal de vordering, zoals opgenomen in overweging 3.1., onder 3 dan ook afwijzen.

4.7.

Met betrekking tot de vorderingen, genoemd in overweging 3.1., onder 1 en 2 overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Vaststaat dat [D] niet aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan met betrekking tot de geldlening ten bedrage van

€ 225.000,00 jegens de Rabobank. In beginsel mag de Rabobank, gelet hierop, tot opeising van de geldlening overgaan. Echter, ook indien uit de aard van een specifieke overeenkomst zou volgen dat zij in beginsel zonder meer opzegbaar is, kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de concrete omstandigheden van het geval volgens vaste rechtspraak meebrengen dat opzegging slechts tot een rechtsgeldige beëindiging van de overeenkomst leidt indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat (vgl. Gerechtshof Arnhem 18 februari 2003, ECLI:GHARNH:2003:AF5233). Voor een bank geldt dat zij uit hoofde van de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht heeft, zowel jegens haar cliënten uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als ten opzichte van derden met wier belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De reikwijdte van die zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval. Voor een kredietopzegging impliceert dit dat deze ten minste zal moeten voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Voor de rechtsgeldigheid van de opzegging van een bankkrediet zal onder meer betekenis toekomen aan de volgende factoren:

 de duur, de mate van exclusiviteit, de omvang en de ingewikkeldheid en het verloop van de kredietrelatie,

 een aanmerkelijke afname van de kredietwaardigheid en/of aanmerkelijke toeneming van het bancaire kredietrisico, waarbij met name van belang zal zijn of er voldoende dekking door zekerheid bestaat dan wel kan worden verleend en de mate van waarschijnlijkheid of en in welke omvang deze zal blijven bestaan (alles te stellen op de liquidatiewaarde),

 het gedrag en de betrouwbaarheid van de kredietnemer alsmede de mate waarin en de tijdigheid waarmee deze de bank op de hoogte heeft gesteld en stelt van alle voor de kredietrelatie relevante omstandigheden,

 of en in welke mate de kredietnemer toerekenbaar is tekortgeschoten (bij voorbeeld door (structurele en/of ruime) overschrijding van de kredietlimiet),

 de kans dat de onderneming van de kredietnemer, al of niet na reorganisatie of doorstart, zal overleven en de mate waarin de kredietnemer een reorganisatie heeft opgestart,

 welke termijn de kredietnemer krijgt om een andere (huis-)bankier te zoeken en welke ernstige financiële problemen voor de kredietnemer (zullen) ontstaan indien hij zijn financieringsbehoefte niet op korte termijn elders kan onderbrengen,

 de wijze van besluitvorming van de bank voorafgaand aan de opzegging en de wijze waarop overleg is gevoerd met de kredietnemer en of en in welke mate de bank de kredietnemer tevoren heeft gewaarschuwd,

 of de bank door eigen gedragingen (zoals toelating van overschrijding van de kredietlimiet) verwachtingen heeft gewekt,

 andere maatschappelijke belangen (waaronder het voorbestaan van werkgelegenheid).

4.8.

Vaststaat dat de Rabobank [D] gedurende meerdere jaren in de gelegenheid heeft gesteld het pand te verkopen. Voorts heeft zij de duur van de overbruggingslening meerdere malen verlengd, heeft zij veelvuldig overleg gevoerd met [D] en heeft zij [D] meerdere malen gewaarschuwd dat zij tot opeising van de geldlening zal overgaan als [D] niet tijdig voldoet aan haar betalingsverplichting in dezen. Dat de gevolgen van opeising van de geldlening voor [D] groot zijn, neemt niet weg dat de Rabobank [D] ruimschoots de gelegenheid heeft geboden om aan haar verplichtingen in dezen te voldoen. Daar komt bij dat [D] voldoende tijd heeft gehad om ten behoeve van een herfinanciering een andere (huis-)bankier te zoeken of op andere wijze in de financieringsbehoefte te voldoen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat opeising van de onderhavige geldlening niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

4.9.

Omdat het onderhavige pand als zekerheid is gesteld voor hetgeen [D] uit hoofde van de onderhavige geldlening verschuldigd is, is de Rabobank vanwege de tekortkoming in de nakoming van de geldleningsovereenkomst aan de zijde van [D] bevoegd om tot uitwinning van het pand over te gaan. Gesteld noch gebleken is dat de Rabobank daarbij misbruik van haar bevoegdheid maakt dan wel in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt. Gelet op het voorgaande, zal de voorzieningenrechter de vorderingen genoemd in overweging 3.1., onder 1 en 2 afwijzen.

4.10.

Met betrekking tot de vordering van [D] om hem niet langer onder de afdeling Bijzonder Beheer te laten vallen, overweegt de voorzieningenrechter dat hem niet gebleken is dat de Rabobank in strijd met de overeenkomst dan wel de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door [A] onder het toezicht van bedoelde afdeling te stellen. Daar komt bij dat de Rabobank [D] voldoende gelegenheid heeft gegeven om zijn financiële positie te versterken en om zodoende uit de situatie van Bijzonder Beheer te komen. In dat verband had [B] er ook voor kunnen kiezen zijn financieringen elders onder te brengen tegen andere/gunstiger condities. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen.

4.11.

Omdat de vorderingen onder 1 tot en met 4 in overweging 3.1. zullen worden afgewezen, zal de vordering tot het opleggen van een dwangsom aan de Rabobank eveneens worden afgewezen.

4.12.

De vorderingen tot betaling van een voorschot met betrekking tot volgens [D] door de Rabobank ten onrechte geheven kredietprovisie en met betrekking tot volgens [D] door de Rabobank ten onrechte als aflossing geïncasseerde bedragen zal de voorzieningenrechter eveneens afwijzen, nu de andere vorderingen zullen worden afgewezen. Dat geldt voorts voor de vordering tot betaling van een voorschot voor buitengerechtelijke incassokosten.

4.13.

[D] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Rabobank worden tot op heden vastgesteld op:

- griffierecht € 613,00

- salaris advocaat 816,00 (1 punt x € 816,00)

Totaal € 1.429,00.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van de Rabobank tot op heden vastgesteld op een bedrag van € 1.429,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. van Baalen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2015 in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Ambachtsheer.1

1 type: coll: 613.