Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2966

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-06-2015
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
LEE 12-2994
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:7126, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikking IB/ LB/ OB 2008 t/m 2010

De informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de administratie- en bewaarplicht over het jaar 2010, is ten onrechte genomen.

Weliswaar is er sprake van enige gebreken in eisers administratie, maar deze zijn van onvoldoende gewicht om tot de conclusie te komen dat eiser de administratie- en bewaarplicht heeft geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1553
FutD 2015-1776
NTFR 2015/2401 met annotatie van mr.dr. N. Djebali
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 12/2994

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 23 juni 2015 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: B [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde])

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 13 juli 2012 een informatiebeschikking genomen met betrekking tot op te leggen aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), loonheffing(en) (LH) en omzetbelasting (OB) betreffende de jaren 2008 tot en met 2010.

Bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend, bestaande uit een envelop gevuld met kassarollen en een brief. De rechtbank heeft deze stukken ter zitting teruggegeven aan eiser onder de mededeling dat ze op een later moment door eiser, indien hij dat wenst, ter zitting gebruikt kunnen worden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand].


Na de mondelinge behandeling is het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen tot overeenstemming te komen. Partijen hebben bij brieven van 5 en 11 maart 2014 aangegeven niet tot overeenstemming te zijn gekomen en verzoeken de rechtbank om uitspraak te doen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser, geboren op [geboortedag] 1961, drijft sinds het jaar 2007 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De onderneming exploiteert een pizzeria en steakhouse genaamd “[naam pizzeria]”, gevestigd te [plaats] (de pizzeria).

1.2

De pizzeria is een afhaal- en bezorgrestaurant, ter plekke kan niet gegeten worden.

1.3

Eiser heeft in de pizzeria een kassa van het merk Olympia Cm 726 in gebruik. Dit type kassa heeft één kassarol. Klanten krijgen geen bon mee vanuit deze kassa. Als klanten een bon willen, schrijft eiser daarvoor apart een bon uit. De kassa kent geen omzetgroepen. In de jaren 2008 tot en met 2010 kan bij de pizzeria niet met pin worden betaald.

1.4

In de jaren 2008 tot en met 2010 kunnen bij de pizzeria op de volgende manieren producten worden besteld:

  1. Klanten komen binnenlopen, bestellen het eten ter plekke en nemen het mee;

  2. Klanten bestellen telefonisch en halen het eten af;

  3. Klanten bestellen telefonisch en laten het eten bezorgen;

1.5

De bij 1.4 vermelde bestellingen worden bij de pizzeria op de volgende wijze geadministreerd:

 Bij bestellingen genoemd onder 1.4a en 1.4b wordt de bestelling op een briefje

genoteerd. Dit briefje gaat naar de kok (hierna: koksbon) en komt weer terug als de

bestelling klaar is. Het bedrag wordt na het afrekenen met de klant aangeslagen op de

kassa en de koksbon wordt weggegooid.

 Bij bestellingen genoemd onder 1.4c worden er twee bonnen (origineel en doorslag)

uitgeschreven en een briefje voor de kok. De bonnen zijn niet genummerd. Het briefje

voor de kok wordt weggegooid nadat de bestelling gereed is. De originele bon gaat mee

met de bezorger en de doorslag blijft bij eiser achter. Aan het eind van de dag rekent

eiser af met de bezorger op basis van de doorslagen, en slaat hierna de bedragen aan op

de kassa. De doorslagen werden door eiser tot 6 mei 2009 niet bewaard.

1.6

Eiser voldoet de lonen voor zijn personeel contant uit de kas.

1.7

Eiser telt aan het eind van de dag de kas en noteert het totaalbedrag in een schrift. In dit schrift staan alleen ontvangsten, geen uitgaven. Eiser vergelijkt het totaal ontvangen bedrag met de omzet volgens de kassarol. Eventuele kassaverschillen worden door eiser niet genoteerd.

1.8

De gegevens uit het bij 1.7 vermelde schrift worden door eiser aangeleverd bij de boekhouder en deze boekt vervolgens de genoteerde bedragen op de grootboekrekening kas. De boekhouder oefent geen controle uit op het kassaldo.

1.9

Eiser betaalt een deel van zijn inkopen via de kas en een deel via de bank. De bonnen van de inkopen verstrekt hij aan zijn boekhouder. De boekhouder boekt de bedragen van deze bonnen op de grootboekrekening inkopen.

1.10

Eiser houdt geen voorraadadministratie bij, en administreert evenmin eigen gebruik en derving.

1.11

In 2008 en 2009 heeft eiser op een kalender de gewerkte uren van zijn personeel genoteerd. Deze aantekeningen zijn door eiser weggegooid.

1.12

Op 4 april 2009 en 6 mei 2009 heeft de Belastingdienst waarnemingen ter plaatse (WTP’s) uitgevoerd bij eiser. Hiervan is een rapport opgemaakt met dagtekening 14 mei 2009. De reikwijdte van de WTP’s is als volgt omschreven:
De bezoeken zijn afgelegd in verband met:

  • -

    het waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten;

  • -

    het vaststellen van de identiteit van een aantal in de onderneming kennelijk in loondienst werkzame personen.

1.13

Het bij 1.12 vermelde rapport vermeldt op pagina 14 het volgende:

“Afspraken

Met de belastingplichtige zijn de volgende afspraken gemaakt:

- dat vanaf 11 mei 2009 de gewerkte uren per dag / per persoon worden vastgelegd op / in een werkrooster;

- dat de bezorgbonnetjes vanaf 6 mei 2009 niet worden weggegooid maar bewaard;

- dat vanaf 11 mei 2009 dagelijks een Z-afslag wordt gemaakt.”

1.14

In juni 2012 is de Belastingdienst begonnen met een boekenonderzoek naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV, LH en OB over het periode 2008 tot en met 2010. Van dit onderzoek is geen rapport overgelegd.

1.15

Verweerder heeft tijdens de controle de kassarollen en de aanwezige bezorgbonnen ongeordend in één boodschappentas aangeboden gekregen.

1.16

Naar aanleiding van de bij 1.12 vermelde controle heeft verweerder met dagtekening 13 juli 2012 een informatiebeschikking genomen en afgegeven. Deze informatiebeschikking luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
In het kader van het boekenonderzoek bij u betreffende de aangiften

- inkomstenbelasting over de jaren 2008 tot en met 2010

- loonheffing(en), loonbelasting over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010;

- omzetbelasting over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010,

is gebleken dat u zich op onderdelen niet gehouden hebt aan de administratieplicht.

(…)

Administratieplicht

Uw administratie voldoet (op onderdelen) niet aan het eerste lid van artikel 52 van de AWR. (…)

Samengevat zijn de volgende gebreken geconstateerd:

- Er wordt geen kasadministratie gevoerd en er is geen kasboek aanwezig waardoor de aanwezige administratie geen betrouwbare basis is voor de winstberekening;

- Er wordt geen voorraadadministratie gevoerd;

- De vastgestelde brutowinstpercentages van de jaren 2008 tot en met 2010 verschillen onderling onverklaarbaar veel.

- Aantekeningen met betrekking tot eigen gebruik cq derving zijn niet aanwezig.

- Z afslagen zijn grotendeels onleesbaar en niet binnen redelijke termijn controleerbaar.

(…)

Bewaarplicht

U heeft (onderdelen van) uw administratie niet gedurende de wettelijke termijn bewaard. (…) De volgende onderdelen van uw administratie zijn weggegooid en/of vernietigd, dan wel ontbreken:

- Niet alle inkoopfacturen zijn bewaard gebleven;

- Kladaantekeningen met betrekking tot bestellingen worden niet volledig bewaard;

- Kladbriefjes met betrekking tot de dagelijkse omzet worden niet bewaard;

- Aantekeningen die betrekking hebben op het personeel zijn er niet of zijn niet bewaard gebleven

- Aantekeningen met betrekking tot eigen gebruik cq derving zijn niet aanwezig.

Informatiebeschikking

Ik stel dan ook vast dat u niet of niet geheel aan uw administratieve verplichtingen uit hoofde van artikel 52 van de AWR heeft voldaan. Ik geef u hiervoor dan ook een informatiebeschikking .

1.17

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 2 augustus 2012 bezwaar gemaakt tegen de informatiebeschikking. Eiser en zijn gemachtigde zijn op 16 oktober 2012 door verweerder gehoord.

1.18

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2012 eisers bezwaren tegen de informatiebeschikking afgewezen. De uitspraak op bezwaar vermeldt – voor zover hier van belang - het volgende: “De Z-afslagen stemmen niet overeen met de Grand-total bedragen.
Het Grand-total bedrag bedroeg op 23 december 2010 € 1.403.793,68
De Z-afslagen van 23 december 2010 tot en met 31 december 2010 bedroegen
(…)
€ 2.220,40
Dus het Grand-total bedrag per 31 december 2010 zou moeten luiden € 1.406.014,00
Het Grand-total bedrag bedroeg op 1 januari 2009 € 1.038.140,00
Op grond van de Grand-total bedragen zou de omzet over
de jaren 2009 en 2010 in totaal moeten hebben bedragen € 367.874

De verantwoorde omzet bedroeg echter
2009 € 97.930
2010 € 99.065
€ 196.995
Belanghebbende heeft voor dit verschil van € 170.879 geen verklaring kunnen geven. Ik leid uit een en ander af dat de verantwoorde omzet niet klopt.”.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder terecht de informatiebeschikking heeft genomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser heeft voldaan aan de administratie- en bewaarplicht van artikel 52 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR).

3. Eiser heeft gesteld dat de informatiebeschikking ten onrechte is genomen, omdat hij van mening is dat de administratie voldoet aan de eisen van artikel 52 van de AWR. De door verweerder gemaakte theoretische omzetberekeningen komen niet overeen met de werkelijke situatie binnen eisers onderneming.

4. Verweerder heeft aangevoerd dat eiser, gezien de door hem geconstateerde tekortkomingen, niet aan de eisen van artikel 52 van de AWR heeft voldaan. Eiser heeft volgens verweerder over de jaren 2008 tot en met 2010 de primaire aantekeningen van de bestellingen niet bewaard en vervolgens zijn administratie verdicht, hij heeft de kladaantekeningen met betrekking tot de dagelijkse omzet niet bewaard, hij heeft geen inkoop- en voorraadadministratie bijgehouden en hij heeft de aantekeningen met betrekking tot de gewerkte uren van het personeel weggegooid. Daarnaast heeft hij van 1 januari 2008 tot en met 11 mei 2009 niet dagelijks Z-afslagen gemaakt en/of deze niet bewaard, terwijl de daarna bewaarde kasrollen met Z-afslagen deels niet meer leesbaar zijn. Verder heeft verweerder geconstateerd dat tussen het Grand-total van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 en de daadwerkelijk aangegeven omzet een onverklaarbaar groot verschil zit.

5. Artikel 52, eerste lid, van de AWR bepaalt, voor zover hier van belang, dat administratieplichtigen gehouden zijn van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, naar de eisen van dat bedrijf, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belang overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken. Artikel 52, vierde lid, van de AWR bepaalt dat administratieplichtigen, voor zover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, verplicht zijn de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren. Het zesde lid van artikel 52 van de AWR bepaalt dat de administratie zodanig dient te zijn ingericht en te worden gevoerd en dat de gegevensdragers zodanig dienen te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie.
Ten aanzien van de jaren 2008 en 2009

6. De rechtbank overweegt dat eiser door middel van de koksbonnen en de doorslagvellen tot op detailniveau beschikte over omzetgegevens, maar dat deze detailgegevens niet bewaard zijn gebleven (zie 1.5), dat lonen contant werden betaald maar dat de daarbij behorende roostergegevens niet bewaard zijn gebleven (zie 1.6 en 1.11), dat door eiser kasverschillen zijn geconstateerd maar dat deze verschillen niet zijn bijgehouden (zie 1.7 en 1.8), dat er eveneens geen voorraadadministratie aanwezig is, terwijl eigen gebruik en derving evenmin is bijgehouden (zie 1.10).

7. Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt de rechtbank tot het oordeel dat ten aanzien van de jaren 2008 en 2009 zowel de administratie- als de bewaarplicht is geschonden. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat er achteraf geen enkele (sluitende) verbandscontrole mogelijk is op de geld- en goederenbeweging, terwijl gelet op de aard en omvang van het bedrijf van eiser, een afhaal- en bezorgrestaurant, waarin voor een zeer groot deel sprake is van contant geldverkeer, mag worden verlangd dat ten minste een deugdelijke en controleerbare kasadministratie wordt gevoerd.
Ten aanzien van het jaar 2010

8. Verweerder heeft aangevoerd dat eiser de primaire aantekeningen van de bestellingen niet heeft bewaard en zijn administratie vervolgens heeft verdicht. De volledigheid en de totstandkoming van de aangegeven omzet is volgens verweerder achteraf niet te herleiden.

9. Eiser heeft gesteld dat hij na de WTP’s in 2009 (zie 1.12) op aangeven van verweerder sinds 6 mei 2009 wel de doorslagvellen en de werkroosters heeft bewaard. (zie 1.5 en 1.13).

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder tegenover de gemotiveerde betwisting door eiser niet aannemelijk gemaakt dat de doorslagbonnen (zie 1.5) en de werkroosters over het jaar 2010 (sinds 6 mei 2009) niet bewaard zijn gebleven. De rechtbank betrekt in haar overwegingen dat primaire kladaantekeningen (koksbonnen) weliswaar niet bewaard zijn gebleven, maar dat verweerder niet, dan wel onvoldoende, heeft weersproken, dat inhoud van de koksbonnen wel in de administratie van eiser bewaard is gebleven. Door verweerder is niet, althans onvoldoende, betwist dat de gegevens van de koksbonnen enerzijds, voorzover betrekking hebbend op de bij afgehaalde producten, weliswaar verdicht, direct op de kassa zijn aangeslagen, en anderzijds, voorzover betrekking hebbend op bezorgde producten, één op één worden overgenomen op de bezorgbonnen, die bovendien nog gecontroleerd kunnen worden door de klant. Verder betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat eiser ter zitting niet, althans onvoldoende, weersproken heeft gesteld dat in 2010 de gewerkte uren per dag (werkrooster) in een schrift werden bijgehouden en dat dit schrift bewaard is gebleven en ook tijdens de controle aan verweerder is overgelegd.

12. Voorts heeft verweerder aangevoerd dat door eiser ook in 2010 geen voorraadadministratie wordt gevoerd en evenmin aantekening heeft gehouden van eigen gebruik en derving (zie 1.10).

13. Eiser heeft dit erkend, echter, volgens eiser is er sprake van een constante omvang van de voorraad van slechts € 500 tot € 1.000, zodat dit geen gebrek is dat tot schending van artikel 52 van de AWR zou moeten leiden.

14. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en omvang van het bedrijf van eiser en de daarbij behorende redelijk constante omvang van de voorraad, het voeren van een voorraadadministratie, alsmede het administreren van eigen gebruik en derving, op zichzelf beschouwd geen fundamenteel gebrek is dat leidt tot de conclusie dat niet voldaan is aan artikel 52 van de AWR.

15. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de (inkoop)bon van de Lidl ten bedrage van € 2.302 niet meer in geschil is. Het blijkt een bon van € 23,02 te zijn geweest, en tussen partijen is niet in geschil dat de foutieve invoer berust op een vergissing.

16. Verweerder heeft aangevoerd dat de Z-afslagen grotendeels onleesbaar zijn en voorts dat er een onverklaarbaar groot verschil van € 170.879 zit tussen de aangegeven omzet en het Grand-total van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 (zie 1.18). Verder heeft verweerder aangevoerd dat weliswaar getracht is om een begin van een controleberekening te maken, maar dat dit niet te doen was gelet op de wijze van aanlevering (1.15) en omdat een deel van de aangeleverde kassarollen niet leesbaar was. De controlerend ambtenaar heeft daardoor niet kunnen vaststellen of eiser daadwerkelijk dagelijks Z-afslagen heeft gemaakt.

17. Eiser heeft gesteld dat hij het verschil dat door verweerder is geconstateerd, kan verklaren aan de hand van met pen gemaakte aantekeningen op de betreffende bonnen. Ter zitting heeft eiser dit nader toegelicht aan de hand van een voorbeeld, waarbij een pizza voor € 6,50 wordt verkocht terwijl abusievelijk € 650 wordt aangeslagen op de kassa. De correctie is door eiser met pen op de rol geschreven, terwijl het Grand-total doorloopt. Deze handelwijze is niet door verweerder weersproken.

18. De rechtbank overweegt dat verweerder de verklaring van eiser (zie 17.) niet, althans onvoldoende, heeft betwist. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder niet nader heeft gemotiveerd welke inspanningen de controleur heeft verricht aan de hand van de wel aanwezige leesbare stukken. Ook heeft verweerder niet aangegeven welk deel van de aangeboden administratie onleesbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank mag van verweerder, gezien de aard en omvang van eisers onderneming en het daarbij passende niveau van de administratie, voor het maken van een dergelijke controleberekening, enige extra inspanning verwacht worden. Nu van een dergelijke extra inspanning niet is gebleken, met name nu eisers aantekeningen die een verklaring zouden kunnen vormen voor het verschil tussen de aangegeven omzet en het Grand-total door verweerder niet nader zijn onderzocht, kan de enkele constatering van dit verschil niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een gebrek dat tot schending van artikel 52 van de AWR zou moeten leiden.

19. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat weliswaar de koksbonnen niet bewaard zijn gebleven en sprake is van enige gebreken in de administratie van eiser, maar dat deze van onvoldoende gewicht zijn om te komen tot de conclusie dat eiser de op hem rustende administratie-- en bewaarplicht als bedoeld in artikel 52 van de AWR heeft geschonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de informatiebeschikking, voor zover deze ziet op de administratie- en bewaarplicht over het jaar 2010, ten onrechte is genomen.

Conclusie

20. Het beroep is gegrond uitsluitend voor zover de informatiebeschikking ziet op de administratie- en bewaarplicht over het jaar 2010.
Griffierecht

21. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Proceskosten

22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.468 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de informatiebeschikking voor zover deze ziet op het jaar 2010;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.468.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, voorzitter, en mr. M. Chin-Oldenziel en mr. T. Tanghe, leden, in aanwezigheid van mr. T.L. Gaarman-Jonkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2015.

wg griffier wg voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.