Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2015:2878

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-06-2015
Datum publicatie
18-06-2015
Zaaknummer
C/18/109693 / HA ZA 09-377
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBNNE:2014:4581;

Aan de orde is de vraag of de netten voor de openbare verlichting bestanddeel zijn van het (overige)laagspanningsnet. De rechtbank beantwoordt die vraag in dit geval bevestigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTE 2016/4, UDH:NTE/12963 met annotatie van mr. I. Brinkman en mr. L. Baljon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Groningen

Vonnis in gevoegde zaken van 17 juni 2015

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/18/109693 / HA ZA 09-377 van

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AA EN HUNZE,

zetelend te Gieten,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE APPINGEDAM,

zetelend te Appingedam,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ASSEN,

zetelend te Assen,

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BEDUM,

zetelend te Bedum,

5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BORGER-ODOORN,

zetelend te Exloo,

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DE MARNE,

zetelend te Leens,

7. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DELFZIJL,

zetelend te Delfzijl,

8. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EEMSMOND,

zetelend te Uithuizen,

9. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EMMEN,

zetelend te Emmen,

10. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

11. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GROOTEGAST,

zetelend te Grootegast,

12. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HAREN,

zetelend te Haren,

13. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HOOGEZAND-SAPPEMEER,

zetelend te Hoogezand,

14. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LEEK,

zetelend te Leek,

15. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LOPPERSUM,

zetelend te Loppersum,

16. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MARUM,

zetelend te Marum,

17. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MENTERWOLDE,

zetelend te Muntendam,

18. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MIDDEN-DRENTHE,

zetelend te Beilen,

19. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NOORDENVELD,

zetelend te Roden,

20. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE PEKELA,

zetelend te Oude Pekela,

21. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE SLOCHTEREN,

zetelend te Slochteren,

22. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TEN BOER,

zetelend te Ten Boer,

23. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TYNAARLO,

zetelend te Vries,

24. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VEENDAM,

zetelend te Veendam,

25. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VLAGTWEDDE,

zetelend te Sellingen,

26. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WINSCHOTEN,

zetelend te Winschoten,

27. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZUIDHORN,

zetelend te Zuidhorn,

28. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE DRENTHE,

zetelend te Assen,

29. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

eiseressen,

gedaagden na tussenkomst,

procesadvocaat: mr. P.E. Mazel te Groningen,

tegen

1 NIET NADER GENOEMDE BELANGHEBBENDEN

bij één of meer in het petitum van de dagvaarding omschreven elektriciteitsnetten bestemd voor de openbare verlichting,

in rechte niet verschenen,

2. de naamloze vennootschap

ESSENT N.V.,

gevestigd te Arnhem,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ENEXIS B.V.,

gevestigd te Rosmalen,

gedaagden,

procesadvocaat mr. D.K. Kupers te Groningen,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AKTIVABEDRIJF ENEXIS NOORD B.V.,

gevestigd te Rosmalen,

eiseres na tussenkomst,

procesadvocaat mr. D.K. Kupers te Groningen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/18/133230 / HA ZA 12-139 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AKTIVABEDRIJF ENEXIS NOORD B.V.,

gevestigd te Rosmalen,

eiseres,

procesadvocaat mr. D.K. Kupers te Groningen,

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AA EN HUNZE,

zetelend te Gieten,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE APPINGEDAM,

zetelend te Appingedam,

3. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ASSEN,

zetelend te Assen,

4. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BEDUM,

zetelend te Bedum,

5. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BORGER-ODOORN,

zetelend te Exloo,

6. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DE MARNE,

zetelend te Leens,

7. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DELFZIJL,

zetelend te Delfzijl,

8. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EEMSMOND,

zetelend te Uithuizen,

9. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EMMEN,

zetelend te Emmen,

10. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

11. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE GROOTEGAST,

zetelend te Grootegast,

12. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HAREN,

zetelend te Haren,

13. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE HOOGEZAND-SAPPEMEER,

zetelend te Hoogezand,

14. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LEEK,

zetelend te Leek,

15. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE LOPPERSUM,

zetelend te Loppersum,

16. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MARUM,

zetelend te Marum,

17. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MENTERWOLDE,

zetelend te Muntendam,

18. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE MIDDEN-DRENTHE,

zetelend te Beilen,

19. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NOORDENVELD,

zetelend te Roden,

20. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE PEKELA,

zetelend te Oude Pekela,

21. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE SLOCHTEREN,

zetelend te Slochteren,

22. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TEN BOER,

zetelend te Ten Boer,

23. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE TYNAARLO,

zetelend te Vries,

24. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VEENDAM,

zetelend te Veendam,

25. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VLAGTWEDDE,

zetelend te Sellingen,

26. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WINSCHOTEN,

zetelend te Winschoten,

27. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ZUIDHORN,

zetelend te Zuidhorn,

28. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE DRENTHE,

zetelend te Assen,

29. de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE GRONINGEN,

zetelend te Groningen,

gedaagden,

procesadvocaat: mr. P.E. Mazel te Groningen,

Partijen zullen hierna ook wel de Overheden, Essent, Enexis en Aktiva worden genoemd. Essent en Enexis zullen verder ook wel tezamen als Essent c.s. worden aangeduid.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit het vonnis van 27 augustus 2014.

Daarna hebben de Overheden op 12 november 2014 een akte na tussenvonnis genomen en Aktiva en Essent c.s. een akte bewijslevering. Op 10 december 2014 hebben de Overheden een antwoordakte na tussenvonnis, tevens voorwaardelijke vordering tot inzage op grond van artikel 843a Rv genomen. Aktiva en Essent c.s. hebben op die datum een antwoordakte na tussenvonnis genomen.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Algemeen

2.1.1.

De rechtbank neemt over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 27 augustus 2014.

2.1.2.

De rechtbank heeft in voornoemd vonnis onder meer overwogen dat op grond van hetgeen voorheen was neergelegd in artikel 5:20 sub e BW (thans artikel 5:20 lid 1 sub e BW) de Overheden als eigenaar van de grond, eigenaar zijn van het OV-net, tenzij het OV-net een bestanddeel is van de onroerende zaak van een ander. Tevens heeft de rechtbank overwogen dat Aktiva eigenaar is van het overige laagspanningsnet.

2.1.3.

De rechtbank heeft in voornoemd vonnis vervolgens overwogen dat Aktiva gemotiveerd heeft gesteld dat het OV-net bestanddeel is van het overige laagspanningsnet, dat de Overheden op hun beurt gemotiveerd hebben gesteld dat de netten afzonderlijke zaken zijn, maar dat de rechtbank de onderbouwing van de stellingen door partijen over en weer onvoldoende acht om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen. Zij heeft om die reden partijen in de gelegenheid gesteld bij akte hun standpunt nader met schriftelijke stukken te onderbouwen. Dit in het bijzonder ten aanzien van hun ingenomen standpunt aangaande de verkeersopvatting ter zake en die ten aanzien van de vraag of een denkbeeldige afscheiding van het OV-net van het overige laagspanningsnet gepaard zal gaan met een beschadiging van betekenis aan het OV-net en/of het overige laagspanningsnet dan wel met onevenredig hoge kosten of arbeid.

2.1.4.

De rechtbank heeft overwogen dat zij het in het bijzonder van belang acht dat partijen in ieder geval nader met schriftelijke stukken onderbouwen:

-Op welke wijze de beide netten thans met elkaar verbonden zijn door schakelkasten, distributierekken en combikabels;

-Wat de omvang van deze verbondenheid is in aantallen voor wat betreft schakelkasten en distributierekken en in kilometers voor wat betreft de combikabels. Het totaal aantal kilometers combikabels dient hierbij te worden afgezet tegen het aantal kilometers waaruit het OV-net bestaat en het aantal kilometers waaruit het overige laagspanningsnet bestaat;

-Welke kosten gemoeid zijn met het ongedaan maken van de verbondenheid van de netten op een zodanige wijze dat na de denkbeeldige scheiding de beide netten zelfstandig kunnen functioneren. Hierbij dient te worden ingegaan op de kosten van afscheiding in verband met de verbondenheid van de netten in schakelkasten, distributierekken en combikabels. Tevens dient nader te worden ingegaan op de kosten die afscheiding meebrengt voor eventuele extra voedingspunten waardoor het OV-net op spanning wordt gehouden. De te maken totale kosten dienen afgezet te worden tegen hetgeen de waarde in euro’s van het OV-net en het overige laagspanningsnet.

2.1.5.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld op elkaars stellingen te reageren.

2.2.

Het OV-net het overige laagspanningsnet; één zaak?

Het standpunt van de Overheden

2.2.1.

De Overheden hebben in hun daartoe genomen akte gesteld dat het OV-net geen feitelijke en functionele eenheid vormt met het overige laagspanningsnet. Vanwege zijn eigen functie is het OV-net, anders dan het overige laagspanningsnet, een geschakeld net met eigen schakelapparatuur en distributierekken. Op het OV-net staat alleen spanning van zonsondergang tot zonsopgang. Dat het OV-net wordt ingevoed door het overige laagspanningsnet is niet relevant. Alle netten en installaties worden ingevoed via aansluitingen op andere netten. De afgrenzing of begrenzing van een elektriciteitsnet wordt volgens verkeersopvatting op sectorspecifieke wijze bepaald. Een elektriciteitsnet is een afzonderlijke zaak als (1) er sprake is van een aansluiting (2) die redelijkerwijs kan worden afgesloten en (3) die tegelijk een als zodanig kenbare afscheiding vormt. Gezien de aanwezigheid van een knip, een verbinding en beveiliging is er een aansluiting tussen het overige laagspanningsnet en de te onderscheiden OV-netten. De Overheden hebben gesteld dat het hier een ‘net-op-net-aansluiting’ betreft en verwezen naar onder meer artikel 1 lid 1 sub (b) Elektriciteitswet 1998. Het afsluiten van de aansluiting van het OV-net is niet nadelig voor (de functionaliteit van) het klassieke laagspanningsnet.

2.2.2.

De aansluiting kan verder zonder beschadiging van betekenis worden afgekoppeld. Dit rechtvaardigt de slotsom dat het OV-net technisch in redelijkheid kan worden afgesloten van het klassieke laagspanningsnet. De aansluiting van het OV-net in de transformatorhuisjes is verder duidelijk als afscheiding zichtbaar en herkenbaar. Voorts is het OV-net qua gebruikers te onderscheiden van het overige laagspanningsnet. Bovendien komt het onderscheid in regelgeving tot uitdrukking. De aansluiting vormt een als zodanig duidelijk kenbare afscheiding van de netten onderling.

2.2.3.

Het OV-net bestaat voor slechts 5-10 % uit combikabels. Middels een combikabel zijn de netten evenwel niet verknoopt, ze maken slechts gebruik van één omhulsel. Zouden combikabels echter toch fysiek aangemerkt worden als kabels waarin de te onderscheiden netten met elkaar verbonden zijn, dan bestaan de kosten van ongedaan making van deze verbondenheid ten hoogste uit het aanleggen van een extra kabel op plaatsen waar nu combikabels liggen. Die kosten staan in geen verhouding tot de waarde van de netten.

2.2.4.

De slotsom is, aldus de Overheden, dat het OV-net een afzonderlijke zaak vormt en geen bestanddeel is van het overige laagspanningsnet. Het voorgaande brengt mee dat de Overheden als grondeigenaren op de voet van art. 5:20 lid 1 aanhef en sub e BW eigenaar zijn van het OV-net.

2.2.5.

Bij haar antwoordakte hebben de Overheden gesteld dat uit de akte van Aktiva en Essent c.s. volgt dat zich tussen het overige laagspanningsnet en het OV-net een aansluiting bevindt, dat deze aansluiting technisch kan worden afgesloten, dat de afsluiting een kenbare scheiding vormt tussen beide netten en dat de voeding vóór de aansluiting geschiedt. Daaruit volgt dat het OV-net een afzonderlijke zaak is. Tevens volgt hieruit dat tussen het overige laagspanningsnet en het OV-net vanaf de aansluiting geen verwevenheid bestaat. Het gegeven dat de schakelkasten van beide netten zich in hetzelfde transformatorhuisje bevinden doet daar niet aan af. De transformatorhuisjes en de kasten zijn geen onderdeel van enig elektriciteitsnet en kunnen dus niet leiden tot de slotsom dat de elektriciteitsnetten met elkaar verweven zijn. Dat geldt ook voor de combikabels. De door Aktiva en Enexis c.s. gepresenteerde cijfers zijn dan ook niet relevant.

2.2.6.

Voor zover de cijfers wel relevant zijn, geldt het volgende.

De cijfers van Aktiva en Essent c.s. zijn niet onderbouwd met een uitdraai uit het bedrijfsmiddelenregister van Enexis als netbeheerder, met offertes van aannemers en met jaarstukken, accountantsverklaringen of andere bescheiden over de boekwaarde, de gepleegde investeringen en de zogeheten ‘step up’ waarde van het OV-net. Verder staan de cijfers over de lengte van het OV-net, het aantal voedingspunten, het percentage combikabels en de investeringen in het OV-net haaks op de gegevens die Enexis daarover bij een presentatie in 2009 aan de Overheden heeft verschaft.

Primair dienen de cijfers als niet relevant en niet onderbouwd ter zijde te worden geschoven.

Subsidiair verzoeken de Overheden de rechtbank over te gaan tot benoeming van een onafhankelijke deskundige om de juistheid van de cijfers over het aantal voedingspunten en het percentage combikabels in het bedrijfsmiddelenregister van Enexis te controleren. Ook dient door een onafhankelijke deskundige te worden vastgesteld wat de waarde is van het OV-net en het overige laagspanningsnet in het grondgebied van de Overheden.

Meer subsidiair, vorderen de Overheden voorwaardelijk ex artikel 843a Rv inzage in de beschrijving in het bedrijfsmiddelenregister van de lengte van het OV-net en het laagspanningsnet in het grondgebied van de Overheden, het type kabels dat wordt gebruikt en de punten waar het OV-net vanuit het overige laagspanningsnet wordt gevoed. Voorts vorderen de Overheden inzage in de bescheiden die ten grondslag liggen aan de berekening van de investeringen in het OV-net (€ 476,3 miljoen) en aan de berekening van de step up waarde van het overige laagspanningsnet en het OV-net (€ 294 miljoen) in het grondgebied van de Overheden. De vordering wordt ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank van oordeel is 1) dat de opgave van het aantal voedingspunten, de opgave van het percentage combikabels en die van de waarde van het OV-net en het overige laagspanningsnet relevant zijn voor de beslissing en 2) Aktiva en Essent c.s. hebben voldaan aan hun stelplicht voor één of meer van deze gegevens en er geen onafhankelijke deskundigen worden benoemd.

Het standpunt van Aktiva en Essent c.s.

2.2.7.

Aktiva en Essent c.s. hebben gesteld dat de gezamenlijke OV-delen geen (aaneensluitend) net vormen. Niet alleen wordt het OV-net door verticale natrekking verdeeld over de 29 respectievelijke grondgebieden van eisers, ook zijn de OV-netten binnen het grondgebied van elke eisende gemeente versnipperd. Binnen het territoir van elk van de 29 eisers is sprake van aantallen OV-kabels die binnen dat territoir niet rechtstreeks met elkaar verbonden zijn, maar steeds verbonden zijn met en door delen van het overige laagspanningsnet. Op de gemeentegrenzen is géén sprake van enige vorm van technische scheiding. Het laagspanningsnet, met de hieraan gekoppelde OV-netten, loopt zonder belemmering van het ene grondgebied over in het andere grondgebied. Een OV-deel begint in een voedingspunt van het laagspanningsnet en eindigt bij een lichtbron. Een elektriciteitsmeter ontbreekt waarmee de hoeveelheid elektriciteit die vanuit het overige laagspanningsnet aan het OV-net wordt doorgegeven, wordt gemeten. In de praktijk worden de aansluit- en transportkosten per lichtmast aan de gemeente in rekening gebracht. Het aan en uit schakelen van de openbare verlichting gebeurt centraal door middel van toonfrequent ontvangers. De OV-netten zijn in hoge mate verbonden en geïntegreerd met het overige laagspanningsnet.

2.2.8.

Op 15.446 punten wordt het OV-net door het overige laagspanningsnet in de provincies Groningen en Drenthe gevoed en is op deze punten daarmee verbonden. Van deze 15.446 punten worden er 11.508 gevormd door laagspanningskasten (hetgeen 64,2 % is van het totaal aantal laagspanningskasten dat eigendom is van Enexis/Aktiva) en 3.938 door transformatorstations (dat is 60,4 % van het totaal aantal transformatorstations van Enexis/Aktiva). Voor een denkbeeldige afscheiding is een technische scheiding op deze 15.446 plaatsen nodig. Op 15.446 punten zal een separate OV-kast moeten worden geplaatst. De oorspronkelijke voedingspunten moeten worden ontkoppeld evenals de met elkaar geïntegreerde OV-distributierekken en laagspanningsdistributierekken. Het oorspronkelijke OV-rek leent zich niet voor hergebruik in de nieuw te plaatsen OV-kast. De separate OV-kast blijft voor de voeding afhankelijk van het overige laagspanningsnet. Naar de OV-kast zal dan ook een nieuwe voedingskabel moeten worden aangelegd. Daarnaast bestaat het OV-net voor 2.990 km uit combikabels in de provincies Groningen en Drenthe, hetgeen 29,5 % vormt van de totale omvang van de OV-netten. Bij een denkbeeldige afscheiding dient een extra kabellengte van 2.990 kilometer te worden aangelegd voor de OV-netten. Een technische splitsing van de combikabel zou leiden tot onbruikbaarheid. Voor al deze werkzaamheden zijn graafwerkzaamheden noodzakelijk, moet bestrating worden opengebroken en worden hersteld. Hiervoor zijn verkeersmaatregelen en is toezicht nodig.

2.2.9.

De historische aanschafwaarde van het gehele laagspanningsnet in de provincies Groningen en Drenthe bedraagt € 501,4 miljoen. Het OV-deel hierin bedraagt € 165,2 miljoen. Dit betekent dat de waarde van de gezamenlijke OV-netten 33 % bedraagt van het overige laagspanningsnet. In het huidige geval zou het € 139 miljoen kosten om de voor afscheiding benodigde OV-kasten te plaatsen in de provincies Groningen en Drenthe. Voor het grondgebied van eisers kost het plaatsen van nieuwe OV-kasten € 106,57 miljoen. Naast het plaatsen van de OV-kasten, moeten ook de combikabels worden gesplitst om het overige laagspanningsnet van de OV-netten te scheiden. Deze operatie wordt begroot op € 89,7 miljoen voor de provincies Groningen en Drenthe. Voor het grondgebied van eisers kost deze operatie € 46,6 miljoen. Het scheiden van het overige laagspanningsnet en de OV-netten zou niet alleen leiden tot beschadiging van betekenis aan de huidige elektriciteitsinfrastructuur omdat verschillende onderdelen onbruikbaar worden bij afscheiding, ook is hiermee minstens € 228,7 miljoen gemoeid aan kosten voor de provincies Groningen en Drenthe. Voor het grondgebied van eisers komen deze kosten uit op € 185,6 miljoen. Daarnaast kost het meer dan een miljoen manuren om de afscheiding te bewerkstelligen.

2.2.10.

De kosten van een denkbeeldige afscheiding bedragen voor de provincies Groningen en Drenthe 45,6 % van de waarde van het overige laagspanningsnet en 138 % van de waarde van de gezamenlijke OV-netten. Deze kosten en arbeid staan niet in verhouding tot de waarde van de zaken na afscheiding. Het OV-aandeel van het laagspanningsnet zou los € 165,2 miljoen waard zijn, minder dan de totale kosten benodigd om de OV-netten van het overige laagspanningsnet af te scheiden. Het ongedaan maken van de verbondenheid tussen het overige laagspanningsnet en de OV-netten gaat derhalve gepaard met onevenredig hoge kosten en arbeid, temeer nu het maken van deze kosten zonder praktisch nut is voor exploitanten, zakelijke of particuliere gebruikers of de openbare verlichting.

2.2.11.

Naar verkeersopvatting is sprake van één net. Het laagspanningsnet is één feitelijke en functionele eenheid die verbruikers (huizen, bedrijven, lichtmasten) van elektriciteit voorziet. De OV-netten vormen onderling geen aaneensluitend net, maar gaan op in en zijn geïntegreerd met het laagspanningsnet. Aktiva is in beginsel eigenaar van het (overige) laagspanningsnet en de eigendom omvat alle in de loop der tijd toegevoegde delen, inclusief de OV-netten. Zou dit niet het geval zijn dan heeft dit, gezien de feitelijke inrichting van het laagspanningsnet, grote complexiteit tot gevolg. De OV-netten liggen her en der verspreid over de grondgebieden van eisers, zonder dat kenbaar is waar een OV-net ophoudt. Er is slechts sprake van één net: het laagspanningsnet.

2.2.12.

In hun antwoordakte hebben Aktiva en Essent c.s. aangevoerd dat de Overheden niet hebben onderbouwd dat achter de ‘aansluiting’ in de zin van de Elektriciteitswet 1998 zich een afzonderlijk ‘net’ zou bevinden. Aktiva en Essent c.s. hebben aangevoerd dat er geen sprake is van een net-op-net-aansluiting in de zin van de Elektriciteitswet. Daarvan is slechts sprake indien het ‘net’ zou worden beheerd door een ander dan de netbeheerder. Het aansluitbegrip in de Elektriciteitswet heeft een functioneel doel dat betrekking heeft op het compenseren van de diensten van de netbeheerder en is niet doorslaggevend voor de eigendomsvraag. De aansluiting in de zin van de Elektriciteitswet bevindt zich bij iedere individuele lichtmast en niet bij ieder OV-net. Een elektriciteitsmeter ontbreekt waarmee de hoeveelheid elektriciteit die vanuit het overige laagspanningsrek wordt doorgegeven aan het OV-rek, wordt gemeten. Een telemetrie-groot-verbruik-meetinrichting ontbreekt, hetgeen op grond van de Meetcode Elektriciteit in geval van een aansluiting tussen twee netten is voorgeschreven. Er gelden verder strikte veiligheidsmaatregelen omtrent het betreden en het opereren van elektriciteitsinstallaties. Enexis beheert alle bovengrondse gedeelten van het laagspanningsnet. Het laagspanningsnet moet juridisch als één net c.q. één zaak gelden. Alleen op die manier vindt het recht aansluiting bij de feitelijke inrichting van het laagspanningsnet en het beheer ervan.

De rechtbank

Algemeen

2.2.13.

De rechtbank heeft in haar vonnis van 27 augustus 2014 geconstateerd dat partijen in het kader van de gevorderde verklaringen voor recht verschillende begrippen hanteren. Zij heeft er vervolgens voor gekozen om het ondergrondse laagspanningsnet dat is bestemd voor de openbare verlichting aan te duiden als het OV-net dan wel de OV-netten en het overige laagspanningsnet dat niet functioneert ten behoeve van de openbare verlichting als het ‘overige laagspanningsnet’. Indien het als zodanig aangeduide ‘OV-net’ evenwel een bestanddeel vormt van het overige laagspanningsnet, is juridisch slechts sprake van een deel van een net. In dat geval ligt het juridisch gezien meer voor de hand om van een OV-deel of OV-delen van het (overige) laagspanningsnet te spreken. Wat het meest passende begrip is, zal evenwel pas duidelijk worden met de uitkomst van deze procedure. De rechtbank zal dan ook ten behoeve van de eenduidigheid in het navolgende de term OV-net of de OV-netten blijven gebruiken.

2.2.14.

Op basis van de regeling van artikel 5:20 sub e BW (thans artikel 5:20 lid 1 sub e BW) is elke in het geding betrokken gemeente en provincie in beginsel eigenaar van het OV-net dan wel de verschillende OV-netten gelegen in haar grondgebied. Hierop bestaat een uitzondering indien en voor zover een OV-net een bestanddeel vormt van een andere onroerende zaak die niet aan de desbetreffende overheid toebehoort. De vraag die thans voor beantwoording voorligt is of de OV-netten in het grondgebied van de Overheden bestanddeel zijn van het aan Aktiva in eigendom toebehorende overige laagspanningsnet en daarmee één (laagspannings-)net vormen of niet. Uitgangspunt voor beantwoording van die vraag is artikel 3:4 BW. Nu Aktiva en Essent c.s. zich beroepen op de rechtsgevolgen van hun stelling dat de OV-netten een bestanddeel vormen van het overige laagspanningsnet, rust ingevolge het bepaalde in artikel 150 Rv op Aktiva en Essent c.s. de stelplicht en eventueel bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit deze bestanddeelvorming blijkt.

2.2.15.

Partijen hebben op verzoek van de rechtbank hun stellingen omtrent de maatstaven van het eerste en tweede lid van artikel 3:4 BW bij akte toegelicht en onderbouwd. Zij hebben in dat kader de rechtbank nader voorgelicht over in het bijzonder, maar niet uitsluitend, de functie van schakelkasten, distributierekken, combikabels en voedingspunten en hun betekenis voor de werking van de OV-netten en het overige laagspanningsnet in het onderhavige geval. Partijen hebben daarbij geen specifieke omstandigheden per OV-net of per grondgebied van een gemeente of provincie gesteld of aangevoerd waardoor de beoordeling van het ene OV-net anders zou moeten uitvallen dan die voor het andere OV-net ten opzichte van het overige laagspanningsnet. Op basis van hetgeen door partijen over en weer wel is gesteld, aangevoerd en onderbouwd, is het volgende omtrent de feitelijke inrichting van het overige laagspanningsnet en de OV-netten komen vast te staan.

2.2.16.

Vanuit hoofdstations, waar elektriciteit op hoogspanningsniveau is getransformeerd naar een regionaal bruikbaar voltage, wordt elektriciteit vervoerd naar transformatorstations. Op het grondgebied van de Overheden bevinden zich betreedbare stations (verder ook wel als transformatorgebouwen aangeduid) en compact stations (hierna ook wel als laagspanning- en/of OV-kasten aangeduid). Doordat op enig moment de ondergrond is geleverd, behoren de betreedbare transformatorgebouwen thans in eigendom toe aan Aktiva als rechtsopvolger van de N.V. EGD dan wel, inmiddels, Enexis, zoals door Aktiva en Essent c.s. in hun akte bewijslevering, noot 7 is gesteld. Verder is niet gesteld of gebleken dat in verband met de eigendom van de compactstations de ondergrond ervan is geleverd dan wel dat opstalrechten zijn gevestigd.

In gebouwen met transformatorstations wordt elektriciteit getransformeerd naar 230 Volt, het voltage dat wordt gebruikt door bedrijven, particulieren en waarmee ook de openbare verlichting wordt gevoed. Door de hogere spanning waarmee transformatorstations worden gevoed, wordt het net op de juiste spanning gehouden ongeacht de hoeveelheid elektriciteit die wordt afgenomen. Voor wat betreft de feitelijke inrichting van de verbinding tussen het overige laagspanningsnet en de OV-netten komen drie situaties voor.

Zo kan in een transformatorgebouw zich een laagspanningsrek bevinden waarop het rek ten behoeve van de openbare verlichting is gemonteerd. Deze rekken dienen voor de verdeling van elektriciteit. Het OV-rek wordt gevoed en op spanning gehouden door het laagspanningsrek. De kabels die vanuit het OV-rek naar de lichtmasten lopen, zijn per kabel beveiligd.

Een andere mogelijkheid is dat het OV-rek niet op het laagspanningsrek is gemonteerd, maar door middel van een kabel daarmee is verbonden. Met deze kabel wordt het OV-rek gevoed en op spanning gehouden. Op het laagspanningsrek en/of op het OV-rek is een zekering (beveiliging) geplaatst.

Een derde mogelijkheid is dat vanuit het transformatorgebouw kabels van het laagspanningsnet naar laagspanningskasten lopen, waarbinnen zich een gecombineerd laagspanningsrek/ OV-rek bevindt. Het OV-rek wordt gevoed door de voedingskabels die vanuit het transformatorstation lopen.

Voor alle drie de situaties geldt dat na de beveiliging die in gebouwen met transformatorstations dan wel in laagspanning-/OV-kasten aanwezig is, zich geen voedingspunten meer bevinden.

2.2.17.

Verder wordt de feitelijke inrichting van het overige laagspanningsnet en de OV-netten gekenmerkt door het feit dat een elektriciteitsmeter, waarmee de hoeveelheid elektriciteit wordt gemeten die vanuit het laagspanningsrek wordt doorgegeven aan het OV-rek, ontbreekt. Het ‘aan’ en ‘uit’ schakelen van de openbare verlichting gebeurt centraal door middel van het zogeheten toonfrequent systeem. Vanuit de centrale bedrijfsvoering van Enexis ontvangen toonfrequent ontvangers op de rekken in transformatorgebouwen en in laagspanning-/OV kasten een signaal waarmee de verlichting aan of uit wordt geschakeld. Daarnaast kunnen afzonderlijke kabels met lichtmasten handmatig worden uitgeschakeld indien en voor zover daarvoor schakelaars in een station tussen het laagspanningsrek en het OV-rek zijn aangebracht.

2.2.18.

Voorts maken het overige laagspanningsnet en de OV-netten in beperkte mate gebruik van een zelfde kabel, de zogeheten combikabels. Een combikabel bestaat uit vier hoofdaderen, waardoor relatief veel elektriciteit kan worden getransporteerd en die gebruikt worden voor transport van elektriciteit op laagspanningsniveau. Bedrijven en particulieren zijn hierop aangesloten, mogelijk is ook dat lichtmasten rechtstreeks zijn aangesloten op de hoofdaderen. Daarnaast bevinden zich enkele hulpaderen in de combikabel, waardoor relatief minder elektriciteit kan worden getransporteerd. De hulpaderen worden onder meer gebruikt voor de openbare verlichting. De lichtmasten zijn doorgaans op een hulpader aangesloten. Hulpaderen worden daarnaast ook wel gebruikt om over het laagspanningsnet signalen te versturen (dan wordt een dergelijke hulpader een signaalader genoemd). Een combikabel loopt van een OV-rek in het transformatorgebouw of in de laagspanning-/OV-kast naar een kabel die is verbonden met een aantal lichtmasten.

2.2.19.

De OV-netten lopen vanaf één van de vele voedingspunten in een transformatorgebouw of laagspanning-/OV-kast naar op afstand van elkaar geplaatste lichtmasten die op dit betreffende OV-net zijn aangesloten. Het betreffende OV-net is eindig en voorziet een beperkt aantal lichtmasten (per straat, woonwijk of deel van een woonwijk) van elektriciteit. Binnen het grondgebied van elk van de 29 in deze procedure betrokken overheden is aldus sprake van verschillende en van elkaar te onderscheiden OV-netten die binnen het grondgebied van de desbetreffende gemeente of provincie niet rechtstreeks met elkaar verbonden zijn, maar steeds zijn verbonden met en door delen van het overige laagspanningsnet. Het overige laagspanningsnet en de OV-netten strekken zich verder uit over de grondgebieden van de Overheden, maar beperken zich daartoe niet. Bij de gemeentegrenzen is geen technische scheiding of markering van de OV-netten aanwezig zodat de OV-netten de gemeentegrenzen doorkruisen.

2.2.20.

De rechtbank komt op basis van hetgeen door partijen over en weer is gesteld en aangevoerd met betrekking tot de thans nog voorliggende vraag over de bestanddeelvorming tegen de achtergrond van de hierboven omschreven feitelijke inrichting, tot de volgende overwegingen.

Artikel 3:4 lid 1 BW; de verkeersopvatting

2.2.21.

Op de voet van het bepaalde in artikel 3:4 lid 1 BW is hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van bestanddeelvorming, moet in het licht van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld, aldus HR 6 december 2012, LJN BX7474. Weliswaar heeft de Hoge Raad in voornoemd arrest aanwijzingen geformuleerd voor de vaststelling van hetgeen naar verkeersopvatting één zaak vormt, maar of deze aanwijzingen ook daadwerkelijk de overwegingen zijn waarop de verkeersopvatting in een concreet geval is gebaseerd dan wel of andere overwegingen leidend zijn, dient in ieder concreet geval te worden onderzocht en te worden vastgesteld in het licht van alle omstandigheden van het geval.

2.2.22.

In het algemeen geldt dat de in sectorspecifieke wetten opgenomen definities van netten uitdrukking kunnen geven aan de heersende verkeersopvatting (vergelijk Kamerstukken II 2005-2006, 29 834, nr. 12, p. 2).

2.2.23.

In dit geval is tussen partijen niet langer in geschil dat het zaaksbegrip voor elektriciteitsnetten mede tot uiting is gebracht in artikel 1 lid 1 sub i van de Elektriciteitswet 1998, waar een net wordt gedefinieerd als:

‘één of meer verbindingen voor het transport van elektriciteit en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, behoudens voor zover deze verbindingen en hulpmiddelen onderdeel uitmaken van een directe lijn of liggen binnen de installatie van een producent of van een afnemer.

2.2.24.

De Elektriciteitswet 1998 en de daarop gebaseerde regelgeving kunnen voorts in andere bepalingen nadere aanwijzingen geven voor hetgeen naar verkeersopvatting overigens tot een elektriciteitsnet behoort en daarmee tevens voor het antwoord op de vraag waar het net zijn begrenzing kent. Dat de Elektriciteitswet 1998 is geformuleerd met een geheel ander doel dan het vaststellen van hetgeen bestanddeel van een net is en daarmee hetgeen de omvang en reikwijdte van het object van eigendom is, maakt dit niet anders. Het betreffen echter ‘aanwijzingen’ hetgeen derhalve niet weg neemt dat steeds in het concrete geval, in het licht van alle omstandigheden daarvan, moet worden beoordeeld of naar verkeersopvatting sprake is van bestanddeelvorming. De betreffende aanwijzing behoeft in een concreet geval, anders dan de rechtbank meent te begrijpen als standpunt van de Overheden, dus niet zonder meer doorslaggevend te zijn.

2.2.25.

Het bestaan van een ‘aansluiting’, die redelijkerwijze kan worden afgesloten en die tegelijk een als zodanig kenbare afscheiding vormt, is naar het oordeel van de rechtbank een belangrijke aanwijzing voor het antwoord op de vraag waar een net zijn begrenzing kan vinden en over kan gaan in een andere zaak. Te denken valt bijvoorbeeld aan een door de aansluiting met het net verbonden installatie en verwezen zij naar het tussenvonnis van 27 augustus 2014, rechtsoverweging 4.9.12 voor wat betreft de op het net aangesloten lichtmasten. Ook netten kunnen enkel onderling door middel van aansluitingen met elkaar zijn verbonden, waarbij de aansluiting in dat geval de afgrenzing of begrenzing van beide netten vormt. Het belang van de ‘aansluiting’ als aanwijzing voor de inhoud van de verkeersopvatting kan onder meer worden afgeleid uit artikel 1 lid 1 sub b van de Elektriciteitswet 1998 waar het begrip aansluiting in de zin van die wet met het oog op compensatie van kosten die de netbeheerder maakt ten behoeve van de afnemers als volgt wordt gedefinieerd:

‘één of meer verbindingen tussen een net en een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder begrepen één of meer verbindingen tussen een net dat wordt beheerd door een netbeheerder en een net dat beheerd wordt door een ander dan die netbeheerder;’

Zonder een dergelijke aansluiting kan van een ander net geen sprake zijn, maar de aanwezigheid van een aansluiting betekent niet dwingend dat achter de aansluiting sprake is van een zelfstandig net, omdat de verkeersopvatting moet worden vastgesteld op basis van alle omstandigheden van het concrete geval en rekening moet worden gehouden met zowel technische alsook maatschappelijke aspecten. Om te weten waar een net grenst zal in beginsel van aansluiting tot aansluiting moeten worden bekeken of het net daar over gaat in een ander net. Vergelijk voor het nieuwe recht onder artikel 5:20 lid 2 BW Kamerstukken II 2005-2006, 29 834, nr. 12, p. 2-3; Kamerstukken I 2006-2007, 29 834, C, Memorie van Antwoord p. 3 zoals geciteerd in het vonnis van 27 augustus 2014 onder rechtsoverweging 4.8.6. Weliswaar wordt deze opmerking gemaakt in het kader van de nieuwe wettelijke regeling, maar niet gesteld of gebleken is dat dat dit door de wetgever genoemde punt ook niet reeds voor de invoering van de nieuwe wettelijke regeling mede uitdrukking heeft gegeven aan hetgeen in het algemeen naar verkeersopvatting tot een net wordt gerekend.

2.2.26.

Partijen zijn het er over eens dat de in geschil zijnde en daarmee relevante aansluitingen zich in de transformatorgebouwen en/of laagspanning-/OV-kasten bevinden, bestaan uit een verbreking van het net om een fysieke verbinding tot stand te brengen (de knip), een voorziening hebben om het net beveiligd te houden (de beveiliging) alsmede uit een verbinding bestaan tussen de plaats waar het net verbroken is en de voorziening om het net te beveiligen (de verbinding). De Overheden hebben een en ander gemotiveerd aangevoerd, hetgeen vervolgens onvoldoende door Aktiva en Essent c.s. is weersproken. In de kern zien de aansluitingen er feitelijk als volgt uit. Na het overdrachtspunt tussen het middenspanningsnet en het laagspanningsnet, loopt het laagspanningsnet naar een laagspannings(distributie-)rek. In het laagspanningsnet is een aftakking (knip) aanwezig naar het OV-net. Bij deze knip hoort een (smelt-)beveiliging . Deze kan aanwezig zijn op het laagspanningsrek, maar kan ook (mede) aanwezig zijn op het OV-rek. Ook kunnen OV-kabels die vanuit het OV-rek naar de lichtmasten lopen, per kabel beveiligd zijn. Tussen knip en beveiliging loopt een verbinding.

2.2.27.

Dat in technische zin een OV-net eenvoudig kan worden afgesloten en dat het overige laagspanningsnet van een dergelijke afsluiting geen nadeel ondervindt is door de Overheden gemotiveerd aangevoerd en door Aktiva en Essent c.s. niet weersproken. Om het OV-rek af te schakelen dient een draaischakelaar op het OV-rek te worden omgedraaid en dient de zekering op het laagspanningsrek en/of OV-rek eruit te worden getrokken. De Overheden hebben voorts onweersproken aangevoerd dat de aansluitingen technisch zodanig zijn ontworpen om een dergelijke afsluiting mogelijk te maken. Ook kan de aansluiting van beide netten op elkaar technisch gezien betrekkelijk eenvoudig worden ontkoppeld. De rechtbank constateert verder dat, blijkens de door partijen in het geding gebrachte foto’s, de aansluitingen zichtbaar zijn in de transformatorgebouwen en elektriciteitskasten en als zodanig dus kenbaar.

2.2.28.

Het vorenstaande voert tot de conclusie dat de OV-netten door aansluitingen die redelijkerwijze kunnen worden afgesloten en tegelijk een als zodanig kenbare afscheiding vormen, met het (overige) laagspanningsnet zijn verbonden. Op basis van overige door Aktiva en Essent c.s. gestelde en uit het dossier gebleken feiten en omstandigheden, is de rechtbank evenwel van oordeel dat deze aansluitingen in de gegeven omstandigheden niet met zich brengen dat naar verkeersopvatting de verschillende OV-netten geen bestanddeel zijn van het overige laagspanningsnet en daarvan te onderscheiden zelfstandige netten zijn. Daartoe overweegt zij als volgt.

2.2.29.

Aktiva en Essent c.s. hebben gesteld dat de OV-netten en het overige laagspanningsnet een functionele eenheid vormen. De Overheden hebben dat betwist en aangevoerd dat de OV-netten uitsluitend dienen voor voeding van de openbare verlichting en daarmee een eigen categorie afnemers kennen. Vanwege deze eigen specifieke functie zijn de OV-netten, anders dan het overige laagspanningsnet, geschakelde netten waarop alleen spanning staat gedurende zonsondergang en zonsopgang, aldus de Overheden.

2.2.30.

De rechtbank stelt voorop dat in beginsel een laagspanningsnet een feitelijke en functionele eenheid vormt (vergelijk ook Kamerstukken II 2005-2006, 29 834, nr. 9, Tweede Nota van Wijziging, p. 4). Dat de OV-netten dienen voor de voeding van de openbare verlichting van de Overheden, mede daarom geschakelde netten zijn en dus geen bedrijven en particulieren bedienen, brengt nog niet met zich dat de OV-netten in het onderhavige geval in essentie een andere functie hebben dan het overige laagspanningsnet; te weten het transporteren van elektriciteit naar een afnemer. De hoedanigheid van de afnemer en het al dan niet geschakeld zijn van het net doet daaraan niets af. De rechtbank vindt steun hiervoor in onder meer de omschrijving van een net in artikel 1 lid 1 sub i van de Elektriciteitswet 1998 alsmede het begrip ‘laagspanningsnet’ uit de Begrippenlijst Elektriciteit die onderdeel uitmaakt van de voorwaarden als bedoeld in artikel 31, eerste lid van de Elektriciteitswet 1998 en waarin de transportfunctie voorop staat. Voor wat betreft de omschrijving in de Elektriciteitswet 1998 wordt verwezen naar rechtsoverweging 2.2.23. In de Begrippenlijst Elektriciteit wordt een laagspanningsnet omschreven als een net ‘bestemd voor het transport van elektriciteit op een spanningsniveau kleiner dan of gelijk aan 1kV en dat als zodanig wordt bedreven.’ Een geschakeld net wordt niet apart onderscheiden. Bij de berekening van het transporttarief door de netbeheerder wordt op basis van de Tarievencode Elektriciteit verder ook één tariefcategorie onderscheiden voor het laagspanningsnet en wordt geen onderscheid gemaakt tussen geschakelde en niet-geschakelde laagspanningsnetten. Dat het aansluittarief is gebaseerd op de door de afnemer gewenste aansluitcapaciteit, dat de openbare verlichting een lagere aansluitcapaciteit heeft dan een woning en dat daardoor met betrekking tot het aansluittarief wel een onderscheid wordt gemaakt tussen aansluitingen op een geschakeld of niet geschakeld net, maakt het voorgaande nog niet anders. De Tarievencode Elektriciteit kent dan ook meerdere tariefklassen.

2.2.31.

Dat het overige laagspanningsnet en de OV-netten die in het onderhavige geschil betrokken zijn in dit concrete geval een feitelijke en functionele eenheid vormen (hetgeen het idee ondersteunt dat er naar verkeersopvatting één net is), volgt naar het oordeel van de rechtbank verder onder meer uit het feit dat het dagelijks ‘aan’ en ‘uit’ schakelen van de openbare verlichting centraal gebeurt door middel van toonfrequent besturing. Dit systeem verzendt vanuit het bedrijfsvoering centrum van Enexis via het elektriciteitsnet signalen naar de individuele toonfrequent ontvangers die in de transformatorgebouwen en laagspanning-/OV-kasten op de rekken aanwezig zijn, zoals Aktiva en Essent c.s. onweersproken hebben gesteld. De toonfrequent besturing maakt, zo kan de rechtbank afleiden uit het gestelde, aldus via een centrale aankoppeling op het elektriciteitsnetwerk gebruik van het (overige) laagspanningsnet om de openbare verlichting overal tegelijkertijd ‘aan’ dan wel ‘uit’ te schakelen. Kenmerkend voor toonfrequent besturing is immers dat geen aparte infrastructuur nodig is, maar dat het centraal gebruik kan maken van het laagspanningsnet voor bijvoorbeeld en onder meer de aansturing van de OV-netten. Dit betekent tegelijkertijd dat deze OV-netten voor hun functioneren afhankelijk zijn van hun verbinding met het (overige) laagspanningsnet en daarmee door de toonfrequent besturing functioneel zijn verbonden. Feiten of omstandigheden die een andere conclusie rechtvaardigen, zijn door de Overheden niet aangevoerd nu zij ten aanzien van voornoemde centrale besturing geen verweer hebben gevoerd. Dat afzonderlijke OV-netten daarnaast handmatig kunnen worden uitgeschakeld met schakelaars indien en voor zover deze in een station tussen een laagspanningsrek en een openbaarverlichtingsrek zijn aangebracht, maakt het voorgaande niet anders. Onweersproken is gebleven dat deze schakelaars alleen in bijzondere gevallen worden gebruikt, bijvoorbeeld om een bepaald OV-net spanningsloos te maken voor onderhoud of reparatie in welk geval om veiligheidsredenen ook alle zekeringen moeten worden uitgenomen /onderbroken.

2.2.32.

Dat het overige laagspanningsnet en de in het geding betrokken OV-netten in dit concrete geval een feitelijke en functionele eenheid vormen en daarmee naar verkeersopvatting één net, wordt naar het oordeel van de rechtbank voorts ondersteund door het verder onweersproken gebleven feit dat elektriciteitsmeters waarmee de hoeveelheid elektriciteit wordt gemeten die vanuit het laagspanningsrek wordt doorgegeven aan het OV-rek, ontbreken. Het gebruik van elektriciteit wordt met de Overheden afgerekend op basis van de bij Enexis bekende wattage en hoeveelheid voor de openbare verlichting gebruikte lampen. Omdat deze lampen centraal via het toonfrequent besturingssysteem worden in- en uitgeschakeld is bij Enexis de duur van het elektriciteitsverbruik bekend en wordt op basis van deze gegevens de hoeveelheid gebruikte elektriciteit berekend en met de desbetreffende gemeente of provincie afgerekend.

In het licht van het voorgaande constateert de rechtbank dat nader is gesteld dat zogeheten telemetrie-groot-verbruik-meetinrichtingen ontbreken, terwijl de op basis van artikel 31 lid 1 sub b Elektriciteitswet 1998 geformuleerde Meetcode Elektriciteit deze groot-verbruik-meetinrichtingen in artikel 2.2.1 en 2.4.1. onder omstandigheden voorschrijft. Artikel 2.2.1. van voornoemde regeling bepaalt dat in het (de) overdrachtspunt(en) van een aansluiting tussen twee netten een telemetriegrootverbruikmeetinrichting aanwezig is en artikel 2.4.1. bepaalt dat in het (de) overdrachtspunt(en) van een aansluiting groter dan 3x80A eveneens een telemetriegrootverbruikmeetinrichting aanwezig moet zijn.

Vanaf het overdrachtspunt in de transformatorgebouwen en/of laagspanning-/OV-kasten worden dus geen transporttarieven in rekening gebracht. Overigens worden ook geen aansluittarieven in rekening gebracht. Deze kosten worden per lichtmast gefactureerd. De aansluiting in de zin van de Elektriciteitswet 1998 bevindt zich dus bij iedere afzonderlijke lichtmast. Het overige laagspanningsnet en de OV-netten fungeren in de praktijk derhalve als één net voor transport van elektriciteit naar te onderscheiden categorieën afnemers.

2.2.33.

Een aanwijzing dat van een feitelijke en functionele eenheid in dit concrete geval sprake is, leidt de rechtbank verder af uit het substantiële gebruik van combikabels waarin het overige laagspanningsnet en de OV-netten geïntegreerd zijn in één kabel. Weliswaar verschillen partijen van inzicht over het aandeel van de combikabel in de totale omvang van de OV-netten, maar tussen partijen staat door de erkenning van de Overheden vast dat tenminste 5 tot 10 % van het OV-net uit combikabels bestaat. Uit de door Aktiva en Essent c.s. in het geding gebrachte en door de Overheden verder niet betwiste stukken blijkt dat een combikabel uit vier hoofdaderen bestaat die worden gebruikt voor laagspanning. Huizen en bedrijven zijn in beginsel op deze hoofdaderen aangesloten. Daarnaast bestaat een combikabel uit kleinere hulpaderen waardoor, in vergelijking met de hoofdaderen, relatief minder elektriciteit kan worden getransporteerd. Deze hulpaderen worden in beginsel gebruikt voor de voeding van de openbare verlichting. De combikabel loopt vanuit een transformatorgebouw of een laagspanning-/OV-kast naar een kabel die is verbonden met een aantal lichtmasten. De lichtmasten zijn op deze wijze doorgaans aangesloten op de kleinere hulpaderen, maar het komt ook voor dat lichtmasten direct zijn aangesloten op hoofdaderen. In dit laatste geval zit in de lichtmasten een schakelaar waarmee de lichtmast door het toonfrequent besturingssysteem wordt aan- en uitgeschakeld. Een dergelijk substantieel gebruik van 5 tot 10 % aan combikabels rechtvaardigt mede, tegen de achtergrond van de hiervoor gegeven overwegingen, de conclusie dat in dit concrete geval de OV-netten een feitelijk en functioneel geheel vormen met het (overige) laagspanningsnet.

2.2.34.

De rechtbank ziet in hetgeen door partijen in hun aktes nader is gesteld omtrent de functie van de voedingspunten en de technische aspecten ervan in de concrete gevallen, een bevestiging van hetgeen zij eerder heeft overwogen in haar tussenvonnis van 27 augustus 2014 onder rechtsoverweging 4.8.9 en 4.8.10. Zij ziet geen aanleiding het bestaan en omvang van de voedingspunten anders dan hetgeen in het tussenvonnis reeds is geschied, te betrekken in het oordeel of naar verkeersopvatting de OV-netten bestanddeel zijn van het overige laagspanningsnet.

2.2.35.

Het voorgaande voert de rechtbank tot de conclusie, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, dat naar verkeersopvatting de te onderscheiden OV-netten bestanddeel zijn van het overige laagspanningsnet. Aan behandeling van de vraag of de netten zodanig met elkaar zijn verbonden dat zij niet van elkaar kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken in de zin van artikel 3:4 lid 2 BW, komt de rechtbank derhalve niet meer toe.

2.2.36.

De rechtbank merkt nog op dat hetgeen Aktiva en Essent c.s. hebben gesteld omtrent de verwevenheid van de OV-netten en het overige laagspanningsnet doordat zij gebruik maken van dezelfde transformatorgebouwen (in 3.938 gevallen) en laagspanning-/OV-kasten (in 11.508 gevallen), wat daar verder ook van moge zijn, voor het oordeel of de OV-netten naar verkeersopvatting bestanddeel zijn van het (overige) laagspanningsnet, niet doorslaggevend is.

Ten aanzien van de door Aktiva en Essent c.s. gestelde denkbeeldige noodzakelijke wijziging van de gebouwen waarin zich transformatorstations bevinden en laagspanning-/OVkasten, en de daarmee gepaard gaande beschadigingen en kosten, is de rechtbank met de Overheden overigens van oordeel dat bedoelde gebouwen en kasten geen deel uitmaken van het elektriciteitsnet zoals dat door artikel 1 lid 1 sub i Elektriciteitswet 1998 is gedefinieerd. Op grond van de Elektriciteitswet is van een met het net verbonden transformator-, schakel-, verdeel-, of hulpstation immers slechts sprake als het gaat om een hulpmiddel dat is verbonden met de verbinding voor het transport van elektriciteit. Essentieel is de aanwezigheid van een elektrotechnische verbinding tussen de kabel en het daarmee verbonden hulpmiddel, dat wil zeggen de met de kabels verbonden elektrische apparatuur zoals de schakelinstallaties, transformatoren of verdeelinrichtingen. Tussen een elektriciteitsnet en een gebouw waarin zich een transformatorstation bevindt of een laagspanning-/OV-kast, bestaat een dergelijke elektrotechnische verbinding niet. Deze gebouwen en kasten zijn onroerende zaken die in beginsel duurzaam met de grond zijn verenigd en geen bestanddeel uitmaken van het net. Bedoelde gebouwen behoren (omdat zij c.q. de ondergrond afzonderlijk zijn geleverd dan wel zijn opgericht na levering van de ondergrond) in eigendom toe aan Aktiva dan wel Enexis. Waar levering van de ondergrond dan wel vestiging van opstalrechten voor de laagspanning-/OV-kasten niet is gesteld of gebleken, behoren deze toe aan de eigenaren van de grond. Wat de grondslag is voor het gebruik van de aan de grondeigenaren toebehorende laagspanning-/OV-kasten is in dit geding niet aan de orde en blijft verder buiten beschouwing.

2.2.37.

Nu de door Aktiva en Essent c.s. in het geding gebrachte gegevens over het aantal voedingspunten, het percentage combikabels en de waarde van het OV-net en het overige laagspanningsnet in het grondgebied van de Overheden niet relevant zijn voor de beslissing zal de rechtbank niet overgaan tot benoeming van een deskundige die de gestelde cijfers in het bedrijfsmiddelenregister van Enexis moet controleren. Nu de voorwaarde waaronder de vordering ex artikel 843a Rv door de Overheden is ingesteld aldus evenmin is vervuld, komt de rechtbank niet aan de behandeling van deze vordering toe.

2.2.38.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt met zich dat de door Aktiva gevorderde verklaring voor recht, voor zover dat betrekking heeft op de OV-netten kan worden gegeven. Nu bij tussenvonnis van 27 augustus 2014 reeds is overwogen dat de gevorderde verklaring voor recht voor zover dat betrekking heeft op het overige laagspanningsnet eveneens zal worden gegeven, betekent dit dat voor recht zal worden verklaard dat Aktiva eigenaar is van het laagspanningsnet waartoe de OV-netten en het in deze procedure als het overige laagspanningsnet aangeduide net behoren. Daartoe behoren krachtens artikel 1 lid 1 sub i Elektriciteitwet 1998 ook de met het laagspanningsnet verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, ook als deze bovengronds zijn geplaatst.

2.2.39.

De rechtbank merkt ten overvloede het volgende op. Indien de vele OV-netten geen functionele eenheid met het overige laagspanningsnet zouden vormen en één net in de zin van artikel 3:4 lid 1 BW, zou dit als gevolg van de aanwezigheid van combikabels tot een opmerkelijke en ongewenste wirwar van eigendomsverhoudingen leiden. In dat geval zouden de OV-netten doorgaans, gezien de in beginsel eenvoudige ontkoppeling van de aansluitingen, zelfstandige netten zijn en (dus) eigendom van de overheid als eigenaar van de grond waarin elk afzonderlijk OV-net ligt. In beginsel zouden er dan in het grondgebied van elk van de Overheden, omdat het telkens gaat om losse ‘strengen’ kabel, vele ‘netten’ bestaan. Van een zelfstandig OV-net zou weer geen sprake zijn in (bepaalde) gevallen waarin gebruik is gemaakt van combikabels, omdat het gehele samenstel van elektriciteitskabels in een combikabel niet eenvoudig is te scheiden in de zin van artikel 3:4 lid 2 BW. In het bijzonder wanneer het gebruik van de combikabel bij een betreffend OV-net zo omvangrijk is dat het aanleggen van een geheel nieuwe tweede kabel ter vervanging van het OV-deel in de combikabel hoge kosten met zich zou brengen c.q. een beschadiging van betekenis zou impliceren, zou van een zelfstandig OV-net geen sprake kunnen zijn. Op basis van het schadetoebrengingscriterium van artikel 3:4 lid 2 BW zou in die gevallen het overige laagspanningsnet en het betreffende OV-net wel als één net moeten worden aangemerkt. Niet is uit te sluiten dat in een aanzienlijk deel van de OV- netten in het geheel geen combikabel voorkomt, terwijl andere misschien wel voor 50% of zelfs voor 100% uit combikabel bestaan. Dat zou tot onoverzichtelijke eigendomsverhoudingen leiden. Het betekent namelijk dat in de ene straat of wijk het OV-net aan de betreffende gemeente of provincie zou toekomen terwijl in de naburige straat of wijk het OV-net door een relatief omvangrijk gebruik van combikabels aan Aktiva zou toebehoren. Daarbij moet dan worden bedacht dat voor inmiddels nieuw aangelegde OV-netten waarvoor de eerbiedigende werking van artikel 5:20 sub e BW niet geldt, de eigendom moet worden vastgesteld aan de hand van artikel 5:20 lid 2 BW; doorslaggevend is daarvoor wie bevoegde aanlegger is. Een aldus gegeven verward geheel aan eigendomsverhoudingen die het gevolg zou zijn van het niet als functionele eenheid aanmerken van de vele OV-netten met het overige laagspanningsnet, is maatschappelijk gezien ongewenst.

2.3.

Resumé

2.3.1.

De rechtbank komt op basis van het vorenstaande en op basis van hetgeen in het tussenvonnis van 27 augustus 2014 is overwogen en beslist tot de volgende conclusies.

2.3.2.

In de zaak met zaaknummer/rolnummer 109693 / HA ZA 09-377 zal de door de Overheden ingestelde vordering strekkende tot verkrijging van verklaringen voor recht dat zij ieder afzonderlijk eigenaar zijn van het binnen hun grondgebied gelegen OV-net, worden afgewezen, behoudens wat betreft het net in de gemeente Groningen nu Aktiva en Essent c.s. hebben erkend geen eigenaar te zijn van het net c.q. de OV-netten in deze gemeente. Nu tegen de vordering met betrekking tot de gemeente Groningen overigens geen verweer is gevoerd zal deze worden toegewezen zoals in het dictum is vermeld

2.3.3.

Aktiva heeft als tussenkomende partij in de zaak met zaaknummer/rolnummer 109693 / HA ZA 09-377 haar vordering voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval haar vordering in de gevoegde zaak met zaaknummer/rolnummer 133230 / HA ZA 12-139 wordt afgewezen. Voor zover de vordering van deze partij in voornoemde gevoegde zaak wordt toegewezen zal de rechtbank niet aan behandeling van de vordering toekomen. Voor zover de vordering van deze partij in de gevoegde zaak wordt afgewezen, zal die ook in de zaak met zaaknummer/rolnummer 109693 / HA ZA 09-377 worden afgewezen, omdat Aktiva geen nadere feiten en omstandigheden heeft gesteld die een andere conclusie rechtvaardigen.

2.3.4.

In de zaak met zaaknummer/rolnummer 133230 / HA ZA 12-139 zal de door Aktiva gevorderde verklaring voor recht gedeeltelijk worden toegewezen, namelijk in zoverre dat het laagspanningsnetwerk, inclusief de OV-netten die zijn bestemd voor transport van elektriciteit naar de openbare verlichting in en op de percelen van de Overheden, behoudens in en op het perceel van de gemeente Groningen, eigendom zijn van Aktiva. Nu tegen de vordering overigens geen verweer is gevoerd zal deze worden toegewezen zoals in het dictum nader is bepaald.

Voor zover de gevorderde verklaring voor recht betrekking heeft op lichtmasten en andere bovengrondse palen, bedieningsapparatuur, automatiseringsinstallaties en laagspanning- en/of OV-kasten niet zijnde transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen van het net, zal de vordering worden afgewezen. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar rechtsoverweging 4.9.23. van het tussenvonnis van 27 augustus 2014 en rechtsoverweging 2.2.36 van dit vonnis.

De overige primair en subsidiair door Aktiva gevorderde verklaringen voor recht betreffende de Overeenkomst EGD zullen eveneens worden afgewezen.

2.3.5.

Aan de behandeling van de vordering ingesteld bij voorwaardelijk incident komt de rechtbank niet toe.

2.3.6.

Aangaande de proceskosten overweegt de rechtbank als volgt.

De onderscheidene procedures zijn sterk met elkaar verbonden omdat dezelfde of aanverwante partijen daarin een rol spelen en de vorderingen een zekere spiegelbeeldigheid hebben. Uiteindelijk geldt voor elke partij dat deze, althans de groep waartoe zij behoort, in enig opzicht in het ongelijk wordt gesteld. Als de rechtbank hierbij betrekt dat het partijen om een principiële uitspraak is gegaan, ziet zij aanleiding om in deze ‘wirwar’ van procedures één simpele lijn te trekken door te bepalen dat elke partij de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/18/109693 / HA ZA 09-377

3.1.

verklaart voor recht dat eiseres sub 10, de gemeente Groningen, eigenaresse is van de binnen haar grondgebied gelegen OV-netten, die onder meer doorsnijden het perceel kadastraal bekend gemeente Groningen, sectie G, nummer 6705;

3.2.

wijst de vorderingen van de Overheden voor het overige af;

3.3.

wijst de vorderingen van Aktiva als tussenkomende partij af voor zover zij in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/18/133230 / HA ZA 12-139 niet zijn toegewezen;

3.4.

verstaat dat de rechtbank aan de behandeling van de vorderingen van Aktiva als tussenkomende partij voor zover zij in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/18/133230 / HA ZA 12-139 zijn toegewezen, niet toekomt;

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/18/133230 / HA ZA 12-139

3.5.

verklaart voor recht dat het laagspanningselektriciteitsnet,

waartoe de OV-netten en het in deze procedure als het overige laagspanningsnet aangeduide net behoren alsmede de met dit laagspanningselektriciteitsnet verbonden boven- of ondergrondse transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen, maar waartoe niet behoren lichtmasten en andere bovengrondse palen, bedieningsapparatuur, automatiseringsinstallaties en laagspanning- en/of OV-kasten voor zover het niet voornoemde transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen van het net betreffen,

in en op de volgende percelen eigendom zijn van Aktiva:

• in de gemeente Aa en Hunze, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend Gemeente Gieten, sectie E, nummer

6321;

• in de gemeente Appingedam, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend Gemeente Appingedam, sectie H,

nummer 1720;

• in de gemeente Assen, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend Gemeente Assen, sectie Q, nummer 6092;

• in de gemeente Bedum, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend Gemeente Bedum, sectie L, nummer 1613;

• in de gemeente Borger-Odoorn, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend Gemeente Odoom, sectie 0,

nummer 451;

• in de gemeente De Marne, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend Gemeente Eenrum, sectie B,

nummer 3296;

• in de gemeente Delfzijl, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Delfzijl, sectie C, nummer 3770;

• in de gemeente Eemsmond, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Uithuizen, sectie E,

nummer 3677;

• in de gemeente Emmen, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie K, nummer 2701;

• in de gemeente Grootegast, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Grootegast, sectie D,

nummer 4515;

• in de gemeente Haren, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Haren, sectie K, nummer 11015;

• in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, onder meer

doorsnijdend het perceel, kadastraal bekend gemeente

Hoogezand, sectie F, nummer 7288;

• in de gemeente Leek, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Leek, sectie H, nummer 6390;

• in de gemeente Loppersum, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Middelstum, sectie A,

nummer 3384;

• in de gemeente Marum, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Marum, sectie F, nummer 5860;

• in de gemeente Menterwolde, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Muntendam, sectie E,

nummer 855;

• in de gemeente Midden-Drenthe, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Westerbork, sectie D,

nummer 6082;

• in de gemeente Noordenveld, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Peize, sectie G, nummer

2165;

• in de gemeente Pekela, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Nieuwe Pekela, sectie A, nummer

3908;

• in de gemeente Slochteren, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Slochteren, sectie P,

nummer 13;

• in de gemeente Ten Boer, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Ten Boer, sectie A,

nummer 4550 gedeeltelijk;

• in de gemeente Tynaarlo, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Zuidlaren, sectie G, nummer 5942

gedeeltelijk;

• in de gemeente Veendam, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Wildervank, sectie A,

nummer 2897;

• in de gemeente Vlagtwedde, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend gemeente Vlagtwedde, sectie I,

nummer 2814;

• in de gemeente Oldambt, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Winschoten, sectie G, nummer

1568;

• in de gemeente Zuidhorn, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Zuidhorn, sectie F, nummer 5798;

• in de provincie Drenthe, onder meer doorsnijdend het perceel,

kadastraal bekend gemeente Peize, sectie I, nummer 1573, en

• in de provincie Groningen, onder meer doorsnijdend het

perceel, kadastraal bekend Gemeente Winsum, sectie G,

nummer 919;

3.6.

wijst de overige vorderingen van Aktiva af;

in voorwaardelijk incident in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/18/109693 / HA ZA 09-377 en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/18/133230 / HA ZA 12-139

3.7.

verstaat dat de rechtbank niet aan behandeling van de vordering toekomt;

in alle zaken

3.8.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.A.M. Dijkers, mr. S.M. Schothorst en mr. J.E. Wichers en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2015.1

1 coll: